Conclusie
1.Inleiding en overzicht
Reden voor selectie van deze zaak voor conclusie: doorbreking beperkte beoordelingsbevoegdheid van CRvB-uitspraken?
Hakamp, middel 2 terecht betoogt dat met deze omstandigheden geen rekening mag worden gehouden bij de toepassing van art. 14(8) Toepassingsverordening (10.3-10.6).
Bordbuch) en een verklaring van een bestuursorgaan in Liechtenstein over uitkering van kinderbijslag. [4]
3.Ambtshalve onderzoek naar ontvankelijkheid beroep in cassatie
wanneerde termijn voor het instellen van beroep in cassatie is aangevangen: vanaf de eerste verzending of de tweede? Ten tweede, het beroepschrift in cassatie is ingekomen op 19 september 2024. Dit is zes weken na de tweede verzending op 8 augustus 2024. Maar het is acht weken na de eerste op 22 juli 2024. Het doet dus ertoe wanneer die termijn is aangevangen.
Voorzitter
ten eersteeen juridische vraag. Die vraag is
aan wiede uitspraak verzonden had moet worden, wil sprake zijn van een bekendmaking op de voorgeschreven wijze: aan belanghebbende zelf of (ook) aan de raadsman. In de motivering van het beroep in cassatie ligt besloten (zie vooral punt 16) dat belanghebbende betoogt daarin dat in strijd met (onder meer) art. 6:17 Awb de uitspraak van de CRvB niet aan de raadsman is verzonden.
ten tweedede vraag of de brief
aan het juiste adresis gezonden. In dat kader rijzen twee deelvragen.
eerste deelvraagkomt op mede naar aanleiding van de motivering van het beroep in cassatie. Belanghebbende betoogt daarin namelijk ook dat de kennisgeving van het hoger beroep ten onrechte niet is gezonden naar het in het beroepschrift voor de Rechtbank vermelde (zie 2.7) domicilieadres. Dit impliceert naar mijn mening dat belanghebbende ook van opvatting is dat de uitspraak van de CRvB naar dat domicilieadres had moet worden verzonden.
tweede deelvraagis of het eerste adres waarnaar de brief van 22 juli 2024 is verstuurd, wel het juiste adres van belanghebbende is. Die vraag is bij mij gerezen omdat de tweede brief (van 8 augustus 2024) naar een ander adres is verzonden, te weten het tweede adres (zie 3.3). Uit ingewonnen inlichtingen bij en via de griffie van de Hoge Raad begrijp ik dat dit tweede adres als adres van belanghebbende in de basisregistratie persoonsgegevens is geregistreerd vanaf 19 maart 2024, met de aantekening dat dit adres een briefadres en geen woonadres is. Aangezien de adreswijziging heeft plaatsgevonden vóór 22 juli 2024, zou een verklaring voor verzending van de tweede brief kunnen zijn dat de griffier de eerste brief heeft terug ontvangen. Maar dat is gissen: het dossier dat mij ter beschikking staat, bevat geen stuk van terugontvangst. Zou de brief van 22 juli 2024 wel zijn terugontvangen, dan zou de griffier van de CRvB overigens in strijd met art. 8:38(2) Awb de brief niet opnieuw aangetekend hebben verzonden. Terzijde: het moment van adreswijziging is ook gelegen vóór de datum waarop de aangetekende brief met de uitnodiging voor de zitting is verstuurd; [24] dit doet de vraag rijzen welk onderzoek, waarvan het proces-verbaal gewag maakt (zie 3.7), heeft plaatsgevonden naar de uitnodiging van de zitting toen belanghebbende niet ter zitting verscheen – de uitspraak van de CRvB bevat bovendien ten onrechte geen vaststelling van feiten waaruit blijkt dat de uitnodiging op regelmatige wijze is aangeboden aan belanghebbende. [25]
4.De regeling van art. 6:17 Awb en haar totstandkoming
Tekst en reikwijdte
5.Cassatierechtspraak over verstrekking van uitspraken aan gemachtigden
eerste vraagis aan wie de griffie van het desbetreffende hof de kennisgeving van het hoger beroep verzendt: alleen aan de belanghebbende zelf, alleen aan de gemachtigde of aan beiden? Het antwoord is: alleen aan de belanghebbende zelf. Dit geldt voor elk van de vier hoven. Daaraan voegt de teamvoorzitter bij het hof Den Bosch toe: [62]
tweede vraagis of het verschil maakt voor degene aan wie de griffie de kennisgeving van het hoger beroep verzendt, als de gemachtigde een advocaat is. De
derde vraagis of het verschil maakt daarvoor als de belanghebbende domicilie heeft gekozen ten kantore van de gemachtigde, ook al woont hij zelf in Nederland. Het antwoord is: noch het een noch het ander maakt verschil daarvoor; ook dan verzendt de griffie de kennisgeving alleen aan de belanghebbende. Dit geldt wederom voor elk van de vier hoven.
vierde vraagbetreft de inhoud van de kennisgeving. Vermeldt zij alleen te zijn verzonden aan de belanghebbende, niet aan de gemachtigde? En verzoekt zij om naam en adresgegevens van een gemachtigde als de belanghebbende zich laat vertegenwoordigen in hoger beroep? Zo ja, stelt zij dan een termijn voor dit verzoek en vermeldt zij ook wat de handelwijze van de griffie zal zijn als de belanghebbende niet (tijdig) voldoet aan dat verzoek? Het antwoord is dat elk van de vier hoven gebruikmaakt van één en dezelfde (standaard)kennisgeving, die – voor zover thans van belang – luidt als volgt:
vijfde vraagis welke gedachte eraan ten grondslag ligt dat de griffie de kennisgeving alleen aan de belanghebbende verzendt. Dit dient volgens de teamvoorzitter bij het hof Den Haag twee belangen. Het ene belang is te waarborgen dat de belanghebbende een vrije vertegenwoordigingskeuze heeft, óók (of opnieuw) in hoger beroep. Het andere belang is te voorkomen dat de gemachtigde zonder diens medeweten (maar op diens kosten) voortgaat:
7.Betekening van appelexploot in dagvaardingszaken
8.Beschouwing
Algemeen
Alsart. 6:17 Awb toepassing mist, is de uitspraak daarmee wél naar behoren bekendgemaakt.
Alsart. 6:17 Awb evenwel toepassing vindt in zo’n geval, is de uitspraak daarmee níet naar behoren bekendgemaakt. Dit is de opvatting van de wetgever (zie 4.14) en ook die van de Hoge Raad (zie 5.1).
Ofart. 6:17 Awb toepassing vindt, hangt mijns inziens niet zozeer af van de uitleg daarvan: dit artikel richt zich tot de appelrechter (zie 4.2), strekt zich uit tot diens uitspraak (zie 4.7) en geldt voor de geïntimeerde (zie 4.9). Ik meen dat het veeleer afhangt van de toepassing van – wat ik noem – het duidelijkvereiste op een geval als dit.
eerstebenadering is dat de appelkennisgeving (ook) aan die gemachtigde wordt verzonden. Betoogd kan worden dat de tekst van art. 6:17 Awb (“indien iemand zich laat vertegenwoordigen”) daarvoor ruimte biedt. Gedachte daarbij is dan dat voorshands ervan wordt uitgegaan dat de belanghebbende zich ook in hoger beroep laat vertegenwoordigen door de gemachtigde. De appelrechter kan de juistheid van dat uitgangspunt verifiëren door om een schriftelijke machtiging te verzoeken dan wel (in het geval van een advocaat) om bevestiging daarvan te vragen. Deze benadering heeft als voordeel dat de procedurele belangen van de belanghebbende die zich inderdaad (ook voor een eventuele hogerberoepsprocedure) laat vertegenwoordigen door de gemachtigde, worden beschermd, en dat een mogelijke catch 22-achtige situatie wordt voorkomen. Deze benadering zou bovendien in die zin stroken met HR B. 4473 dat daarin het belang naar voren komt dat in het geval een gemachtigde zonder restrictie is ingeschakeld voor een bepaalde aangelegenheid, aan de gemachtigde de relevante stukken worden toegestuurd opdat de gemachtigde naar bevind van zaken kan handelen (vgl. 5.13-5.14).
nietde eerste benadering wordt gehanteerd voor de kennisgeving van het cassatieberoep indien dat beroep is ingesteld door het bestuursorgaan. De brief met die kennisgeving wordt immers gericht en verstuurd aan de belanghebbende zelf en bevat een passage over wat moet gebeuren als de belanghebbende zich laat vertegenwoordigen in cassatie. De gemachtigde in de vorige instantie krijgt ‘slechts’ een afschrift. Zie 6.2-6.3. Ik wijs er verder op dat een contra-indicatie niet te vinden is in hetgeen de wetgever heeft geregeld voor het appelexploot in dagvaardingszaken. Eerder integendeel, namelijk dat daarin een argument tegen de eerste benadering is te vinden. Voor het appelexploot in dagvaardingszaken – in zeker opzicht de civielrechtelijke tegenhanger van de appelkennisgeving door de bestuursrechter – heeft de wetgever niet verder willen gaan dan het bieden van een facultatief alternatief: de kantoorbetekening. Het appelexploot kan “ook” worden gedaan aan het kantoor van de advocaat bij wie degene voor wie het is bestemd, domicilie heeft gekozen in eerste aanleg (zie 7.4-7.6). In dagvaardingszaken heeft de wetgever dus niet zo ver willen gaan de kantoorbetekening te verplichten, ook al trad de advocaat in eerste aanleg voor diegene op.
tweedebenadering is dat – overeenkomstig de handelwijze bij de griffie van de Hoge Raad (zie 6.2) – een afschrift van de appelkennisgeving wordt verstuurd aan de gemachtigde in vorige instantie. Het voordeel van die benadering is dat de potentiële catch 22-situatie wordt doorbroken. Het procedurele belang van de belanghebbende dat de gemachtigde kennis krijgt van het instellen van het hoger beroep, wordt beschermd door toezending van het afschrift van de kennisneming. De charme van deze benadering is dat dit belang wordt beschermd zonder dat voorshands ervan wordt uitgegaan dat de belanghebbende zich ook in hoger beroep laat vertegenwoordigen. Dit brengt mee dat als uitgangspunt evenmin, althans minder, in het gedrang komt het belang te voorkomen dat de gemachtigde zonder medeweten van de belanghebbende proceshandelingen verricht. Immers, (i) de kennisgeving gaat naar belanghebbende en (ii) als de gemachtigde zich zelf meldt naar aanleiding van het afschrift zal deze een toereikende machtiging moeten overleggen. Een nadeel is wel dat ook bij deze benadering in zekere mate de vrije vertegenwoordigingskeuze van belanghebbende wordt aangetast. Door toezending van het afschrift aan de gemachtigde wordt die keuze immers toch in zekere mate beïnvloed. Verder kan nog steeds het (praktische) bezwaar spelen dat ten tijde van verzending van de appelkennisgeving de griffie bij de appelrechter nog niet beschikt over contactgegevens van de gemachtigde. Een oplossing zou kunnen zijn om te bellen met de griffie van de vorige instantie, zoals de griffie van de Hoge Raad doet (zie 6.4), maar ik heb er onvoldoende zicht op of dat werkbaar is in het geval van grotere zaakstromen zoals die bij de appelrechters.
derdebenadering is tot slot de benadering van de CRvB en de gerechtshoven: de kennisgeving wordt verzonden aan alleen de belanghebbende, zonder dat de gemachtigde een afschrift krijgt toegezonden. Bij deze benadering wordt het duidelijkvereiste in wezen ingevuld als een kenbaarheidsvereiste: art. 6:17 Awb vindt pas toepassing nadat door of namens de belanghebbende kenbaar is gemaakt aan de appelrechter dat de belanghebbende zich in appel laat vertegenwoordigen door een gemachtigde. De voordelen van deze benadering zijn het spiegelbeeld van nadelen van de eerste benadering. Voorkomen wordt dat een persoon over het hoger beroep wordt geïnformeerd terwijl de belanghebbende zich (nog) niet laat vertegenwoordigen in hoger beroep door die persoon. Samenhangend daarmee wordt daarmee geborgd de belangen die in de reacties van de belastingteamvoorzitters worden genoemd, te weten (i) het belang dat de belanghebbende een vrije vertegenwoordigingskeuze heeft in hoger beroep en (ii) het belang te voorkomen dat de gemachtigde zonder medeweten van de belanghebbende proceshandelingen verricht (zie 6.17).
eerstevraag is of niet het domicilie-adres had moet worden gebruikt, zoals belanghebbende betoogt (zie 3.20). De CRvB heeft dat niet gedaan, maar heeft – denkelijk afgaande op informatie van de Svb in het hogerberoepschrift [78] – het in 3.3 genoemde eerste adres gebruikt, net zoals voor andere eerdere correspondentie met belanghebbende (zie 3.5). Gelet op de in het beroepschrift voor de Rechtbank gemaakte domicilie-keuze (zie 2.7), meen ik dat de CRvB dat eerste adres niet zonder meer had mogen gebruiken, namelijk niet zonder eerst bij belanghebbende na te gaan op welk adres hij zijn post wil ontvangen. Nu uit de gedingstukken niet volgt dat de CRvB dat laatste heeft gedaan, kan niet worden vastgesteld dat de uitspraak op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Aangezien er geen aanwijzingen zijn dat belanghebbende de uitspraak vóór 8 augustus 2024 onder ogen heeft gekregen, is het beroep in cassatie tijdig ingesteld.
tweedevraag of het eerste adres waarnaar de brief van 22 juli 2024 is verstuurd, wel het juiste adres van belanghebbende is op moment van verzending van die brief (zie 3.21). Ervan uitgaande dat dit niet het geval is, gelet op de in 3.21 vermelde informatie, is vervolgens de vraag of de verzending van die brief naar het onjuiste adres niettemin kan worden beschouwd als een bekendmaking van de uitspraak op de voorgeschreven wijze. Voor het antwoord op die vraag lijkt mij dienovereenkomstig HR BNB 2012/263 bepalend of die onjuiste adressering al dan niet aan de CRvB is te wijten. [79] Hoewel op dit punt mogelijk nog partijdebat moet plaatsvinden (vgl. 2.15), veroorloof ik me reeds de volgende opmerkingen.
vervolgvraagnamelijk of die termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn op grond van art. 6:11 Awb. Daarbij is van belang dat de term “redelijkerwijs” in art. 6:11 Awb de bestuursrechter enige ruimte geeft om in gevallen waarin de verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening van het beroepschrift gering is, die termijnoverschrijding niet aan de indiener toe te rekenen. [83] Ik meen dat in dit geval sprake is van een dergelijke geringe verwijtbaarheid. Belanghebbende heeft de raadsman ingeschakeld om hem te vertegenwoordigen en bovendien domicilie gekozen ten kantore van de raadsman. Waar het voor belanghebbende ‘mis’ gaat, is het niet-reageren op de kennisgeving. Door die enkele fout treedt vervolgens een kettingreactie op in die zin dat zijn raadsman daarna ook overigens geen stukken van de CRvB ontvangt, waaronder de uitspraak niet. Bovendien valt ook de raadsman hooguit in geringe mate wat te verwijten. Naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank heeft de raadsman de Svb verzocht de proceskosten- en griffierechtvergoedingen over te maken op de derdengeldenrekening. [84] In antwoord daarop heeft de Svb zich voorbehouden te appelleren en toegezegd dat zij de raadsman in kennis zou stellen van haar beslissing, [85] maar de Svb heeft deze toezegging niet gestand gedaan, althans dat stelt middel 1 (zie 9.1) en deze feitelijke stelling is niet betwist door de Rvb-Svb.
9.Middel 1: schending van (grond)wettelijke, verdrags- of beginselwaarborgen?
Het middel
eersteonderdeel betoogt dat de Svb ten onrechte niet een kennisgeving van het hoger beroep heeft doen toekomen aan de raadsman. Ondanks een uitlating van de Svb tijdens de hogerberoepstermijn dat zij de raadsman in kennis zou stellen van haar beslissing of zij hoger beroep zou instellen tegen de uitspraak van de Rechtbank, heeft de Svb de raadsman niet eerder in kennis gesteld van het hoger beroep dan nadat de bestreden uitspraak is gedaan. [86] Evenmin heeft de Svb een afschrift van de bestreden uitspraak verzonden aan de raadsman dan wel aan belanghebbende op het adres van de raadsman. Daardoor is art. 18(1) Gw, art. 6 EVRM, art. 47 Handvest, art. 6:5 Awb, art. 6:17 Awb en/of het beginsel van een goede procesorde geschonden, aldus het onderdeel.
tweedeonderdeel betoogt dat (ook) de CRvB ten onrechte niet een kennisgeving van het hoger beroep heeft doen toekomen aan de raadsman dan wel aan belanghebbende op het adres van de raadsman. Dit is ondanks de domiciliekeuze van belanghebbende, welke keuze volgens het onderdeel niet is beperkt tot een bepaalde instantie maar zich uitstrekt tot deze zaak als geheel. Het is ook ondanks de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2014 [87] , die meebrengt dat de CRvB zo’n kennisgeving heeft moeten verzenden aan de raadsman. Dit strookt met de maatschappelijke werkelijkheid, waarin degene die zich laat vertegenwoordigen ervan uitgaat dat de rechter de gemachtigde in kennis stelt van het hoger beroep. [88] Het is daarentegen in strijd met art. 18(1) Gw, art. 6 EVRM en art. 47 Handvest wanneer de rechter de gemachtigde niet in kennis stelt daarvan, zoals hier. Hetzelfde geldt voor de bestreden uitspraak, aldus ook het onderdeel, waarvan een afschrift evenmin is verzonden aan de raadsman dan wel aan belanghebbende op diens adres.
eersteis of een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW is op te vatten als (of op een lijn is te stellen met) een rechtsmiddelverbod, i.c. een cassatieverbod. Immers, een verbod kan slechts een rechtsmiddel uitsluiten dat zonder het verbod zou hebben opengestaan in het stelsel waartoe dit verbod behoort. Als zonder een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW geen beroep in cassatie tegen CRvB-uitspraken wordt
geboden, kan het ook niet worden
verbodendoor dezelfde bepaling. En als zo’n bepaling dit rechtsmiddel al niet verbiedt, dus niet
uitsluit,kan haar doorbreking mijns inziens te minder beroep in cassatie daartegen
ontsluiten. Bepalend voor de vraag of een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW is op te vatten als een cassatieverbod, is mijns inziens of het stelsel waartoe deze cassatiebepaling behoort, in beginsel tegen CRvB-uitspraken beroep in cassatie openstelt. Zo niet, dan is geen sprake van een cassatieverbod.
tweedeprealabele vraag is of een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW vatbaar is voor doorbreking. Zelfs als zo’n bepaling is op te vatten als (of op een lijn is te stellen met) een cassatieverbod, is het verbod niet zonder meer buiten toepassing te laten met een beroep op doorbrekingsgronden. Dit kan alleen in gevallen waarin het verbod vatbaar is voor doorbreking; het is dan ‘doorbreekbaar’. In andere gevallen blijft het verbod van toepassing, ongeacht of een beroep op zulke gronden zou slagen. Ter illustratie wijs ik op
NIOC / Schreuder, waarin de Hoge Raad de opvatting verlaat dat art. 39(5) Rv, dat een rechtsmiddel uitsluit tegen de beslissing op een verzoek tot wraking, doorbreekbaar is. In plaats daarvan acht hij dit artikellid voortaan niet vatbaar voor doorbreking. Hij overweegt dat: [104]
in beginselberoep in cassatie tegen CRvB-uitspraken biedt. Ik acht niet zozeer de cassatiebepaling zelf van belang voor het antwoord daarop maar veeleer art. 78(4) Wet op de rechterlijke organisatie (RO), dat luidt als volgt (tekst sinds 1 januari 2013): [105]
alleenkennisneemt daarvan voor zover dit bij wet is bepaald, onder verwijzing naar art. 78(4) RO. Zo noem ik uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS): [109]
nietberoep in cassatie openstaat tegen CRvB-uitspraken. Maar met de blik op een geval als dit kan men betogen dat in beginsel
welberoep in cassatie openstaat daartegen want een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW stelt beroep in cassatie open voor klachten over schending of verkeerde toepassing van cassabele bepalingen, zoals middel 2 aanvoert. Daarvan uitgaande kan men betogen dat eenzelfde cassatiebepaling voor een geval als dit neerkomt op een cassatieverbod voor zover zij andere klachten uitsluit van het beroep in cassatie, zoals middel 1.
a contrario–
[...] / [...]. Aan de orde is dat [...] in een deelgeschilprocedure op de voet van art. 1019w Rv een verklaring voor recht verzoekt dat [...] aansprakelijk is voor letselschade van [...] , en dat de kantonrechter dit verzoek toewijst bij beschikking. Volgens art. 1019bb Rv staat geen voorziening open tegen de beschikking. In geschil is of dit rechtsmiddelverbod kan worden doorbroken. De Hoge Raad beslist van wel. Hij acht daartoe mede redengevend dat uit bepaalde passages uit de parlementaire geschiedenis [116] blijkt dat de wetgever aan de rechter heeft willen overlaten of dat verbod kan worden doorbroken: [117]
uitsluitendbehoort open te staan voor klachten voor zover zij gaan over schending of verkeerde toepassing van cassabele bepalingen (of daarmee gelijk te stellen bepalingen van inter- of supranationaal recht). Of negatief gezegd, zo’n cassatiebepaling heeft als strekking dat
geenberoep in cassatie behoort open te staan voor andere klachten, die dus gaan over schending of verkeerde toepassing van non-cassabele bepalingen (of zelfs verzuim van vormen). Nog anders gezegd, zoals geen hoger beroep behoort open te staan in dagvaardingszaken als een toereikend financieel belang mist, zo ook behoort geen beroep in cassatie open te staan tegen CRvB-uitspraken voor zover een rechtseenheidsbelang mist. Een doorbrekingsgrond heelt het gemis van zo’n belang niet.
10.Middel 2: verkeerde toepassing van Basis- en Toepassingsverordeningen?
Het middel
aanleidingvoor het vermoeden waarvan de Svb is uitgegaan bij de beoordeling welke wetgeving van toepassing is op belanghebbende in de betrokken periode. Deze aanleiding is geweest dat hij – kort en goed – onvoldoende gegevens heeft verstrekt om te kunnen bepalen welk gedeelte van zijn werkzaamheden is verricht in Nederland (zie 2.4). Ik lees in het middel noch in de toelichting dat het daarover klaagt.
Hakampaf dat daarmee geen rekening mag worden gehouden want dit art. 14(8) moet aldus worden uitgelegd dat (mijn cursivering): [125]
In dit verband mag geen rekening worden gehouden met andere omstandigheden of criteria. (…)”
Hakampmaar ook uit de overwegingen die het HvJ daartoe bezigt. Ik citeer (en cursiveer):
met uitsluiting van elk ander criterium.
betekent niet dat andere criteria mogen worden toegevoegd, maar dat alle werkzaamheden in loondienst van die werknemer in aanmerking moeten worden genomen.
niet kan worden gecompenseerd door rekening te houden met andere criteria, wordt ook bevestigd door de toelichtingen in de Praktische gids, een document dat naar zijn aard geen bindende rechtskracht heeft. (…).
zonder dat de inaanmerkingneming van andere criteria kan compenseren dat niet voldaan is aan de bovengenoemde criteria.
geen rekening hoeft te worden gehouden met andere criteriaom te bepalen of de betrokken werknemer een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in loondienst verricht in de lidstaat waar hij woont.”
Hakamp, meen ik dat het middel terecht betoogt dat het vermoeden van de Svb dat belanghebbende een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland heeft verricht, berust op omstandigheden waarmee geen rekening mag worden gehouden.
Hakampdat de CRvB bestendig uitging van de (onjuiste) opvatting dat met de in 10.3 vermelde omstandigheden rekening mag worden gehouden bij de toepassing van art. 13 Basisverordening en art. 14(8) Toepassingsverordening. [128]
fair trialin hoger beroep. Bij cassatie op grond van middel 2, zou behandeling van middel 1 dan ook achterwege kunnen blijven.