ECLI:NL:HR:2026:958
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt feitelijk oordeel over toepasselijkheid Nederlandse socialezekerheidswetgeving
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over de toepasselijkheid van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving voor de periode van 1 oktober 2016 tot en met 31 mei 2017.
De Centrale Raad had geoordeeld dat belanghebbende substantieel in Nederland werkte, gebaseerd op het vermoeden dat hij ten minste 25 procent van zijn arbeidstijd in Nederland verrichtte. Dit oordeel was mede gebaseerd op het feit dat het schip waarop belanghebbende werkte werd geëxploiteerd door een in Nederland gevestigde onderneming.
De Hoge Raad oordeelde dat dit een feitelijk oordeel betreft waartegen in cassatie geen succes kan worden behaald, ook al is het vermoeden mede gebaseerd op een omstandigheid die niet doorslaggevend is volgens de Europese verordeningen. Het beroep in cassatie werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het feitelijk oordeel van de Centrale Raad bevestigd.