Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
29 mei 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een echtscheidingsprocedure tussen een man en een vrouw, ouders van twee minderjarige kinderen. De vrouw verzocht in eerste aanleg om echtscheiding en eenhoofdig gezag, hetgeen door de rechtbank werd afgewezen. In incidenteel hoger beroep verzocht de vrouw alsnog om eenhoofdig gezag, waarop de man bij verweerschrift nieuwe verzoeken indiende, waaronder het verzoek om hem met het eenhoofdig gezag te belasten.
De vrouw maakte bezwaar tegen deze nieuwe verzoeken, maar het hof oordeelde dat deze toelaatbaar waren vanwege de aard van het geschil en de mogelijkheid tot wijziging van gezagsverzoeken. Het hof wees de bezwaren van de vrouw af en belastte de man met het eenhoofdig gezag, gelet op de ernstig verstoorde verhoudingen tussen partijen en het belang van de kinderen.
De vrouw stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing, stellende dat het hof de tweeconclusieregel had miskend en haar onvoldoende gelegenheid had gegeven tot verweer. De Hoge Raad oordeelde dat nevenvoorzieningen zoals gezagsverzoeken ook in hoger beroep kunnen worden gedaan en dat het hof terecht de toelaatbaarheid van de nieuwe verzoeken had aangenomen. Tevens was de vrouw voldoende in de gelegenheid gesteld haar standpunt te uiten.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat de man met het eenhoofdig gezag wordt belast, mede vanwege de verstoorde communicatie en het belang van de kinderen bij een stabiele gezagsverhouding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de man met het eenhoofdig gezag over de kinderen wordt belast.