Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
6 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 6 januari 2026 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de klaagster. De klaagster had een klaagschrift ingediend met betrekking tot het beslag op geldbedragen en goederen, waaronder een compressor, damesfiets en minibike, die in beslag waren genomen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de uitvoer van MDMA, hennepteelt, diefstal van stroom en witwassen. De rechter in de ontnemingszaak had een onherroepelijke betalingsverplichting van € 779.841,73 opgelegd aan een ander, wat leidde tot de vraag of de klaagster ontvankelijk was in haar cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep van de klaagster niet in behandeling kon worden genomen. Dit was gebaseerd op de conclusie van de advocaat-generaal, die stelde dat het onherroepelijk worden van de uitspraak in de ontnemingszaak betekende dat het conservatoire beslag was overgegaan in executoriaal beslag. Hierdoor had het Openbaar Ministerie de mogelijkheid om de inbeslaggenomen voorwerpen uit te winnen ten behoeve van de ontnemingsvordering. De Hoge Raad concludeerde dat de klaagster, die stelde dat de inbeslaggenomen voorwerpen aan haar toebehoorden, geen belang meer had bij het cassatieberoep.
De uitspraak van de Hoge Raad is in samenhang met eerdere uitspraken van de Hoge Raad (HR:2023:857 en HR:2021:216) die betrekking hadden op de ontnemingszaak en de strafzaak tegen een ander. De Hoge Raad verklaarde de klaagster niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep, waarmee de beslissing van het gerechtshof Amsterdam van 7 november 2023 werd bevestigd.