Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
22 mei 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor de duur van zes maanden. De rechtbank Den Haag verleende aanvankelijk een zorgmachtiging voor één maand en vervolgens een eindbeschikking voor nog vijf maanden, waarbij zij uitging van een medische verklaring van een onafhankelijke psychiater die betrokkene niet persoonlijk had onderzocht.
Betrokkene was aanvankelijk niet aanwezig bij de mondelinge behandeling, maar was wel aanwezig bij de voortzetting ervan. De onafhankelijke psychiater had meerdere pogingen gedaan om betrokkene te onderzoeken, maar betrokkene werkte niet mee en reageerde alleen per mail. De rechtbank achtte het risico te groot om langer te wachten op een persoonlijk onderzoek en baseerde haar oordeel op dossieronderzoek en verklaringen van betrokken instanties.
In cassatie klaagt betrokkene dat de medische verklaring onvoldoende gemotiveerd is omdat geen persoonlijk onderzoek heeft plaatsgevonden en dat er geen nieuwe medische verklaring is opgesteld na de tussenbeschikking. De Hoge Raad oordeelt dat het onderzoek in fysieke aanwezigheid van betrokkene in beginsel vereist is, tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is. De rechtbank heeft echter niet vastgesteld dat de onafhankelijke psychiater voorafgaand aan de voortzetting van de mondelinge behandeling opnieuw heeft geprobeerd betrokkene persoonlijk te onderzoeken.
De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing. De overige klachten worden niet behandeld omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank wegens onvoldoende persoonlijk onderzoek door de onafhankelijke psychiater.