ECLI:NL:HR:2026:8

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
23/04502
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid cassatieberoep in beslagzaak met betrekking tot MDMA, hennepteelt en witwassen

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 6 januari 2026 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de klaagster. De klaagster had een klaagschrift ingediend met betrekking tot het beslag op geldbedragen en goederen, waaronder een compressor, damesfiets en minibike, die in beslag waren genomen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de uitvoer van MDMA, hennepteelt, diefstal van stroom en witwassen. De rechter in de ontnemingszaak had een onherroepelijke betalingsverplichting van € 779.841,73 opgelegd aan een ander, wat leidde tot de vraag of de klaagster ontvankelijk was in haar cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep van de klaagster niet in behandeling kon worden genomen. Dit was gebaseerd op de conclusie van de advocaat-generaal, die stelde dat het onherroepelijk worden van de uitspraak in de ontnemingszaak betekende dat het conservatoire beslag was overgegaan in executoriaal beslag. Hierdoor had het Openbaar Ministerie de mogelijkheid om de inbeslaggenomen voorwerpen uit te winnen ten behoeve van de ontnemingsvordering. De Hoge Raad concludeerde dat de klaagster, die stelde dat de inbeslaggenomen voorwerpen aan haar toebehoorden, geen belang meer had bij het cassatieberoep.

De uitspraak van de Hoge Raad is in samenhang met eerdere uitspraken van de Hoge Raad (HR:2023:857 en HR:2021:216) die betrekking hadden op de ontnemingszaak en de strafzaak tegen een ander. De Hoge Raad verklaarde de klaagster niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep, waarmee de beslissing van het gerechtshof Amsterdam van 7 november 2023 werd bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04502 B
Datum6 januari 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 7 november 2023, nummer 000530-23, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de klaagster.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft de advocaat M.A.M. Pijnenburg bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd dat de klaagster niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar cassatieberoep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de klaagster niet in behandeling nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 januari 2026.