Uitspraak
1.Procesverloop
De advocaat van de Ontvanger heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Uitgangspunten en feiten
4.Beslissing
29 mei 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak staat centraal of de Ontvanger van de Belastingdienst onrechtmatig handelt door belastingvorderingen in faillissementen van de [A]-vennootschappen in te dienen en te handhaven, terwijl een derde door de curator aansprakelijk is gesteld en stelt dat de aanslagen materieel onverschuldigd zijn.
De derde vordert dat de Ontvanger de belastingaanslagen buiten invordering stelt en schadevergoeding betaalt. Zowel rechtbank als hof wijzen deze vorderingen af. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verduidelijkt de maatstaf voor onrechtmatigheid in dit soort gevallen.
De Hoge Raad stelt dat de Ontvanger in beginsel vrij is om vorderingen in te dienen en dat onrechtmatigheid slechts kan worden aangenomen als de Ontvanger bij het indienen of handhaven van de vordering kennis had van feiten die onmiskenbaar maken dat de aanslagen materieel niet verschuldigd zijn, en hij desondanks niet overgaat tot buiten invordering stellen.
De formele rechtskracht van de aanslagen staat toetsing door de burgerlijke rechter niet in de weg, maar de toetsing is beperkt. De derde heeft onvoldoende feiten gesteld die het standpunt van de Ontvanger onmiskenbaar onjuist maken. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt de derde in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de Ontvanger niet onrechtmatig handelt door belastingvorderingen in faillissement in te dienen tenzij onmiskenbaar blijkt dat deze materieel niet verschuldigd zijn.