Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
6 januari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van klaagster tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam over een klaagschrift inzake beslag op geldbedragen en goederen onder verdenking van strafbare feiten zoals uitvoer van MDMA, hennepteelt, diefstal van stroom en witwassen.
Het hof had in een ontnemingszaak tegen een ander een onherroepelijke betalingsverplichting van € 779.841,73 opgelegd, waarna het conservatoir beslag op de betreffende goederen overging in executoriaal beslag. Hierdoor kon het Openbaar Ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen uitwinnen ten behoeve van de ontnemingsvordering.
De klaagster stelde dat de inbeslaggenomen goederen aan haar toebehoren en voerde daarom cassatieberoep aan. De Hoge Raad oordeelde echter dat zij geen belang meer had bij het cassatieberoep omdat het beslag inmiddels executoriaal was geworden en de wettelijke bepalingen omtrent verhaal en derdenbescherming van toepassing zijn. Daarom werd het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang na onherroepelijke ontnemingsbeschikking tegen een ander.