ECLI:NL:PHR:2026:86

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
24/03543
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de bekendmaking van uitspraken in hoger beroep door de Centrale Raad van Beroep en de gevolgen voor de tijdigheid van het beroep in cassatie

In deze zaak gaat het om de vraag of de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, nu deze alleen aan de belanghebbende is verzonden en niet aan zijn raadsman. De belanghebbende, vertegenwoordigd door een raadsman, had eerder een beroep ingesteld bij de Rechtbank, die het beroep gegrond verklaarde. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) ging in hoger beroep bij de CRvB, die de kennisgeving van het hoger beroep enkel aan de belanghebbende zelf stuurde. De belanghebbende heeft niet gereageerd op het verzoek om de naam en adresgegevens van zijn gemachtigde door te geven, waardoor de raadsman niet in de procedure betrokken was. De CRvB verklaarde het hoger beroep gegrond, maar de belanghebbende stelde dat zijn rechtsbeginselen waren geschonden doordat zijn raadsman niet op de hoogte was gesteld van het hoger beroep. De Hoge Raad moet nu beoordelen of de uitspraak van de CRvB op de juiste wijze is bekendgemaakt en of het beroep in cassatie tijdig is ingesteld. De conclusie is dat de CRvB had moeten onderzoeken of de belanghebbende zich laat vertegenwoordigen door de raadsman, en dat de uitspraak niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, waardoor het beroep in cassatie tijdig is ingesteld.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03543
Datum16 januari 2026
BelastingkamerB
Onderwerp/tijdvakAlgemene ouderdomswet (AOW)
Nr. CRvB 23/3018 AOW
Nr. Rechtbank 22/3212
CONCLUSIE
M.R.T. Pauwels
In de zaak van
[X] (belanghebbende)
tegen
de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Rvb-Svb)

1.Inleiding en overzicht

Reden voor selectie van deze zaak voor conclusie: doorbreking beperkte beoordelingsbevoegdheid van CRvB-uitspraken?

1.1
Deze zaak gaat over een besluit van de Svb waarbij voorlopig is vastgesteld dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving toepassing vindt op belanghebbende in de periode 1 oktober 2016 tot en met 31 mei 2017. Deze zaak is evenwel niet geselecteerd voor conclusie in verband met de inhoud van dat besluit. De reden voor die selectie heeft te maken met het procesverloop. Dat procesverloop is in de kern als volgt.
1.2
Belanghebbende heeft zich voor de Rechtbank laten vertegenwoordigen door een raadsman, die hem thans ook in cassatie vertegenwoordigt. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard. De Svb heeft daartegen hoger beroep ingesteld bij de CRvB. De CRvB heeft de kennisgeving van het hoger beroep alleen aan belanghebbende zelf gestuurd en daarin gemeld dat als belanghebbende zich wil laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, belanghebbende de naam en adresgegevens van de gemachtigde moet doorgeven. Belanghebbende heeft daarop niet gereageerd. Bijgevolg is de raadsman niet in de procedure betrokken. Belanghebbende heeft geen verweer gevoerd en is niet ter zitting verschenen. De CRvB heeft het hoger beroep gegrond verklaard.
1.3
Het eerste middel van belanghebbende klaagt in de kern erover dat zowel de CRvB als de Svb diverse wettelijke bepalingen, grondrechtelijke bepalingen en algemene rechtsbeginselen heeft geschonden door de raadsman niet in kennis te stellen van het hoger beroep.
1.4
De wet biedt evenwel de Hoge Raad slechts een beperkte bevoegdheid om CRvB-uitspraken te beoordelen. Het eerste middel valt niet binnen die bevoegdheid. Aangezien het eerste middel echter in wezen (mede) inhoudt dat fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden waardoor niet kan worden gesproken van een eerlijke behandeling, rijst de vraag of – naar analogie van doorbreking van rechtsmiddelverboden – onder omstandigheden de beperkte beoordelingsbevoegdheid kan worden ‘doorbroken’. Die vraag was aanleiding om de zaak te selecteren voor conclusie.
Echter meegezogen in een complicatie: tijdigheid beroep in cassatie?
1.5
Veruit de meeste aandacht in deze conclusie is echter uiteindelijk gegaan naar een complicatie, die pas duidelijker naar voren kwam toen het procesdossier (eindelijk) aangevuld was en die ambtshalve onderzocht moet worden, te weten de tijdigheid van het beroep in cassatie. Als voor de aanvang van de cassatietermijn zou moeten worden aangesloten bij de (eerste) verzending van een afschrift van de uitspraak van de CRvB aan belanghebbende, zou het beroep in cassatie namelijk niet tijdig zijn ingesteld. De vraag is echter of de uitspraak van de CRvB met die verzending aan belanghebbende wel op voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In dat kader rijst onder meer de vraag of het afschrift van de uitspraak in strijd met art. 6:17 Awb niet ook aan de raadsman is verzonden, zoals het eerste middel (onder meer) betoogt.
1.6
Het bredere belang van beantwoording van de vraag of in een geval als dit de uitspraak (ook) aan de gemachtigde had moeten worden verzonden, lijkt (zeer) beperkt omdat dit een zeldzaam geval lijkt te zijn waarin de belanghebbende geen actie onderneemt naar aanleiding van de kennisgeving aan (alleen) hem van het hoger beroep door het bestuursorgaan. Niettemin kan er een breder belang zijn, omdat het antwoord op de vraag een impact kan hebben op de handelwijze van zowel de CRvB als de gerechtshoven om de kennisgeving van het hoger beroep door het bestuursorgaan te verzenden alleen aan de belanghebbende en niet ook (een afschrift daarvan) aan de gemachtigde in vorige instantie.
Tijdigheid beroep in cassatie: had de CRvB-uitspraak naar de raadsman verzonden moeten worden op grond van art. 6:17 Awb?
1.7
In onderdeel ‎3 zet ik, mede aan de hand van aanvullend feitenonderzoek, uiteen dat op het eerste oog de cassatietermijn is overschreden, maar dat het gecompliceerder ligt, onder meer omdat de vraag rijst of een afschrift van de uitspraak had moeten worden verstrekt aan de raadsman op grond van art. 6:17 Awb.
1.8
Ter beantwoording van die vraag ga ik eerst in onderdeel ‎4 in op art. 6:17 Awb en zijn totstandkoming. In onderdeel ‎5 behandel ik rechtspraak van de Hoge Raad over het verstrekken van een afschrift van de uitspraak aan de gemachtigde. In onderdeel ‎6 geef ik mijn bevindingen weer van mijn onderzoek naar de praktijk (in belastingprocedures) van verzending van kennisgeving aan de belanghebbende in het geval het bestuursorgaan hoger beroep of beroep in cassatie instelt. In onderdeel ‎7 maak ik een korte rechtsvergelijkende uitstap naar betekening van appelexploten in dagvaardingszaken. In onderdeel ‎8 volgt de beschouwing.
1.9
Die beschouwing start ermee dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat art. 6:17 Awb pas van toepassing is indien het aan de appelrechter duidelijk moet zijn dat de belanghebbende zich laat vertegenwoordigen in appel, maar dat de wetsgeschiedenis en jurisprudentie niet leren onder welke omstandigheden aan dat duidelijkheidvereiste is voldaan in het geval niet de belanghebbende maar het bestuursorgaan hoger beroep instelt (‎8.3-‎8.6). Vervolgens zet ik uiteen dat in zo’n geval de verhouding tussen art. 6:17 Awb en de kennisgeving van het hoger beroep trekken heeft van een catch 22-situatie: voorwaarde voor de bescherming door art. 6:17 Awb van de procedurele belangen van de belanghebbende is dat aan de appelrechter duidelijk is dat de belanghebbende zich laat vertegenwoordigen, maar om aan de voorwaarde te voldoen is het nodig dat de belanghebbende reageert op een stuk dat onder de procedurele rechtsbescherming van art. 6:17 Awb zou vallen als het artikel van toepassing is (‎8.7-‎8.10). Daarna bespreek ik de voor- en nadelen van drie mogelijke werkwijzen met betrekking tot de kennisgeving in het geval de belanghebbende in vorige instantie is vertegenwoordigd door een gemachtigde: (i) toezending aan (ook) de gemachtigde, (ii) toezending van de kennisgeving aan de belanghebbende en toezending van een afschrift daarvan aan de gemachtigde (= werkwijze bij de Hoge Raad), en (iii) toezending van de kennisgeving aan (alleen) de belanghebbende (= werkwijze CRvB en gerechtshoven) (‎8.11-‎8.20). In het geval die laatste werkwijze wordt gehanteerd, bepleit ik dat indien de belanghebbende niet heeft gereageerd op de appelkennisgeving en evenmin verweer heeft gevoerd, de appelrechter moet onderzoeken of de belanghebbende zich in hoger beroep laat vertegenwoordigen door de gemachtigde in beroep (‎8.20). Aangezien de CRvB dat onderzoek in dit geval niet heeft verricht, kan niet worden vastgesteld of in overeenstemming met art. 6:17 Awb is gehandeld en dus evenmin of de CRvB de uitspraak op de voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt – dit leidt vervolgens tot de conclusie dat het beroep in cassatie tijdig is ingesteld (‎8.21-‎8.23).
1.1
Voor het geval de Hoge Raad geen grond ziet om een onderzoeksplicht te aanvaarden, meen ik dat getoetst moet worden of op enig moment gedurende de procedure aan de CRvB duidelijk moest zijn dat belanghebbende zich laat vertegenwoordigen. Gelet op diverse omstandigheden in onderlinge samenhang bezien meen ik dat dit de CRvB in elk geval duidelijk moest zijn voorafgaand aan het vaststellen van de uitspraak (‎8.24-‎8.27). Dit betekent dat de uitspraak van de CRvB niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, aangezien een afschrift daarvan niet naar de raadsman is verzonden – ook dit leidt tot de conclusie dat het beroep in cassatie tijdig is ingesteld (‎8.28).
1.11
Voor het geval de Hoge Raad van oordeel is dat in dit geval de uitspraak van de CRvB wél op de voorgeschreven wijze wordt bekendgemaakt door verzending van een afschrift ervan aan belanghebbende zelf, meen ik dat de CRvB had moeten onderzoeken welk adres van belanghebbende moest worden gebruikt, gezien belanghebbende in beroep een domicilie-adres had opgegeven (‎8.31). In het geval de Hoge Raad echter van oordeel is dat de CRvB wel het adres van belanghebbende zelf mocht gebruiken, speelt nog de extra complicatie in deze zaak dat het adres waarnaar het afschrift van de uitspraak is verzonden, in die zin onjuist is dat het adres van belanghebbende inmiddels was gewijzigd in de basisregistratie persoonsgegevens (‎8.32). Aangezien echter het gebruik van dat onjuiste adres niet is te wijten aan de CRvB, zou de uitspraak in dat geval wel op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt en zou de cassatietermijn wel zijn overschreden (‎8.33). Ik ben echter van opvatting dat die termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn, nu de verwijtbaarheid daarvan aan belanghebbende gering is gelet op de omstandigheden van dit geval (‎8.34).
Arrest-economie: een aantrekkelijke ‘way out’?
1.12
Mocht de Hoge Raad die laatste opvatting delen, dan dient zich voor de Hoge Raad een optie aan die aantrekkelijk is uit overwegingen van arrest-economie. Gegeven (i) dat een eventuele termijnoverschrijding toch verschoonbaar zou zijn, en (ii) dat de Rvb-Svb geen niet-ontvankelijkheidsverweer heeft gevoerd, zou de Hoge Raad de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie onbesproken kunnen laten in het arrest. [1] Dat zou weliswaar spijtig zijn uit oogpunt van het gedane onderzoek in deze conclusie, maar dat is op zichzelf van weinig gewicht. Bovendien lijkt – als gezegd (‎1.6) – het bredere belang beperkt bij beantwoording van de vraag of in een (zeldzaam) geval als dit de uitspraak (ook) aan de gemachtigde had moeten worden verzonden.
Middel 1
1.13
In onderdeel ‎9 komt vervolgens (pas) middel 1 aan bod. Ik zet eerst uiteen dat het middel, dat in de kern erover klaagt dat diverse wettelijke bepalingen, grondrechtelijke bepalingen en algemene rechtsbeginselen zijn geschonden doordat de raadsman niet in kennis is gesteld van het hoger beroep (en evenmin van de uitspraak), buiten de beperkte bevoegdheid van de Hoge Raad valt om uitspraken van de CRvB te beoordelen, gelet op de relevante cassatiebepaling zoals die in art. 53(1) AOW (‎9.3-‎9.12).
1.14
Vervolgens ga ik, mede gelet op de strekking van middel 1, in op de vraag of onder (bijzondere) omstandigheden die beperkte bevoegdheid kan worden ‘doorbroken’. Dat hangt er mijns inziens van af (i) of een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW is op te vatten als een cassatieverbod, en zo ja (ii) of het cassatieverbod vatbaar is voor doorbreking (‎9.13-‎9.18).
1.15
De eerste vraag beantwoord ik ontkennend. Aangezien het stelsel waartoe een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW behoort, in beginsel geen beroep in cassatie biedt tegen CRvB-uitspraken, is zo’n bepaling niet op te vatten als een cassatieverbod (‎9.19-‎9.28).
1.16
Ook de tweede vraag beantwoord ik ontkennend. Ook als een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW wel neerkomt op een cassatieverbod, is dat verbod niet vatbaar voor doorbreking om twee zelfstandige redenen (‎9.29-‎9.38). De eerste is dat, naar ik meen, uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 78(4) RO indirect kan worden afgeleid dat de wetgever heeft voorgestaan dat doorbreking niet mogelijk is. De tweede reden is dat doorbreking niet spoort met de strekking van een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW, nu die strekking uitsluitend is om de rechtseenheid bij de uitleg van bepaalde begrippen te waarborgen.
1.17
Aangezien de beperkte beoordelingsbevoegdheid niet kan worden doorbroken, wordt niet eraan toegekomen óf zich een doorbrekingsgrond voordoet en kan middel 1 (ook overigens) niet inhoudelijk worden beoordeeld in cassatie. Dit betekent niet dat het beroep in cassatie in zoverre niet-ontvankelijk is, maar dat het middel niet tot cassatie kan leiden (‎9.39-‎9.41).
Middel 2
1.18
De CRvB heeft geoordeeld dat de Svb, bij gebrek aan objectief verifieerbare individuele informatie, terecht op grond van een beredeneerd vermoeden de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing heeft verklaard op belanghebbende. Dat vermoeden van de Svb is dat belanghebbende een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland heeft verricht. De omstandigheden waarop de Svb dat vermoeden baseert zijn dat: (a) belanghebbende woont in Nederland, en (b) hij werkt op een schip van een in Nederland gevestigde eigenaar en exploitant.
1.19
Ik meen dat, gelet op het HvJ-arrest
Hakamp, middel 2 terecht betoogt dat met deze omstandigheden geen rekening mag worden gehouden bij de toepassing van art. 14(8) Toepassingsverordening (‎10.3-‎10.6).
1.2
Lastiger vind ik of het middel 2 ook tot cassatie kan leiden. Bij een enge lezing van de uitspraak van de CRvB is dat niet vanzelfsprekend (‎10.7-‎10.8). Ik meen echter dat een dergelijke enge lezing geen recht doet aan de zaak, mede omdat de uitspraak zo kan worden begrepen dat de CRvB ook het beredeneerde vermoeden als zodanig onderschrijft (‎10.9-‎10.10). Daarvan uitgaande leidt middel 2 tot cassatie en dient terugwijzing te volgen (‎10.11), waarbij overwogen kan worden om de CRvB te instrueren om de raadsman in de procedure te betrekken (‎10.12).
Conclusie
1.21
Het beroep in cassatie is mijns inziens gegrond.
Tot slot
1.22
Ik wijs erop dat het door de CRvB aangeleverde procesdossier mogelijk niet compleet is (zie ‎2.14), dat mogelijk nog stukken aan de raadsman ter beschikking moeten worden gesteld (zie ‎2.15) en dat belanghebbende nog niet in de gelegenheid is gesteld om zich uit te laten over de mogelijke overschrijding van de cassatietermijn (zie ‎3.16 en ‎2.15).
De feiten, het geding in feitelijke aanleg, het geding in cassatie en de in cassatie beschikbare gedingstukken
Feiten [2]
2.1
Belanghebbende woont in Nederland. Vanaf 1 oktober 2016 tot en met 31 mei 2017 (de betrokken periode) stond hij op de loonlijst van een in Liechtenstein gevestigde werkgever (de werkgever) en werkte hij op een binnenvaartschip (het schip) in Frankrijk, Duitsland, België en Nederland. Het schip is van een in Nederland gevestigde eigenaar en exploitant.
2.2
Bij brief van 10 oktober 2016 heeft de werkgever de Svb verzocht vast te stellen dat de Liechtensteinse socialezekerheidswetgeving van toepassing is op belanghebbende. De Svb heeft om haar onbekende redenen geen gevolg gegeven aan dit verzoek. [3] Bijna vijf jaar later, op 21 september 2021, heeft de Belastingdienst de Svb verzocht vast te stellen welke wetgeving toepasselijk is. Dit is gedaan naar aanleiding van de aangifte inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen voor 2017, waarin is vermeld dat belanghebbende niet het gehele jaar verzekerd is voor de Nederlandse wetgeving. Dat verzoek heeft geleid tot een onderzoek van de Svb.
2.3
De Svb heeft belanghebbende verzocht een aantal vragen te beantwoorden en stukken te overleggen, waaronder een vaartijdenboek en dienstboekjes. Dit is gebeurd eerst bij brief van 24 september 2021 en vervolgens bij rappel van 19 november 2021. Belanghebbende heeft niet gereageerd. Daarna, bij brief van 14 december 2021, heeft de Svb de werkgever verzocht dezelfde vragen te beantwoorden en stukken te overleggen. Bij brief van 13 januari 2022 heeft mr. M.J. van Dam, advocaat in Rotterdam (de raadsman), gereageerd namens de werkgever door het overleggen van een arbeidsovereenkomst met belanghebbende, jaaropgaven van belanghebbende voor 2016 en 2017, een verklaring van belanghebbende, drie getuigenverklaringen, een uitdraai van een logboek (
Bordbuch) en een verklaring van een bestuursorgaan in Liechtenstein over uitkering van kinderbijslag. [4]
2.4
Vervolgens heeft de Svb bij besluit van 10 maart 2022 (het primaire besluit) voorlopig vastgesteld dat de Nederlandse wetgeving toepassing vindt op belanghebbende in de betrokken periode. Daarbij is de Svb ervan uitgegaan dat belanghebbende ondanks een verzoek daartoe onvoldoende informatie heeft verstrekt om te kunnen bepalen welk gedeelte van zijn werkzaamheden is verricht in Nederland. Dit heeft de Svb gebracht tot het beredeneerde vermoeden dat een substantieel gedeelte daarvan is verricht in Nederland, omdat belanghebbende woont in Nederland en in die periode werkt op een schip van een in Nederland gevestigde eigenaar en exploitant. [5] Bij het primaire besluit heeft de Svb een A1-verklaring verstrekt, die vermeldt dat belanghebbende pleegt te werken in verschillende Rijnoeverstaten en dat in diezelfde periode de Nederlandse wetgeving van toepassing is op hem. De Svb heeft de bevoegde autoriteiten van Frankrijk, Duitsland, België en Liechtenstein in kennis gesteld van dit besluit en deze A1-verklaring.
2.5
Ook voor de voorafgaande periode vanaf 12 augustus 2015 tot en met 30 juni 2016 heeft de Svb vastgesteld dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is op belanghebbende. Dat is reeds geschied bij besluit van 6 juni 2016 (het besluit van 6 juni 2016), dat onherroepelijk is komen vast te staan. [6]
2.6
Namens belanghebbende heeft de raadsman bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij uitspraak van 15 juli 2022 heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard.
Rechtbank Noord-Nederland
2.7
De raadsman heeft namens belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. In het beroepschrift is vermeld dat belanghebbende “te dezer zake mede woonplaats” kiest ten kantore van de raadsman. [7]
2.8
De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de Svb gelast opnieuw te beslissen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak van de Rechtbank. [8]
2.9
Voor de Rechtbank is in geschil of de Nederlandse socialezekerheidswetgeving terecht van toepassing is geacht op belanghebbende in de betrokken periode. Dit geschilpunt spitst zich erop toe of de Svb heeft mogen uitgaan van het vermoeden dat hij een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden heeft verricht in Nederland. De Rechtbank is van oordeel dat de Svb niet zonder nadere motivering heeft mogen uitgaan daarvan. Daartoe wijst zij erop dat de Svb aanvankelijk belanghebbende heeft verzocht en gerappelleerd om informatie en, na het uitblijven van zijn reactie, vervolgens de werkgever wel heeft verzocht maar niet heeft gerappelleerd om de ontbrekende informatie. Ook heeft de Svb de exploitant van het schip geheel niet verzocht om informatie. Daarnaast wijst de Rechtbank op het tijdsverloop tussen het verzoek van de werkgever op 10 oktober 2016 en het verzoek van de Belastingdienst op 21 september 2021. Dit tijdsverloop betekent dat de Svb indringender heeft moeten toetsen of zij gegevens als een vaartijdenboek en dienstboekjes nog met succes zou hebben kunnen vragen bij belanghebbende als werknemer. Het betekent ook dat ter bepaling van de toepasselijke wetgeving een lichtere bewijslast rust op hem dan die welke in het algemeen wordt aangenomen. Daarom heeft de Svb niet zonder nadere motivering mogen uitgaan van dat vermoeden, aldus de Rechtbank.
Centrale Raad van Beroep
2.1
De Svb heeft hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Vervolgens heeft noch belanghebbende noch de raadsman namens hem een verweerschrift ingediend. Geen van beiden is verschenen voor het onderzoek ter zitting van de CRvB. De CRvB heeft het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en alsnog het beroep ongegrond verklaard. [9]
2.11
De CRvB is van oordeel dat de Svb terecht op grond van een beredeneerd vermoeden de Nederlandse wetgeving van toepassing heeft geacht op belanghebbende in de betrokken periode. De CRvB overweegt daartoe in de kern dat, gelet op de omstandigheden, de Svb toereikend onderzoek heeft verricht naar de relevante feiten vóór het nemen van het primaire besluit, en dat er geen aanleiding voor een andere verdeling van de bewijslast is dan in zijn uitspraak van 22 oktober 2020. [10] Ik citeer (met weglating van voetnoten):
“4.3. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de Svb voorafgaand aan het bestreden besluit toereikend onderzoek heeft gedaan naar de relevante feiten, terwijl betrokkene en [bedrijf] niet met vaartijdenboeken of anderszins genoegzaam aannemelijk hebben gemaakt in welke verhouding de werkzaamheden van betrokkene in de periode in geding waren verdeeld tussen zijn woonland Nederland en de andere lidstaten. De Svb heeft aan zijn onderzoeksplicht voldaan door bij betrokkenen en [bedrijf] de benodigde documentatie op te vragen. De Svb heeft daarom, bij gebrek aan objectief verifieerbare individuele informatie, terecht op grond van een beredeneerd vermoeden vastgesteld dat over de periode in geding niet de wetgeving van Liechtenstein maar die van Nederland op betrokkene van toepassing is. De Raad acht daarbij van belang dat de situatie van betrokkene dezelfde was als die waarop het (…) besluit van 6 juni 2016 zag. In dat besluit heeft de Svb vastgesteld dat op betrokkene vanaf 12 augustus 2015 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing was. Alleen door een korte onderbreking in het dienstverband tussen betrokkene en [bedrijf], zijn er aparte procedures ontstaan. Hoewel de Svb pas in september 2021 aan betrokkene en [bedrijf] heeft gevraagd om informatie over de verdeling van de werkzaamheden in deze procedure in te brengen, was aan betrokkene en [bedrijf] al op 16 september 2016 in de procedure tegen het besluit van 6 juni 2016 gevraagd om deze informatie, waaronder (kopieën van) vaartijdenboek te overleggen. In die procedure is op 15 november 2017 opnieuw door de Svb aan betrokkene en aan [bedrijf] gevraagd om informatie en bewijsstukken van de stelling dat niet substantieel in Nederland wordt gewerkt. Desondanks zijn geen objectief verifieerbare gegevens zoals een vaartijdenboek ingebracht, ook niet in het verdere verloop van die procedure, waardoor in die procedure de beslissing op grond van het beredeneerde vermoeden in stand is gebleven. Onder die omstandigheden, waarbij wordt opgemerkt dat betrokkene tot aan dit hoger beroep is bijgestaan door dezelfde professionele gemachtigde als in de andere procedure, ziet de Raad geen aanleiding om in dit geding uit te gaan van een andere bewijslast- en risicoverdeling dan in zijn uitspraak van 22 oktober 2020.”
Het geding in cassatie
2.12
De raadsman heeft namens belanghebbende beroep in cassatie ingesteld. Dat is mogelijk niet tijdig gebeurd (zie onderdeel ‎3 van deze conclusie). De Rvb-Svb heeft geen verweerschrift ingediend, hoewel hij daartoe op regelmatige wijze in de gelegenheid is gesteld.
2.13
Belanghebbende stelt twee middelen voor. Middel 1 richt zich in de kern tegen het procesverloop bij de CRvB, met onder meer het betoog dat zowel de Svb als de CRvB een kennisgeving van het hoger beroep ten onrechte niet heeft doen toekomen aan de raadsman of belanghebbende op het adres van de raadsman. Middel 2 keert zich tegen het oordeel van de CRvB dat de SvB terecht de Nederlandse wetgeving van toepassing heeft geacht op belanghebbende in de betrokken periode.
De in cassatie beschikbare gedingstukken (I)
2.14
Na ommekomst van de termijn om een verweerschrift in te dienen, is mij de gelegenheid geboden om al dan niet te concluderen in deze zaak. Op dat moment waren de stukken van het geding in feitelijke instanties nog niet ontvangen van de CRvB. Na interventie van de waarnemend griffier van de Hoge Raad zijn uiteindelijk pas bij brief van 15 mei 2025 van de griffier van de CRvB stukken (op papier) ontvangen. Deze stukken betreffen echter alleen stukken van het geding bij de Rechtbank en het proces-verbaal van de zitting bij de CRvB. Nadat de waarnemend griffier van de Hoge Raad heeft geattendeerd op de incompleetheid van het dossier is langs digitale weg op 27 mei 2025 een bestand met zogenoemde i-stukken ontvangen. Ook daarmee bleek het dossier niet compleet te zijn, omdat kenbaar was dat bepaalde stukken in elk geval ontbraken, zoals de uitspraak van de CRvB en de brieven waarbij een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen. Nadat daarop is geattendeerd, is langs digitale weg op 13 juni 2025 een nieuw bestand met zogenoemde i-stukken ontvangen. Ik heb dat bestand in combinatie met de eerder op papier toegestuurde stukken tot uitgangspunt genomen voor mijn conclusie. Ik merk hier echter wel reeds op dat ik niet zeker weet of het dossier compleet is. Zo is mij op basis van het dossier niet duidelijk waarom de uitspraak van de CRvB tweemaal bij brief (eerst aangetekend en vervolgens bij gewone post naar een ander adres) naar belanghebbende is gezonden (zie ‎3.3 hierna). Mocht de aanleiding daarvoor zijn dat de eerste brief retour is gekomen, dan ontbreekt dat stuk in het dossier.
De in cassatie beschikbare gedingstukken (II): stukken van de procedure bij de CRvB ter beschikking stellen aan de raadsman?
2.15
Zoals uit de aanvullende feitenvaststelling hierna (‎3.4-‎3.5) volgt, blijkt uit de stukken van het geding niet dat de raadsman op enig moment in de procedure van de CRvB is betrokken. Dat vindt ook steun zowel in de feitelijke grondslag waarop middel 1 berust als in het proces-verbaal van de zitting van de CRvB waaruit ik afleid dat de CRvB de raadsman niet heeft “benaderd” (zie ‎3.7). De raadsman zal denkelijk dan ook niet beschikken over alle stukken van de procedure bij de CRvB. Ik geef de Hoge Raad in overweging om die stukken aan de raadsman ter beschikking te stellen (art. 6:17 Awb). Weliswaar heeft de raadsman zelf niet verzocht om die stukken, maar terbeschikkingstelling van die stukken lijkt me wel aangewezen, in het bijzonder in verband met de hierna (‎3.12 e.v.) aan de orde komende ambtshalve constatering dat de cassatietermijn mogelijk is overschreden. [11] Ervan uitgaande dat de raadsman niet beschikt over de stukken van de procedure bij de CRvB, heeft de raadsman bijvoorbeeld geen kennis van het adres waarnaar de uitspraak van de CRvB bij de eerste brief is verzonden, en heeft hij zich dus daarover nog niet kunnen uitlaten.

3.Ambtshalve onderzoek naar ontvankelijkheid beroep in cassatie

3.1
Voordat ik toekom aan een onderzoek naar de middelen, werp ik – ambtshalve [12] – de vraag op of belanghebbende tijdig beroep in cassatie heeft ingesteld. Dit is om twee redenen. Ten eerste, blijkens de stukken van het geding is een afschrift van de bestreden uitspraak tweemaal verzonden aan belanghebbende. Daarmee is niet zonder meer helder
wanneerde termijn voor het instellen van beroep in cassatie is aangevangen: vanaf de eerste verzending of de tweede? Ten tweede, het beroepschrift in cassatie is ingekomen op 19 september 2024. Dit is zes weken na de tweede verzending op 8 augustus 2024. Maar het is acht weken na de eerste op 22 juli 2024. Het doet dus ertoe wanneer die termijn is aangevangen.
3.2
De beoordeling of tijdig beroep in cassatie is ingesteld, is in dit geval (veel) meer omvattend gebleken dan doorgaans het geval is. Hierna doe ik eerst verslag van mijn aanvullend feitenonderzoek (‎3.3-‎3.11). Dat onderzoek lijkt op het eerste oog mee te brengen dat de cassatietermijn is overschreden (‎3.12-‎3.15). Het ligt echter gecompliceerder (‎3.16-‎3.21). Eerste vraag is in dit verband een juridische vraag, namelijk of in dit geval een afschrift van de uitspraak had moeten worden verstrekt aan de raadsman op grond van art. 6:17 Awb. Het plan van aanpak ter beantwoording van die vraag is vermeld in ‎3.22. Daaruit volgt dat mijn onderzoek naar de ontvankelijkheid de onderdelen ‎4 tot en met ‎8 in beslag neemt.
Aanvullende feiten
3.3
Een afschrift van de bestreden uitspraak is tweemaal verzonden. Eerst is bij aangetekend verzonden brief van 22 juli 2024 een afschrift verzonden aan elk van beide partijen. De brief voor belanghebbende richt zich tot hem en is geadresseerd aan [a-straat 1] in [Q] (eerste adres). [13] Vervolgens is bij brief van 8 augustus 2024 nogmaals een afschrift verzonden, ditmaal alleen aan belanghebbende. Ook deze brief richt zich tot hem, maar is geadresseerd aan [b-straat 1] in [Q] (tweede adres). Die brief is (kennelijk) verzonden per gewone post. [14] De brief vermeldt:
“Hierbij zend ik u opnieuw een brief die al eerder aan u is toegezonden. In die brief is u een termijn gesteld. Er gaat met deze nieuwe toezending niet opnieuw een termijn lopen.”
3.4
Geen van beide afschriften is verzonden aan de raadsman. Ik heb tussen de gedingstukken ook niet enig andere brief kunnen vinden die afkomstig is van de griffier van de CRvB, zich richt tot de raadsman of is geadresseerd aan zijn kantoor(adres) en waarbij een afschrift van de bestreden uitspraak is verzonden.
3.5
Los van verzending van een afschrift daarvan heb ik tussen de gedingstukken evenmin een brief kunnen vinden die afkomstig is van de griffier van de CRvB en zich richt tot de raadsman of is geadresseerd aan zijn kantoor(adres). De kennisgeving van het hoger beroep richt zich tot belanghebbende en is geadresseerd aan zijn eerste adres. [15] Hetzelfde geldt voor de brief waarbij de griffier van de CRvB gelegenheid biedt voor het voeren van verweer. [16] Dit geldt ook voor de uitnodiging voor het onderzoek ter zitting van de CRvB. [17] Het geldt ook voor andere stukken. [18]
3.6
Uit de gedingstukken volgt dat de CRvB reeds direct bij het instellen van het hoger beroep door de Svb op de hoogte ervan is gebracht dat belanghebbende in de procedure voor de Rechtbank is vertegenwoordigd door de raadsman. [19]
3.7
Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting van de CRvB volgt waarom de kennisgeving van het hoger beroep zich richt tot belanghebbende en is verzonden aan zijn adres, en zich niet richt tot de raadsman en niet is verzonden aan diens adres. Dit is omdat de CRvB “niet automatisch” de gemachtigde van de belanghebbende benadert in gevallen waarin de Svb hoger beroep instelt. In het proces-verbaal staat: [20]

Voorzitter
(…) Ik constateer dat in deze zaak voor de Svb [A] is verschenen. Betrokkene is er niet, ook niet bij gemachtigde. Wij hebben het nog even gecheckt, maar wij hebben betrokkene op tijd op de hoogte gesteld van de zitting, dus dat zou moeten kloppen.
Gemachtigde van de Svb
Het verbaast mij. Ik heb nog nooit gehad dat meneer Van Dam [de raadsman; MP] er niet was.
Voorzitter
Ik begrijp dat het zo is dat als de Svb als bestuursorgaan hoger beroep instelt, dat wij dan niet automatisch de gemachtigde van de burger benaderen. Wij hebben betrokkene een brief gestuurd dat wij dat niet doen en dat hij dat dus zelf moet doen. Dat hebben wij zonet even gecheckt. Dat is dus waarom meneer Van Dam [de raadsman; MP] er niet is.”
3.8
Voor het geval dat een gemachtigde is opgetreden bij de rechtbank, bevat de kennisgeving van het hoger beroep voor belanghebbende inderdaad een algemene opmerking dat de CRvB deze gemachtigde niet in kennis stelt van het hoger beroep. En voor het geval dat een gemachtigde zal optreden bij de CRvB, bevat deze kennisgeving ook het verzoek naam en adresgegevens van die gemachtigde zo spoedig mogelijk te verstrekken: [21]
“Indien er bij de rechtbank een gemachtigde voor u heeft opgetreden deel ik u mede dat deze niet door ons van het ingestelde hoger beroep in kennis wordt gesteld. Wilt u zich in hoger beroep laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, dan ontvang ik zo spoedig mogelijk de naam en adresgegevens.”
3.9
Tussen de gedingstukken heb ik vergeefs gezocht naar een reactie van belanghebbende op het verzoek om naam en adresgegevens van een gemachtigde te verstrekken.
3.1
Bij het beroepschrift in cassatie is e-mailcorrespondentie tussen de raadsman en de Svb overgelegd. Uit die e-mailcorrespondentie volgt (i) dat de Svb bij e-mail van 5 oktober 2023 aan de raadsman heeft laten weten dat de Svb zich beraadt of hoger beroep wordt ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank en dat de Svb de raadsman op de hoogte houdt van de beslissing van de Svb, (ii) dat de raadsman bij e-mail van 19 september 2024 heeft verzocht te laten weten welk vervolg is gegeven aan de uitspraak van de Rechtbank, en (iii) dat de Svb bij e-mail op diezelfde dag – om 14:51 uur – heeft laten weten dat de Svb hoger beroep heeft ingesteld en dat de CRvB inmiddels uitspraak heeft gedaan.
3.11
Het beroepschrift in cassatie is door de raadsman – namens belanghebbende – ingediend via het digitale portaal van de Hoge Raad. Het is ingekomen bij portaalbericht van 19 september 2024 om 16:47 uur. Daarbij is een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd, evenals de brief van 8 augustus 2024 van de griffier van de CRvB maar niet diens eerdere brief van 22 juli 2024 (zie ‎3.3). Naast een verzoek om het beroep in cassatie nader te mogen motiveren, vermeldt het (pro forma)beroepschrift in cassatie het volgende naar aanleiding van de in ‎3.3 geciteerde passage in de brief van 8 augustus 2024:
“In de brief van 8 augustus 2024 waarmee de uitspraak is toegezonden wordt door de Centrale Raad van Beroep ten onrechte kennelijk gesteld dat met de brief van 8 augustus 2024 de termijn voor cassatie niet is aangevangen.”
Op het eerste oog: overschrijding van de termijn voor het rechtsmiddel van cassatie
3.12
De termijn voor het indienen van een beroepschrift in cassatie is zes weken. Dit staat in art. 6:7 Awb, dat volgens art. 6:24 Awb van overeenkomstige toepassing is op het beroep in cassatie. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat staat in art. 6:8(1) Awb, dat eveneens van overeenkomstige toepassing is op het beroep in cassatie.
3.13
Een beroepschrift in cassatie richt zich niet tegen een besluit van een bestuursorgaan. Het richt zich tegen een uitspraak van een onafhankelijk, bij de wet ingesteld orgaan dat is belast met rechtspraak en een uitspraak van zo’n orgaan is geen besluit volgens art. 1:3(1) Awb want het is geen bestuursorgaan volgens art. 1:1(2)(c) Awb. De overeenkomstige toepassing van art. 6:8(1) Awb houdt dan ook in dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift in cassatie aanvangt met ingang van de dag na die waarop de bestreden uitspraak op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [22]
3.14
Volgens art. 8:79(1) Awb stelt de griffier een afschrift van de uitspraak binnen twee weken na de dagtekening daarvan kosteloos ter beschikking van partijen. In overeenstemming met de hoofdregel van art. 3:41(1) Awb, houdt art. 8:37(1) Awb in dat de terbeschikkingstelling van het afschrift – en daarmee de bekendmaking van de uitspraak – plaatsvindt doordat de griffier het afschrift verzendt bij aangetekende brief. [23]
3.15
Als ervan wordt uitgegaan dat met de verzending van een afschrift van de bestreden uitspraak bij aangetekende brief van 22 juli 2024 (zie ‎3.3), de uitspraak op de voorgeschreven wijze aan belanghebbende is bekendgemaakt, zou de termijn voor het indienen van het beroepschrift in cassatie in deze zaak zijn aangevangen op 23 juli 2024 en eindigen op 2 september 2024. Het op 19 september 2024 ingekomen beroepschrift in cassatie zou dan dus buiten de termijn zijn ingediend.
Maar: bekendmaking op de voorgeschreven wijze bij de brief van 22 juli 2024?
3.16
Over de vraag of het beroepschrift in cassatie tijdig is ingediend, heeft belanghebbende zich kort uitgelaten in de in ‎3.11 geciteerde passage in het pro-formaberoepschrift in cassatie. In de motivering van het beroep in cassatie komt de kwestie slechts zijdelings aan de orde. Die motivering snijdt haar indirect aan in punt 4, waarin wordt uiteengezet dat de raadsman beroep in cassatie heeft ingesteld nog op dezelfde dag als waarop de Svb hem informeerde dat de CRvB uitspraak heeft gedaan. Verder wordt in punt 16 betoogd dat het beroep in cassatie ontvankelijk is omdat, kort gezegd, de uitspraak ten onrechte niet aan de raadsman is verzonden. Dat belanghebbende zich (nog) maar beperkt heeft uitgelaten over de tijdigheidskwestie, is overigens in die zin niet vreemd dat belanghebbende nog niet in de gelegenheid is gesteld om zich uit te laten over de mogelijke overschrijding van de termijn.
3.17
De in ‎3.15 gedane constatering over de mogelijke termijnoverschrijding gaat ervan uit dat de uitspraak op de voorgeschreven wijze aan belanghebbende is bekendgemaakt met de brief van 22 juli 2024. De vraag is of dit uitgangspunt juist is.
3.18
Daarbij speelt
ten eersteeen juridische vraag. Die vraag is
aan wiede uitspraak verzonden had moet worden, wil sprake zijn van een bekendmaking op de voorgeschreven wijze: aan belanghebbende zelf of (ook) aan de raadsman. In de motivering van het beroep in cassatie ligt besloten (zie vooral punt 16) dat belanghebbende betoogt daarin dat in strijd met (onder meer) art. 6:17 Awb de uitspraak van de CRvB niet aan de raadsman is verzonden.
3.19
Als het antwoord op de eerste vraag inhoudt dat bekendmaking op de voorgeschreven wijze kon geschieden door verzending aan (alleen) belanghebbende, rijst
ten tweedede vraag of de brief
aan het juiste adresis gezonden. In dat kader rijzen twee deelvragen.
3.2
De
eerste deelvraagkomt op mede naar aanleiding van de motivering van het beroep in cassatie. Belanghebbende betoogt daarin namelijk ook dat de kennisgeving van het hoger beroep ten onrechte niet is gezonden naar het in het beroepschrift voor de Rechtbank vermelde (zie ‎2.7) domicilieadres. Dit impliceert naar mijn mening dat belanghebbende ook van opvatting is dat de uitspraak van de CRvB naar dat domicilieadres had moet worden verzonden.
3.21
Indien die opvatting onjuist is en de CRvB dus de uitspraak naar het adres van belanghebbende zelf mocht verzenden, is bij mij een vervolgvraag gerezen. Deze
tweede deelvraagis of het eerste adres waarnaar de brief van 22 juli 2024 is verstuurd, wel het juiste adres van belanghebbende is. Die vraag is bij mij gerezen omdat de tweede brief (van 8 augustus 2024) naar een ander adres is verzonden, te weten het tweede adres (zie ‎3.3). Uit ingewonnen inlichtingen bij en via de griffie van de Hoge Raad begrijp ik dat dit tweede adres als adres van belanghebbende in de basisregistratie persoonsgegevens is geregistreerd vanaf 19 maart 2024, met de aantekening dat dit adres een briefadres en geen woonadres is. Aangezien de adreswijziging heeft plaatsgevonden vóór 22 juli 2024, zou een verklaring voor verzending van de tweede brief kunnen zijn dat de griffier de eerste brief heeft terug ontvangen. Maar dat is gissen: het dossier dat mij ter beschikking staat, bevat geen stuk van terugontvangst. Zou de brief van 22 juli 2024 wel zijn terugontvangen, dan zou de griffier van de CRvB overigens in strijd met art. 8:38(2) Awb de brief niet opnieuw aangetekend hebben verzonden. Terzijde: het moment van adreswijziging is ook gelegen vóór de datum waarop de aangetekende brief met de uitnodiging voor de zitting is verstuurd; [24] dit doet de vraag rijzen welk onderzoek, waarvan het proces-verbaal gewag maakt (zie ‎3.7), heeft plaatsgevonden naar de uitnodiging van de zitting toen belanghebbende niet ter zitting verscheen – de uitspraak van de CRvB bevat bovendien ten onrechte geen vaststelling van feiten waaruit blijkt dat de uitnodiging op regelmatige wijze is aangeboden aan belanghebbende. [25]
Vervolg en plan van aanpak
3.22
Omdat de in ‎3.18 vermelde juridische vraag voorafgaat aan de vraag of de uitspraak naar het juiste adres van belanghebbende is gestuurd, ga ik op die juridische vraag als eerste in. Ter beantwoording van die vraag ga ik eerst in onderdeel ‎4 in op art. 6:17 Awb en zijn totstandkoming. In onderdeel ‎5 behandel ik de rechtspraak van de Hoge Raad over het verstrekken van een afschrift van de uitspraak aan de gemachtigde. In onderdeel ‎6 geef ik mijn bevindingen weer van mijn onderzoek naar de praktijk (in belastingprocedures) van verzending van kennisgeving aan de belanghebbende indien het bestuursorgaan hoger beroep of beroep in cassatie instelt. In onderdeel ‎7 waag ik een korte rechtsvergelijkende uitstap naar betekening van appelexploten in dagvaardingszaken. In onderdeel ‎8 volgt de beschouwing.

4.De regeling van art. 6:17 Awb en haar totstandkoming

Tekst en reikwijdte

4.1
Art. 6:17 Awb luidt sinds 12 juni 2017 (zie ‎4.4 hierna) als volgt:
“Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, stelt het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval ter beschikking aan de gemachtigde.”
4.2
Het artikel richt zich tot het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op het bezwaar en tot de bestuursrechter die bevoegd is te beslissen op het beroep. Aangezien art. 6:24 Awb het artikel van overeenkomstige toepassing verklaart op het (incidenteel) hoger beroep, richt het zich eveneens tot de appelrechter.
Wetshistorie
4.3
Evenals de Awb zelf, [26] is art. 6:17 van deze wet in werking getreden op 1 januari 1994. Toen luidde dit artikel als volgt: [27]
“Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde.”
4.4
Na zijn inwerkingtreding is art. 6:17 Awb eenmaal gewijzigd, namelijk per 12 juni 2017 bij de vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht. [28] Daarbij is de term ‘zendt’ gewijzigd in de term ‘stelt (…) ter beschikking’. Deze wijziging verduidelijkt dat de op de zaak betrekking hebbende stukken evengoed mogen worden verstrekt op digitale wijze als zij mogen worden verstrekt op papier. [29] Ik laat deze wijziging en haar totstandkomingsgeschiedenis verder onbesproken, mede omdat ik in de parlementaire stukken geen passages heb gevonden die relevant zijn voor de onderhavige zaak.
4.5
Hierna behandel ik parlementaire geschiedenis van art. 6:17 Awb toegespitst op onderwerpen die relevant zijn voor de onderhavige zaak. Dat doe ik vooral aan de hand van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Awb. Voor zover ik overzie, is tijdens de behandeling van dat wetsvoorstel in de Tweede Kamer en de Eerste Kamer niet nader ingegaan op de bepaling.
Welke stukken: ook de uitspraak van de (appel)rechter?
4.6
Voor de onderhavige zaak is ten eerste relevant of art. 6:17 Awb zich ook uitstrekt tot de uitspraak van de (appel)rechter. In haar advies over het oorspronkelijke wetsvoorstel voor de Awb heeft (thans) de Afdeling advisering van de Raad van State de regering gevraagd of het voorgestelde art. 6.3.17(2) – het latere art. 7:12(2) Awb [30] – moet regelen dat de gemachtigde de uitspraak op bezwaar ontvangt. De regering antwoordt van niet; het voorgestelde art. 6.2.8b – het latere art. 6:17 Awb [31] – regelt dit al: [32]
“Indien de indiener van het bezwaarschrift zich laat vertegenwoordigen, moet het bestuursorgaan krachtens artikel 6.2.8b de stukken tijdens de bezwaarschriftprocedure in ieder geval aan de gemachtigde zenden. Dit geldt niet alleen voor de uitspraak, maar ook voor de andere stukken zoals de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift of de oproeping van het horen. (…)”
4.7
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Awb expliciteert de regering dat art. 6:17 Awb zich uitstrekt tot de uitspraak van de bestuursrechter. Dit artikel vindt volgens haar steun in destijds bestaande rechtspraak van hoogste bestuursrechters. Daartoe wijst de regering onder meer op de beslissing van één van hen dat het behoort tot het wezen van een goede procesorde om de uitspraak van een raad van beroep aan de gemachtigde te verzenden: [33]
“(…) Artikel 6.2.8b stelt buiten twijfel dat in ieder geval de gemachtigde de stukken krijgt toegezonden. Het artikel legt daarmee slechts vast, hetgeen nu reeds vaste praktijk is. De regel vindt steun in de jurisprudentie waarin herhaaldelijk werd benadrukt, dat zij geldt, ook wanneer geen uitdrukkelijke bepaling (…) voorhanden is (CRvB 23 april 1965, RSV 1965, 90). Genoemd kunnen worden de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, waarin verzending van de uitspraak van een raad van beroep aan de gemachtigde gezegd werd te behoren tot het wezen van een goede procesorde (CRvB 6 mei 1970, AB 1972, 186) en, ten aanzien van de beslissing op bezwaar van de inspecteur, gerechtshof Amsterdam, 16 maart 1970, BNB 1971/8. (…)”
4.8
Gelet op dit een en ander, strekt art. 6:17 Awb zich uit tot de uitspraak van de appelrechter want, zoals gezegd, het artikel is van overeenkomstige toepassing op het (incidenteel) hoger beroep.
Voor wie: ook de geïntimeerde?
4.9
Daarnaast is de regering in dezelfde memorie van toelichting ingegaan op de vraag voor wie art. 6:17 Awb geldt. Dit is eenieder die zich laat vertegenwoordigen in bezwaar of beroep: [34]
“Deze bepaling heeft betrekking op de verzending van stukken in de situatie dat iemand zich in bezwaar of beroep laat vertegenwoordigen, waartoe hij op grond van artikel 2.1.1 bevoegd is. Die vertegenwoordiging is voor een ieder die in een procedure participeert mogelijk; in het voorontwerp werd ten onrechte slechts over vertegenwoordiging door de indiener gesproken. Het inschakelen van een gemachtigde brengt met zich, dat deze namens de belanghebbende de procedure voert, totdat het tegendeel blijkt.”
Aangezien dit artikel van overeenkomstige toepassing is op het (incidenteel) hoger beroep, maak ik uit deze toelichting op dat het artikel eveneens geldt voor de geïntimeerde – dus: de wederpartij van de appellant – wanneer hij zich laat vertegenwoordigen in (incidenteel) hoger beroep. Immers, het geldt niet alleen voor de indiener van het bezwaar- of beroepschrift en (dus) ook niet alleen voor de appellant.
‘Duidelijk moet zijn’-criterium
4.1
Wel geldt art. 6:17 Awb eerst als aan het behandelend orgaan duidelijk moet zijn dat belanghebbende zich laat vertegenwoordigen. In diezelfde memorie van toelichting heeft de regering dat namelijk geformuleerd als een vereiste voor het slagen van een beroep op dat artikel: [35]
“Voor de duidelijkheid wordt erop gewezen dat, wil een belanghebbende een beroep kunnen doen op dit artikel, aan het behandelend orgaan duidelijk moet zijn dat hij zich laat vertegenwoordigen. Voor de gang van zaken in dezen zij verwezen naar de toelichting op artikel 2.1.1.”
4.11
Hoewel de regering verwijst naar de toelichting op het voorgestelde art. 2.1.1 – het latere art. 2:1 Awb – leert deze toelichting mij slechts beperkt meer over het ‘duidelijk moet zijn’-criterium. Die toelichting is namelijk weliswaar betrekkelijk uitgebreid over de verschillende aspecten van (het recht op) vertegenwoordiging, [36] maar het is zoeken naar passages die betrekking hebben op duidelijkheid over vertegenwoordiging. Mogelijk gaat het om de volgende passage, waarin erop wordt gewezen dat het van de omstandigheden afhangt of contact (uitsluitend) via een gemachtigde moet lopen: [37]
“Niet altijd impliceert echter het optreden van een gemachtigde, dat ieder contact tussen bestuursorgaan en belanghebbende uitsluitend via de gemachtigde moet lopen. Veel zal van de omstandigheden afhangen. Zowel de aard van de contacten als de bedoeling van de belanghebbende zijn factoren die hierbij een rol kunnen spelen. Een vaste regel, geldende voor alle fasen van het bestuurlijke proces, is daarom niet te geven. Vooral tijdens de voorbereiding van de beschikking, wanneer velerlei contacten plaatsvinden, zou een algemene regel zijn doel voorbij schieten. Wel is in hoofdstuk 6 een op de bezwaarschrift- en beroepsprocedure toegesneden regeling opgenomen, die het bestuursorgaan verplicht de stukken in ieder geval aan de gemachtigde te zenden.”
Het zou (daarnaast) ook kunnen gaan om de passage over de bevoegdheid om een schriftelijke machtiging te verlangen: [38]
“Het tweede lid geeft het bestuursorgaan de bevoegdheid, van gemachtigden te verlangen dat zij een schriftelijke machtiging overleggen. De regeling komt overeen met de regelingen van administratief procesrecht. Het bestuursorgaan dient de mogelijkheid te hebben om na te gaan of degene die zich als gemachtigde van een bepaalde belanghebbende aandient daartoe werkelijk bevoegd is. Daarbij is een schriftelijk stuk gewenst, mede om de omvang van de vertegenwoordigingsbevoegdheid te bepalen. Meestal zal op grond daarvan voldoende duidelijk zijn tot hoever de bevoegdheid van de gemachtigde zich uitstrekt. Mocht de machtiging op dit punt onvoldoende duidelijk zijn, dan zal op grond van de omstandigheden van het geval en hetgeen op het betreffende terrein gebruikelijk is moeten worden bepaald hoever de bevoegdheid van de gemachtigde zich uitstrekt.”
4.12
Uit de in ‎4.9 en ‎4.10 aangehaalde passages tezamen volgt mijns inziens dat voor de appelrechter art. 6:17 Awb geldt vanaf het moment waarop aan hem duidelijk moet zijn dat de belanghebbende zich laat vertegenwoordigen en vervolgens blijft gelden tot het moment waarop het tegendeel blijkt. Dit geldt ook indien de belanghebbende de geïntimeerde in appel is.
Gevolg voor bekendmaking uitspraak
4.13
Indien art. 6:17 Awb van toepassing is, dienen de stukken primair aan de gemachtigde te worden gezonden, aldus de memorie van toelichting: [39]
“(….) Het inschakelen van een gemachtigde brengt met zich, dat deze namens de belanghebbende de procedure voert, totdat het tegendeel blijkt.
De op de zaak betrekking hebbende stukken dienen derhalve primair aan hem te worden gezonden; uiteraard bestaat er geen bezwaar tegen, en is dat soms ook aangewezen, tevens de belanghebbende aan te schrijven. (…)”
4.14
Daarbij sluit aan dat de bekendmaking van de uitspraak van het beslissingsbevoegde orgaan dient te geschieden door tussenkomst van de gemachtigde. De regering wijst daarop expliciet met betrekking tot de uitspraak op bezwaar in het artikelsgewijze gedeelte bij het voorgestelde art. 6.3.17(2), dat ziet op de uitspraak op bezwaar: [40]
“Er zij nog op gewezen dat, indien de belanghebbende zich tijdens de procedure heeft laten vertegenwoordigen, op grond van artikel 6.2.8b alle stukken die op de zaak betrekking hebben, in ieder geval aan de gemachtigde moeten worden toegezonden. De bekendmaking dient derhalve in dat geval door tussenkomst van de gemachtigde te geschieden.”
4.15
Het lijkt mij niet anders voor de bekendmaking van de uitspraak van de appelrechter aan de geïntimeerde. Immers, art. 6:17 Awb richt zich ook tot de appelrechter (zie ‎4.2), strekt zich uit tot die uitspraak (zie ‎4.7) en geldt ook voor de geïntimeerde (zie ‎4.9).

5.Cassatierechtspraak over verstrekking van uitspraken aan gemachtigden

5.1
De uitspraak van het beslissingsbevoegde orgaan is niet op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt als art. 6:17 Awb toepassing vindt maar de uitspraak niet aan de gemachtigde is verstrekt. Dit volgt mijns inziens uit de wetsgeschiedenis (zie ‎4.14-‎4.15). Het is ook de opvatting van de Hoge Raad, die blijkt uit HR BNB 2014/27 [41] . In geschil is of niet tijdig is beslist op het bezwaar als de uitspraak op bezwaar tijdig is verzonden aan de belanghebbende, maar niet aan de gemachtigde. De Hoge Raad beslist dat dan is voldaan aan de strekking van de bepalingen over tijdig beslissen. Hier is relevant dat de Hoge Raad daarbij overweegt dat daaraan niet afdoet dat de uitspraak op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt doordat zij ondanks het van toepassing zijnde art. 6:17 Awb – want: in strijd daarmee – niet is verzonden aan de gemachtigde:
“3.3.5. Onder de hiervoor in 3.3.4 omschreven omstandigheden [dat de belanghebbende tijdig kennis heeft kunnen nemen van de uitspraak op bezwaar omdat deze uitspraak tijdig is genomen, is verzonden aan hem en hem heeft bereikt, MP] is voldaan aan de strekking van de toepasselijke beslistermijn en heeft het Hof daarom terecht geoordeeld dat geen beroep openstond wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van belanghebbende, en dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom. Anders dan in de klachten wordt aangevoerd doet daaraan niet af dat de uitspraak op bezwaar in strijd met het bepaalde in artikel 6:17 Awb niet is gezonden aan de gemachtigde, en daardoor niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 6:17 Awb strekt tot bescherming van de procedurele belangen van de belanghebbende; dat is van een andere orde dan de hiervoor in 3.3.3 omschreven strekking van de bepalingen inzake het tijdig beslissen, die ziet op zekerheid omtrent de inhoudelijke positie van de belanghebbende tegenover het bestuursorgaan. De klachten falen derhalve in zoverre.”
5.2
Opmerkingswaardig – mede erop gelet dat de memorie van toelichting zich niet met zoveel woorden uitlaat over de strekking van art. 6:17 Awb – is dat de Hoge Raad overweegt dat art. 6:17 Awb strekt tot bescherming van de procedurele belangen van de belanghebbende.
5.3
Als de uitspraak op bezwaar ten onrechte niet is verstrekt aan de gemachtigde, start de termijn voor het instellen van beroep met ingang van de eerste van twee dagen. De ene dag is die waarop de uitspraak wordt verstrekt aan de gemachtigde want dan is zij alsnog op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. De andere dag is die waarop de gemachtigde op andere wijze (een afschrift van) de uitspraak onder ogen krijgt. Dit volgt uit HR BNB 2007/200 [42] , waarin de Hoge Raad het oordeel van het hof casseert dat die termijn niet eerder aanvangt dan nadat de uitspraak is verstrekt aan de gemachtigde:
“Het Hof heeft vastgesteld dat de Inspecteur niet (een kopie van) zijn uitspraak heeft toegezonden aan de gemachtigde van belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof kan de beroepstermijn niet eerder aanvangen dan nadat de Inspecteur alsnog tot die toezending is overgegaan. Dat oordeel is evenwel onjuist. Indien de gemachtigde op andere wijze de beschikking heeft gekregen over (een afschrift van) de uitspraak, is de beroepstermijn aangevangen op de dag dat zulks is geschied (vgl. HR 15 april 2005, nr. 40279, BNB 2005/251).”
5.4
In dit arrest wordt weliswaar nog het criterium ‘de beschikking krijgen’ gehanteerd, maar in meer recente rechtspraak [43] wordt het iets strengere criterium ‘onder ogen krijgen’ gehanteerd. [44] Verder heeft HR BNB 2007/200 weliswaar betrekking op een uitspraak op bezwaar, maar het is mijns inziens niet anders als de uitspraak van de bestuursrechter ten onrechte niet is verstrekt aan de gemachtigde. Ook dan vangt de termijn voor het instellen van hoger beroep of beroep in cassatie aan op de dag waarop de gemachtigde een afschrift van de uitspraak onder ogen krijgt. Dit strookt ermee dat de Hoge Raad dezelfde rechtsregel heeft aanvaard voor andere gevallen waarin een besluit niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [45]
5.5
Voor deze zaak is vooreerst van belang onder welke omstandigheden het aan de bestuursrechter duidelijk moet zijn dat de belanghebbende zich laat vertegenwoordigen. Zodra dit duidelijk is, vindt art. 6:17 Awb toepassing (zie ‎4.10). Dan is het in strijd daarmee wanneer de uitspraak van die bestuursrechter wel wordt verzonden aan de belanghebbende maar niet aan diens gemachtigde. De vraag is dus of de Hoge Raad zich heeft uitgelaten over omstandigheden waaronder dat wél duidelijk is dan wel juist níet.
Cassatie: kenbare vertegenwoordiging bij het hof?
5.6
Ik begin met de periode vanaf 1 januari 2005, toen de tweede feitelijke instantie is ingevoerd in belastingzaken. [46] Eerst in deze periode kan spelen dat, zoals hier, het bestuursorgaan hoger beroep instelt bij het hof nadat de belanghebbende zich heeft laten vertegenwoordigen bij de rechtbank. Voor deze periode heb ik evenwel vergeefs gezocht naar arresten over een geval als dit, die mij leren wanneer de Hoge Raad het al dan niet duidelijk acht voor het hof dat de belanghebbende zich heeft laten vertegenwoordigen (ook) bij het hof. [47]
5.7
Ik vervolg met de periode tussen 1 januari 1994, toen art. 6:17 Awb in werking is getreden, en 1 januari 2005. Een geval als dit kan niet spelen in die periode want destijds was het hof de eerste en enige feitelijke instantie in belastingzaken. [48] Wel kan een ander geval spelen, namelijk dat waarin de belanghebbende beroep instelt bij het hof nadat hij zich heeft laten vertegenwoordigen in bezwaar. Dat geval is minder vergelijkbaar met een geval als dit, omdat niet het bestuursorgaan maar de belanghebbende het rechtsmiddel instelt. Voor die periode heb ik twee arresten gevonden. Het eerste is HR BNB 1999/269 [49] . Ik citeer (en merk terzijde op dat destijds het instellen van beroep in cassatie plaatsvond door het indienen van een beroepschrift in cassatie bij het hof):
“Volgens een door de Griffier van het Hof op de uitspraak van het Hof gestelde aantekening is een afschrift van die uitspraak aangetekend aan partijen verzonden op 14 januari 1998. Het beroepschrift in cassatie met dagtekening 27 februari 1998 is blijkens een door die griffier op dit beroepschrift gestelde aantekening op 3 maart 1998 ter griffie van het Hof ingekomen, derhalve meer dan zes weken na 14 januari 1998. Gelet op de door de gemachtigde van belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat de uitspraak van het Hof hem met vertraging via de curator van de faillietverklaarde belanghebbende heeft bereikt, heeft de Griffier van de Hoge Raad bij het Hof een onderzoek ingesteld waaruit is gebleken dat het afschrift van die uitspraak aan de curator is verzonden en niet aan genoemde gemachtigde. Mitsdien is ´s Hofs uitspraak niet op de voorgeschreven wijze verzonden zodat het beroep van belanghebbende ontvankelijk is.”
Zoals Feteris annoteert, [50] gaat de Hoge Raad in dit arrest ervan uit dat de uitspraak van het hof niet op de voorgeschreven wijze – want: in strijd met art. 6:17 Awb – is bekendgemaakt als zij niet is verzonden aan de gemachtigde. Maar ook dit arrest leert mij nog niet waarom de Hoge Raad het duidelijk acht dat de belanghebbende zich heeft laten vertegenwoordigen (ook) bij het hof. Ik beschik niet over de uitspraak van het hof, zodat ik niet kan uitsluiten dat het duidelijk was alleen al doordat dezelfde gemachtigde namens hem beroep instelde.
5.8
Het tweede arrest is HR BNB 1996/188 [51] . Bij het hof stelt D als gemachtigde beroep in en ter zitting treedt F als gemachtigde op. Beiden zijn destijds werkzaam bij het kantoor E. De uitspraak van het hof is verzonden aan E ter attentie van D. Méér dan zes weken later stelt F namens de belanghebbende beroep in cassatie in. Dit is te laat, aldus de Hoge Raad:
“1.4. Anders dan F (…) betoogt, behoefde het Hof niet [uit, MP] het enkele feit dat de gemachtigde – evenals de indiener van het beroepschrift (…) werkzaam bij E – ter zitting (…) als gemachtigde optrad niet te begrijpen dat D die hoedanigheid had verloren, zodat de termijn voor het instellen van beroep in cassatie aanving op 15 maart 1994.
1.5.
Ook hetgeen de gemachtigde overigens nog heeft aangevoerd (…) vermag het in 1.2 bedoelde verzuim [om tijdig beroep in cassatie in te stellen, MP] niet weg te nemen.
1.6.
Het beroep is mitsdien niet-ontvankelijk.”
Het gaat in dit arrest niet erom of duidelijk is voor het hof dat een gemachtigde aantreedt, maar of duidelijk is dat de ene gemachtigde plaatsmaakt voor de andere. Voor het antwoord daarop acht de Hoge Raad van belang of het hof is gebleken dat D de hoedanigheid van gemachtigde heeft verloren. Daarmee sluit dit arrest aan bij art. 6:17 Awb, in die zin dat deze bepaling geldt totdat blijkt dat de belanghebbende zich niet langer laat vertegenwoordigen (zie ‎4.9).
5.9
Wel plaats ik de kanttekening dat mijn onderzoek naar de rechtspraak van de Hoge Raad niet geheel concludent is. Als hij van oordeel is dat het beroep in cassatie ontvankelijk is en de wederpartij geen ontvankelijkheidsverweer voert, pleegt de Hoge Raad dit oordeel niet te expliciteren. [52] Wat dat betreft, is HR BNB 1999/269 een uitzondering.
Bezwaar of beroep: kenbare vertegenwoordiging bij beslissingsbevoegd orgaan?
5.1
Daarom heb ik gezocht naar nog een ander geval. Dit is het geval waarin in geschil is of de uitspraak op bezwaar (in de periode tot 1 januari 2005) of die van de rechtbank (in de periode vanaf 1 januari 2005) ten onrechte niet is verstrekt aan de gemachtigde. In dat geval bewaakt de Hoge Raad niet ‘zijn’ cassatietermijn; hij controleert of de feitenrechter op de juiste wijze en met toereikende gronden ‘diens’ rechtsmiddeltermijn bewaakt. Ook dat geval is minder vergelijkbaar met een geval als dit, wederom omdat niet het bestuursorgaan maar de belanghebbende het rechtsmiddel instelt waarvan de ontvankelijkheid in geschil is.
5.11
Zo’n ander geval doet zich voor in HR BNB 2007/200 (zie ‎5.3). Het doet zich ook voor in HR BNB 2003/64 [53] . Eerst dient de belanghebbende zelf een bezwaarschrift in. Vervolgens schakelt hij een belastingadviseur, B, in om het bezwaarschrift te completeren. De inspecteur verzendt de uitspraak op bezwaar aan B. [54] De Hoge Raad acht onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat de beroepstermijn is aangevangen toen de belanghebbende die uitspraak van B ontving. Immers, de inspecteur heeft moeten begrijpen dat B de belanghebbende vertegenwoordigde, zodat – zo voeg ik daaraan toe – de uitspraak op bezwaar terecht is verzonden aan B. Ik citeer:
“3.4. 's Hofs andersluidende oordeel dat de beroepstermijn pas is aangevangen op 1 april 2000, namelijk de dag waarop belanghebbende van zijn adviseur B te Q de brief van de Inspecteur van 16 maart 2000 ontving, is zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Immers uit de omstandigheid dat belanghebbende voor het completeren van zijn bezwaarschrift een beroepsmatig optredende verlener van rechtsbijstand, te weten B, had ingeschakeld moest de Inspecteur, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, afleiden dat belanghebbende zich door laatstgenoemde liet vertegenwoordigen in de zin van artikel 6:17 Awb.”
5.12
Zo’n ander geval doet zich ook voor in HR BNB 1998/328, [55] met dien verstande dat op dit geval art. 6:17 Awb nog niet van toepassing was, omdat de desbetreffende uitspraak op bezwaar is verzonden vóór inwerkingtreding van de Awb. Nadat N als gemachtigde bezwaar heeft gemaakt, treedt C als zodanig op. De uitspraak op bezwaar is verzonden aan C, niet aan N. Het hof acht het beroep niet-ontvankelijk want de inspecteur heeft mogen aannemen dat alleen C nog optrad als gemachtigde toen hij de uitspraak op bezwaar verzond. De Hoge Raad casseert omdat niet is gebleken dat de belanghebbende zelf bij de inspecteur heeft aangegeven dat zij zich niet langer laat vertegenwoordigen door N:
“(…) 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding houden niet in dat van de zijde van belanghebbende aan de Inspecteur te kennen is gegeven dat N niet meer als haar gemachtigde optrad, zodat ervan dient te worden uitgegaan dat N nog als gemachtigde van belanghebbende is aan te merken. Het voorgaande brengt mee dat het Hof belanghebbende ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet ontvankelijk in haar beroep heeft verklaard. (…)”
Dit arrest sluit in die zin aan bij art. 6:17 Awb dat aangezien niet door of namens de belanghebbende het tegendeel ter kennis is gegeven, ervan moet worden uitgegaan dat N nog steeds de procedure voert (vgl. ‎4.9).
5.13
Feteris annoteert bij dit arrest dat reeds in HR B. 4821 [56] als ongeschreven rechtsregel is aanvaard dat de inspecteur de uitspraak op een bezwaarschrift dat een gemachtigde heeft ingediend, moet verzenden aan de gemachtigde. [57] Wel werpt hij op of de belanghebbende in HR BNB 1998/328, die uiteindelijk ook zelf de uitspraak op bezwaar ontving, niet te veel van het goede heeft gekregen. Hij suggereert een gedachtegang waarin het antwoord ontkennend is: [58]
“(…) Wellicht gaat de Hoge Raad ervan uit dat de belanghebbende die een gemachtigde heeft aangewezen erop moet kunnen vertrouwen dat (ook) deze de uitspraak op het bezwaarschrift ontvangt, en daarop zo nodig uit eigen beweging en zonder ruggespraak met de belanghebbende tijdig beroep instelt. In die gedachtengang zou van de belanghebbende die zelf de uitspraak op het bezwaarschrift krijgt niet mogen worden verlangd dat hij binnen de beroepstermijn met zijn gemachtigde contact opneemt voor overleg over de verder te ondernemen stappen.”
5.14
Deze gedachtegang is niet zonder steun in de rechtspraak van de Hoge Raad. Nog vóór HR B. 4821 heeft hij blijk gegeven van die gedachtegang in HR B. 4473 [59] , waarin de uitspraak op bezwaar over een aanslag is verzonden aan de belanghebbende zelf in stede van de gemachtigde. In dit arrest overweegt de Hoge Raad namelijk:
“dat, wanneer een aangeslagene zonder restrictie een derde machtigt om hem ter zake van zijn aanslag in de forensenbelasting te vertegenwoordigen, moet worden aangenomen, dat die derde niet alleen gemachtigd is om voor hem een bezwaarschrift (…) in te dienen, doch ook om hem verder te vertegenwoordigen, met name om voor hem tegen de beschikking van den inspecteur op het bezwaarschrift in beroep te komen bij den raad van beroep;
dat hieruit volgt, dat in een dergelijk geval het afschrift van de beschikking van den inspecteur behoort te worden toegezonden aan den gemachtigde als zoodanig, opdat deze in de gelegenheid worde gesteld daarvan kennis te nemen en te beraden wat hij verder in zijne kwaliteit van vertegenwoordiger van den aangeslagene geraden zal oordeelen; (…)”
De belastingrechtspraakpraktijk met betrekking tot de verzending van de kennisgeving van een door het bestuursorgaan ingesteld hoger beroep of beroep in cassatie
6.1
Gelet op wat in het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting van de CRvB is vermeld (zie ‎3.7) en de inhoud van kennisgevingsbrief die aan belanghebbende is verstuurd (zie ‎3.8), begrijp ik dat de handelwijze van de CRvB is dat in zaken waarin (alleen) het bestuursorgaan hoger beroep instelt, de CRvB de kennisgeving alleen aan de belanghebbende stuurt en niet (ook) aan degene die de belanghebbende als gemachtigde heeft vertegenwoordigd voor de rechtbank. Om een breder beeld te krijgen heb ik navraag gedaan wat bij andere instanties de handelwijze is in gevallen waarin het bestuursorgaan het rechtsmiddel instelt tegen een uitspraak in vorige instantie. [60] Ik heb me daarbij beperkt tot instanties die belastingzaken behandelen.
Hoge Raad
6.2
Ik ben binnenshuis gestart. Als het bestuursorgaan beroep in cassatie instelt, moet de Hoge Raad de wederpartij zo spoedig mogelijk in kennis stellen daarvan. Dit volgt uit art. 6:14(2) Awb, dat van overeenkomstige toepassing is op het beroep in cassatie. De vraag is dan aan wie de kennisgeving van het beroep in cassatie wordt verzonden: aan de belanghebbende, aan degene die is opgetreden als gemachtigde in vorige instantie, of aan beiden? Navraag bij de griffie van de Hoge Raad leert mij dat haar medewerkers plegen te zorgen voor een ‘dubbele strik’: zij verzenden de brief met de kennisgeving aan de belanghebbende en een afschrift van diezelfde brief aan de gemachtigde in vorige instantie.
6.3
De brief met de kennisgeving die aan belanghebbende wordt verstuurd, bevat naast de kennisgeving als zodanig en informatie over de wijze van procederen (digitaal of op papier) ook een passage over vertegenwoordigen, die als volgt luidt:
“Laat u zich vertegenwoordigen?
Als u niet verplicht bent om digitaal te procederen en u zich in deze zaak laat vertegenwoordigen door een beroepsmatige rechtsbijstandverlener, dan is uw rechtsbijstandverlener verplicht om digitaal te procederen.
Als u zich in deze zaak laat vertegenwoordigen door iemand die dat niet beroepsmatig doet, dan is digitaal procederen voor uw gemachtigde niet verplicht. Kiest uw gemachtigde ervoor om op papier te procederen, dan verzoek ik u mij zo spoedig mogelijk de naam en het adres van die gemachtigde mee te delen. De correspondentie in deze zaak zal voorlopig alleen naar uw adres wordt gestuurd. Zodra ik heb vernomen dat u zich in de cassatieprocedure laat vertegenwoordigen door een gemachtigde die dat niet beroepsmatig doet, stuur ik vanaf dat moment de correspondentie naar het adres van uw gemachtigde.”
6.4
Ik heb bij de griffie navraag gedaan hoe men ten tijde van de verzending van de kennisgeving weet óf belanghebbende zich heeft laten vertegenwoordigen in vorige instantie. Die informatie krijgt men van de griffie van de vorige instantie. Indien het bestuursorgaan beroep in cassatie instelt, wordt de griffie van de vorige instantie gecontacteerd voor de adresgegevens van de belanghebbende, waarbij tevens wordt gevraagd of de belanghebbende zich heeft laten vertegenwoordigen in die instantie en zo ja om de contactgegevens.
Gerechtshoven
6.5
Ook bij de belastingteamvoorzitters van de gerechtshoven heb ik gevraagd wat hun griffiemedewerkers plegen te doen indien het bestuursorgaan hoger beroep instelt. Ik heb daarbij ook gevraagd om de achterliggende gedachte van de handelwijze. Aangemoedigd door een eerdere, mijns inziens vruchtbare bevraging van de praktijk [61] heb ik de teamvoorzitters verzocht om inlichtingen bij e-mailbericht van 1 oktober 2025. Dit verzoek luidt als volgt:
“In een bestuursrechtelijke zaak die ik heb geselecteerd voor conclusie, is aan de orde dat (de griffie van) de CRvB alleen de belanghebbende zelf in kennis heeft gesteld van het hoger beroep dat het bestuursorgaan heeft ingesteld. De kennisgeving van het hoger beroep is niet tevens verzonden aan degene die als gemachtigde de belanghebbende heeft vertegenwoordigd voor de rechtbank. Ook vervolgcorrespondentie (zoals de uitnodiging voor de zitting) is verstuurd aan alleen de belanghebbende. De belanghebbende heeft niet op enig moment gereageerd en is ook niet ter zitting verschenen. De CRvB heeft na de zitting uitspraak gedaan, die wederom aan alleen de belanghebbende is verzonden.
Deze zaak leidt tot de vraag of de kennisgeving van het hoger beroep had moeten worden verzonden aan (ook) de gemachtigde.
Mijn verzoek aan u is om mij informatie te verstrekken over de manier waarop (de griffie van) de belastingkamer van uw gerechtshof kennis geeft van het instellen van hoger beroep door het bestuursorgaan in een geval waarin de belanghebbende voor de rechtbank is vertegenwoordigd door een gemachtigde. Hieronder vindt u eerst een gestileerde weergave van de casus en vervolgens een aantal vragen over deze casus. Ik verzoek u bij de beantwoording van de vragen ermee rekening te houden dat de antwoorden mogelijk (integraal) worden opgenomen in mijn conclusie.”
6.6
Het verzoek valt dus uiteen in een casus en een aantal vragen naar aanleiding van de casus. Die casus is een (zeer) gestileerde weergave van deze zaak:
“Een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent (hierna: de gemachtigde), heeft namens de belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. Na een gewone behandeling van het beroep heeft de rechtbank beslist in het voordeel van de belanghebbende. Daarna stelt het bestuursorgaan tijdig hoger beroep in bij uw gerechtshof.”
6.7
Het verzoek bevat vijf vragen aan ieder van de teamvoorzitters. Hun antwoorden zijn ingekomen tussen 1 en 16 oktober 2025. Ik geef hun antwoorden niet integraal weer want zij komen onderling nagenoeg geheel overeen. In plaats daarvan volgt eerst – in mijn bewoordingen – de gemene deler in hun antwoorden en vervolgens – bij wijze van citaat – een eventueel specifieke toevoeging van één of meer teamvoorzitters. Dat doe ik per vraag afzonderlijk.
6.8
De
eerste vraagis aan wie de griffie van het desbetreffende hof de kennisgeving van het hoger beroep verzendt: alleen aan de belanghebbende zelf, alleen aan de gemachtigde of aan beiden? Het antwoord is: alleen aan de belanghebbende zelf. Dit geldt voor elk van de vier hoven. Daaraan voegt de teamvoorzitter bij het hof Den Bosch toe: [62]
“Artikel 6 van onze procesregeling luidt: “(…) De griffier zendt aan de andere partij (…) een mededeling dat een beroepschrift is ingediend.” De andere partij is in dit geval belanghebbende.”
6.9
De teamvoorzitter bij het hof Arnhem-Leeuwarden voegt nog toe dat dit hof één uitzondering maakt, waarbij de kennisgeving alleen wordt verzonden aan de gemachtigde (in plaats van alleen aan de belanghebbende). Deze uitzondering doet zich voor als de gemachtigde vóór of tegelijk met het bestuursorgaan hoger beroep instelt tegen dezelfde uitspraak:
“De kennisgeving wordt alleen verzonden aan de belanghebbende zelf. Daarop is één uitzondering. In het geval dat een bestuursorgaan hoger beroep instelt en er tegelijkertijd, of al eerder, ook hoger beroep wordt ingesteld tegen dezelfde uitspraak door een gemachtigde, gaan wij ervan uit dat deze gemachtigde ook in het hoger beroep van het bestuursorgaan de belanghebbende vertegenwoordigt. Dit wordt dan niet eerst nagevraagd bij de belanghebbende. De kennisgeving wordt dan alleen gestuurd naar de gemachtigde.”
6.1
De
tweede vraagis of het verschil maakt voor degene aan wie de griffie de kennisgeving van het hoger beroep verzendt, als de gemachtigde een advocaat is. De
derde vraagis of het verschil maakt daarvoor als de belanghebbende domicilie heeft gekozen ten kantore van de gemachtigde, ook al woont hij zelf in Nederland. Het antwoord is: noch het een noch het ander maakt verschil daarvoor; ook dan verzendt de griffie de kennisgeving alleen aan de belanghebbende. Dit geldt wederom voor elk van de vier hoven.
6.11
Zowel de vierde als vijfde vraag is gesteld voor het geval dat de griffie de kennisgeving alleen aan de belanghebbende verzendt. De
vierde vraagbetreft de inhoud van de kennisgeving. Vermeldt zij alleen te zijn verzonden aan de belanghebbende, niet aan de gemachtigde? En verzoekt zij om naam en adresgegevens van een gemachtigde als de belanghebbende zich laat vertegenwoordigen in hoger beroep? Zo ja, stelt zij dan een termijn voor dit verzoek en vermeldt zij ook wat de handelwijze van de griffie zal zijn als de belanghebbende niet (tijdig) voldoet aan dat verzoek? Het antwoord is dat elk van de vier hoven gebruikmaakt van één en dezelfde (standaard)kennisgeving, die – voor zover thans van belang – luidt als volgt:
“Bij de belastingkamer van dit gerechtshof is het mogelijk om digitaal te procederen via ‘Mijn Rechtspraak’. Voor alle informatie hierover verwijs ik naar de bijgevoegde brochure.
In belastingzaken maakt het gerechtshof altijd een digitaal dossier aan. Hierbij ontvangt u een afschrift van een of meer stukken zoals die in het digitaal dossier zijn geplaatst.
Indien het uw bedoeling is dat in hoger beroep een gemachtigde voor u optreedt, dient u een ondertekende volmacht die niet ouder is dan drie maanden en waarin de naam en het adres van deze gemachtigde worden vermeld, zo spoedig mogelijk aan het gerechtshof over te leggen. Na ontvangst van de volmacht zal het gerechtshof in het vervolg van de procedure nieuwe stukken die in het digitaal dossier worden geplaatst, aan uw gemachtigde sturen.
Als u nog vragen heeft, kunt u telefonisch contact opnemen met de administratie van de belastingkamer.”
6.12
Daaraan voegt de teamvoorzitter bij het hof Den Bosch toe dat geen volmacht nodig is als een advocaat zich meldt. Deze teamvoorzitter merkt ook nog op:
“In de kennisgeving wordt geen termijn gesteld. Tot het moment dat is bevestigd dat de gemachtigde die beroep heeft ingesteld bij de rechtbank belanghebbende ook in hoger beroep vertegenwoordigt, wordt gecommuniceerd met belanghebbende (…).”
6.13
Eenzelfde opmerking is te vinden bij de teamvoorzitter bij het hof Arnhem-Leeuwarden. Die teamvoorzitter geeft nog aan dat de belanghebbende in vrijwel alle gevallen reageert op de kennisgeving. In de uitzonderingsgevallen waarin de belanghebbende niet reageert, pleegt dit hof op een andere manier in contact te komen met hem. Dit gebeurt vóór het plannen van een zitting:
“In vrijwel alle gevallen leidt deze handelwijze ertoe dat de belanghebbende op een of andere wijze (al dan niet via een gemachtigde) reageert. In de uitzonderingsgevallen dat geen enkele reactie volgt, proberen wij (voordat een zitting wordt gepland) op andere wijze in contact te komen met de belanghebbende, bijvoorbeeld telefonisch of via de gemachtigde die in eerste aanleg optrad.”
6.14
De
vijfde vraagis welke gedachte eraan ten grondslag ligt dat de griffie de kennisgeving alleen aan de belanghebbende verzendt. Dit dient volgens de teamvoorzitter bij het hof Den Haag twee belangen. Het ene belang is te waarborgen dat de belanghebbende een vrije vertegenwoordigingskeuze heeft, óók (of opnieuw) in hoger beroep. Het andere belang is te voorkomen dat de gemachtigde zonder diens medeweten (maar op diens kosten) voortgaat:
“De gedachte is dat de belanghebbende zelf moet kunnen besluiten of de bijstand van de gemachtigde in de volgende fase nodig is. De belanghebbende moet de vrije keuze hebben om de procedure zelf voort te zetten, geen tijd en/of middelen in de procedure te steken, een andere gemachtigde in te schakelen dan wel met de huidige gemachtigde verder te gaan. De handelwijze is ook bedoeld om te voorkomen dat de gemachtigde zonder medeweten van de belanghebbende verder procedeert en de belanghebbende de gevolgen (o.a. de kosten, maar ook de keuzes van de gemachtigde) moet dragen.”
6.15
Daarbij sluit de teamvoorzitter bij het hof Amsterdam zich aan. Ook de teamvoorzitter bij het hof Den Bosch wijst – zij het zijdelings – op het belang te voorkomen dat de gemachtigde zonder medeweten van de belanghebbende (of zelfs tegen diens wens) voortgaat. Deze teamvoorzitter wijst – vooral – op een verschil tussen het geval waarin de belanghebbende appelleert en dat waarin het bestuursorgaan dit doet. Anders dan in het eerste geval, weet (de griffie van) dit hof in het tweede geval niet zonder nader bericht van de belanghebbende of hij zich nog wenst te laten vertegenwoordigen door dezelfde gemachtigde:
“In het geval het bestuursorgaan hoger beroep instelt, weten wij zonder nader bericht niet of belanghebbende nog langer de wens heeft zich te laten vertegenwoordigen door de gemachtigde die beroep bij de rechtbank heeft ingesteld. In zoverre verschilt dit geval van de situatie dat niet het bestuursorgaan hoger beroep instelt, maar de gemachtigde namens belanghebbende.
Ten slotte en zijdelings relevant voor de beantwoording van onderhavige vragen: zoals bleek uit onze beantwoording van de vragen over de zogenoemde machtigingsproblematiek hebben wij meerdere ervaringen hebben met zaken waarbij in eerste aanleg een zogenoemde NCNP–dienstverlener als gemachtigde betrokken was en belanghebbende vervolgens expliciet te kennen heeft gegeven niet de wens te hebben dat namens haar/hem hoger beroep wordt ingesteld.”
6.16
De teamvoorzitter bij het hof Arnhem-Leeuwaarden wijst erop dat gegevens waarover het hof komt te beschikken op een later moment in het hoger beroep, zoals de adresgegevens van een gemachtigde of de machtiging, nog niet beschikbaar zijn op het (eerdere) moment waarop de griffie de kennisgeving verzendt:
“Het is niet bekend of de belanghebbende in hoger beroep vertegenwoordigd wil worden door dezelfde gemachtigde. Wij beschikken in dat stadium ook nog niet over het rechtbankdossier en kunnen dus niet nagaan of de machtiging die in eerste aanleg is overgelegd, ook geldt voor hoger beroep. De adresgegevens van de gemachtigde zijn ook niet altijd bekend, omdat we nog niet beschikken over het rechtbankdossier.”
Samenvattend
6.17
Kortom, waar de Hoge Raad kiest voor een dubbele strik (zie ‎6.2), hanteren de gerechtshoven als uitgangspunt een enkele strik: de kennisgeving wordt alleen verzonden aan de belanghebbende zelf. Daarvoor worden verschillende, deels overlappende argumenten aangevoerd: (i) het is niet bekend of belanghebbende in hoger beroep vertegenwoordigd wil worden door dezelfde gemachtigde, (ii) het belang te waarborgen dat de belanghebbende een vrije vertegenwoordigingskeuze heeft in hoger beroep, (iii) het belang te voorkomen dat de gemachtigde zonder medeweten van de belanghebbende proceshandelingen verricht en (iv) de adresgegevens van de gemachtigde zijn niet steeds al bekend.

7.Betekening van appelexploot in dagvaardingszaken

7.1
Aangezien de hoven zonder uitzondering de appelkennisgeving plegen te verzenden alleen aan de belanghebbende in belastingzaken waarin het bestuursorgaan hoger beroep instelt (zie ‎6.8-‎6.10), heb ik mij de vraag gesteld of en, zo ja, in hoeverre deze handelwijze verschilt van wat rechtens is in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid bij de burgerlijke rechter (dagvaardingszaken).
7.2
Anders dan in belastingzaken, stelt in dagvaardingszaken niet de appelrechter maar de appellant zelf de geïntimeerde in kennis van het hoger beroep. Dit vindt plaats doordat de appellant de appeldagvaarding, waarmee het hoger beroep aanvangt, [63] doet uitbrengen aan de geïntimeerde. Het uitbrengen van de appeldagvaarding gebeurt doordat een daartoe bevoegde deurwaarder haar betekent – in wettelijke termen: exploot doet [64] – en afschrift daarvan laat aan de geïntimeerde. [65]
7.3
Een algemene regeling voor het doen van exploot is te vinden in art. 46(1) Rv. [66] Volgens dit artikellid kan de deurwaarder exploot doen aan de geïntimeerde in persoon, ongeacht waar de deurwaarder hem aantreft in Nederland. Dat kan doordat de deurwaarder een afschrift van de appeldagvaarding laat aan de geïntimeerde zelf. Daartoe begeeft de deurwaarder zich gewoonlijk naar de woonplaats van de geïntimeerde. Als de deurwaarder hem daar niet aantreft, kan hij volgens hetzelfde artikellid exploot doen aan – kort gezegd – een huisgenoot van de geïntimeerde. Ook dat kan door het laten van een afschrift van de appeldagvaarding aan de huisgenoot.
7.4
Daarnaast voorzien art. 47-63 Rv in bijzondere regelingen voor het doen van exploot. [67] Voor deze conclusie is art. 63(1) Rv van belang. Die bepaling biedt een alternatieve regel voor onder meer het doen van een appelexploot – dus: exploot van een appeldagvaarding. Voor zover thans van belang, luidt zij aldus:
“Een exploot waarbij (…) waarbij hoger beroep wordt ingesteld (…), kan ook worden gedaan aan het kantoor van de advocaat of deurwaarder bij wie degene voor wie het exploot is bestemd, laatstelijk ter zake woonplaats heeft gekozen, (…). Deze advocaat of deurwaarder bevordert dat het exploot degene voor wie het is bestemd, tijdig bereikt.”
7.5
Dit heet ook wel de kantoorbetekening. [68] Als de geïntimeerde domicilie heeft gekozen ten kantore van een advocaat, zoals tijdens het geding in eerste aanleg, kan de deurwaarder de appeldagvaarding uitbrengen door haar te betekenen aan het kantoor van die advocaat. [69] In dit verband wijs ik op art. 79(2) en art. 80(4) Rv, die een domiciliekeuze fingeren voor het geding in eerste aanleg van dagvaardingszaken met respectievelijk zonder verplichte procesvertegenwoordiging. Volgens beide artikelleden worden partijen geacht domicilie te hebben gekozen ten kantore van hun respectieve advocaten dan wel gemachtigden tot het eindvonnis in eerste aanleg is gewezen.
7.6
In hetzelfde verband merk ik op dat de kantoorbetekening een facultatief alternatief is (“ook”). Ook als de geïntimeerde domicilie heeft gekozen ten kantore van een advocaat (al dan niet bij wege van wettelijke fictie), kan de deurwaarder de appeldagvaarding uitbrengen volgens de algemene regeling van art. 46(1) Rv – dus: aan de geïntimeerde in persoon of aan diens huisgenoot (zie ‎7.3) – of volgens enig andere bijzondere regeling die in aanmerking komt voor toepassing in het desbetreffende geval. [70]

8.Beschouwing

Algemeen

8.1
Gestileerd weergegeven, kenmerkt deze zaak zich mijns inziens door zes omstandigheden: (a) de belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen in (bezwaar en) beroep (vgl. ‎2.6-‎2.7), (b) het bestuursorgaan heeft geappelleerd (vgl. ‎2.10), (c) de appelkennisgeving is wél aan de belanghebbende maar níet aan de gemachtigde verzonden (vgl. ‎3.5), (d) de belanghebbende heeft – om onbekende redenen – niet gereageerd op het verzoek in de appelkennisgeving naam en adresgegevens van een eventuele gemachtigde te verstrekken (vgl. ‎3.8-‎3.9), (e) de belanghebbende is wél uitgenodigd voor het voeren van verweer en het onderzoek ter zitting bij de appelrechter maar heeft – opnieuw om onbekende redenen – geen van beide benut (vgl. ‎3.5), en (f) de gemachtigde is níet uitgenodigd voor één van beide (vgl. ‎3.5-‎3.7).
8.2
De (wijze van) beoordeling of tijdig beroep in cassatie is ingesteld in deze zaak, kan een breder belang hebben. Dit bredere belang is niet zozeer gelegen in de vraag of onder zulke omstandigheden de uitspraak van de appelrechter op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt wanneer het afschrift daarvan wél is verzonden aan de belanghebbende maar níet aan de gemachtigde, zoals hier (zie ‎3.3-‎3.4). Die vraag kan weliswaar evengoed spelen in andere zaken waarin het bestuursorgaan appelleert, maar er zijn denkelijk niet veel zaken waarin de vraag speelt onder dezelfde omstandigheden (vgl. ‎6.13: doorgaans reageert de belanghebbende). Het bredere belang kan vooral zijn gelegen in de impact op de handelwijze van zowel de CRvB als van elk van de hoven om de appelkennisgeving te verzenden alleen aan de belanghebbende en niet ook aan de gemachtigde in vorige instantie (zie ‎6.1 resp. ‎6.8-‎6.10).
Eenduidige rechtsregels zonder eenduidig antwoord
8.3
Het is mijns inziens niet eenduidig of in een geval als dit, waarin de in ‎8.1 weergegeven omstandigheden spelen, de uitspraak van de appelrechter behoorlijk is bekendgemaakt met verzending van het afschrift aan alleen de belanghebbende. Dat ligt niet aan de rechtsregels. Zij zijn mijns inziens eenduidig.
Alsart. 6:17 Awb toepassing mist, is de uitspraak daarmee wél naar behoren bekendgemaakt.
Alsart. 6:17 Awb evenwel toepassing vindt in zo’n geval, is de uitspraak daarmee níet naar behoren bekendgemaakt. Dit is de opvatting van de wetgever (zie ‎4.14) en ook die van de Hoge Raad (zie ‎5.1).
Ofart. 6:17 Awb toepassing vindt, hangt mijns inziens niet zozeer af van de uitleg daarvan: dit artikel richt zich tot de appelrechter (zie ‎4.2), strekt zich uit tot diens uitspraak (zie ‎4.7) en geldt voor de geïntimeerde (zie ‎4.9). Ik meen dat het veeleer afhangt van de toepassing van – wat ik noem – het duidelijkvereiste op een geval als dit.
8.4
Dit vereiste betekent dat het aan de appelrechter duidelijk moet zijn dat de geïntimeerde – dus: de belanghebbende – zich laat vertegenwoordigen in appel (zie ‎4.10). Eerst nadat is voldaan aan dat vereiste, vindt art. 6:17 Awb toepassing. Vervolgens blijft zij van toepassing totdat het kenbaar is voor de appelrechter dat de geïntimeerde zich niet langer laat vertegenwoordigen in appel (zie ‎4.12).
8.5
Het komt mijns inziens door het duidelijkvereiste dat niet eenduidig is of in een geval als dit de uitspraak van de appelrechter behoorlijk is bekendgemaakt met verzending van het afschrift aan de belanghebbende. De wetsgeschiedenis van art. 6:17 Awb leert slechts dat het vereiste geldt (zie ‎4.10). Deze leert niet onder welke omstandigheden vertegenwoordiging duidelijk moet zijn (vgl. ‎4.11), zeker niet in een geval waarin niet de belanghebbende maar het bestuursorgaan het rechtsmiddel aanwendt.
8.6
Het is vergelijkbaar voor de rechtspraak van de Hoge Raad. Ik heb vergeefs gezocht naar een arrest over dat vereiste in een geval waarin het bestuursorgaan appelleert (zie ‎5.6). De arresten die ik wel heb kunnen vinden, betreffen niet zo’n geval maar gevallen waarin de belanghebbende zich wendt tot de rechter of het bestuursorgaan (zie ‎5.7-‎5.8 resp. ‎5.11-‎5.12). Ik noem twee van die arresten afzonderlijk: HR BNB 1996/188 (zie ‎5.8) en HR BNB 1998/328 (zie ‎5.12). Beide gaan over een wisseling van gemachtigde: eerst stelt de ene gemachtigde zich en later lijkt een andere gemachtigde zich te stellen. Ik leid uit beide af dat de rechter of het bestuursorgaan zich heeft te verstaan met de eerste gemachtigde, tot de belanghebbende te kennen geeft dat deze hem niet meer vertegenwoordigt. Dit sluit aan bij het moment waarop art. 6:17 Awb zich ‘deactiveert’, namelijk wanneer is gebleken dat de belanghebbende zich niet langer laat vertegenwoordigen (zie ‎4.12). Maar het leert mij niets over onder welke omstandigheden art. 6:17 Awb zich ‘activeert’.
Art. 6:17 Awb en de appelkennisgeving: een soort catch 22?
8.7
In het geval de belanghebbende appellant is, zal het duidelijkvereiste doorgaans geen problemen opleveren, noch voor de appelrechter noch voor de belanghebbende die zich laat vertegenwoordigen door een gemachtigde. Doorgaans zal de gemachtigde het hogerberoepschrift indienen. Daarmee is aan de appelrechter duidelijk dat belanghebbende zich door de gemachtigde laat vertegenwoordigen. [71] De appelrechter zal vervolgens overeenkomstig art. 6:17 Awb de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de gemachtigde verstrekken. Bij de overgang van de beroepsfase naar de hogerberoepsfase treedt aldus geen onderbreking op in de mogelijkheid van de gemachtigde om kennis te nemen van op de zaak betrekking hebbende stukken en om vervolgens naar bevind van zaken te handelen: de uitspraak van de rechter in eerste aanleg is aan de gemachtigde door die rechter toegezonden, de gemachtigde zelf heeft het hogerberoepschrift ingediend en in het vervolg van de appelprocedure krijgt de gemachtigde de stukken toegestuurd door de appelrechter. Met andere woorden: in zo’n geval wordt onafgebroken aan de strekking van art. 6:17 Awb voldaan, te weten de bescherming van de procedurele belangen van de belanghebbende (zie ‎5.2).
8.8
In het geval de belanghebbende de geïntimeerde is, ligt het wat anders. Aangezien het bestuursorgaan het hogerberoepschrift indient, is niet reeds daarmee voor de appelrechter duidelijk of de belanghebbende zich door een gemachtigde laat vertegenwoordigen in hoger beroep. Als de appelrechter vervolgens de appelkennisgeving alleen aan de belanghebbende stuurt, krijgt de gemachtigde als uitgangspunt geen kennis van dat stuk. Anders dan indien de gemachtigde het hogerberoepschrift indient, treedt dan dus een onderbreking op in de toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De procedurele belangen van de belanghebbende die met zo’n toezending worden gediend, worden dan in zoverre niet beschermd. Tegengeworpen kan worden dat de gemachtigde alsnog kennis krijgt van dat stuk, indien de belanghebbende hem dat stuk toestuurt. Dit veronderstelt echter adequaat handelen van de belanghebbende, terwijl art. 6:17 Awb juist ertoe strekt de belanghebbende in zijn procedurele belangen te beschermen door op de zaak betrekking hebbende stukken aan de gemachtigde ter beschikking te stellen.
8.9
Bij zowel de CRvB als de gerechtshoven bevat (de brief met) de kennisgeving van het instellen van het hoger beroep door het bestuursorgaan tevens een passage die in de kern inhoudt dat als de belanghebbende zich in hoger beroep wil laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, de belanghebbende de griffier daarover moet informeren (zie ‎3.8 en ‎6.11). Dat is begrijpelijk vanuit het oogpunt van het duidelijkvereiste. Tegelijkertijd is er in het geval de belanghebbende zich al laat vertegenwoordigen, daarmee een spanning met de strekking van art. 6:17 Awb. Immers, de bescherming van de procedurele belangen van de belanghebbende is ermee gediend, indien die kennisgeving juist ook naar de gemachtigde wordt verzonden. In zeker opzicht is sprake van een catch 22-situatie: voorwaarde voor de bescherming door art. 6:17 Awb van de procedurele belangen van de belanghebbende is dat aan de appelrechter duidelijk is dat de geïntimeerde zich laat vertegenwoordigen, maar om aan de voorwaarde te voldoen is het nodig dat de belanghebbende reageert op een stuk dat onder de procedurele rechtsbescherming van art. 6:17 Awb zou vallen als het artikel van toepassing is.
8.1
Van een zuivere catch 22-situatie is vanzelfsprekend geen sprake. Doorbreking is mogelijk: de belanghebbende kan immers na de kennisgeving actie ondernemen door de appelrechter (al dan niet via zijn gemachtigde) te informeren dat hij zich laat vertegenwoordigen door een gemachtigde. Het catch 22-achtige probleem manifesteert zich in de (zeldzame) gevallen waarin de belanghebbende juist niet adequaat actie onderneemt – door wat voor omstandigheid dan ook. En juist in die gevallen zou art. 6:17 Awb voor procedurele rechtsbescherming hebben kunnen zorgen. En de omstandigheid die maakt dat niet adequaat wordt gereageerd, [72] kan bovendien juist mede reden voor de belanghebbende zijn geweest om eerder de gemachtigde in te schakelen.
Drie mogelijke benaderingen met betrekking tot de appelkennisgeving
8.11
Voor het geval een belanghebbende zich in beroep heeft laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, zie ik grofweg drie mogelijke benaderingen wat betreft de verzending van de appelkennisgeving indien het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld.
8.12
De
eerstebenadering is dat de appelkennisgeving (ook) aan die gemachtigde wordt verzonden. Betoogd kan worden dat de tekst van art. 6:17 Awb (“indien iemand zich laat vertegenwoordigen”) daarvoor ruimte biedt. Gedachte daarbij is dan dat voorshands ervan wordt uitgegaan dat de belanghebbende zich ook in hoger beroep laat vertegenwoordigen door de gemachtigde. De appelrechter kan de juistheid van dat uitgangspunt verifiëren door om een schriftelijke machtiging te verzoeken dan wel (in het geval van een advocaat) om bevestiging daarvan te vragen. Deze benadering heeft als voordeel dat de procedurele belangen van de belanghebbende die zich inderdaad (ook voor een eventuele hogerberoepsprocedure) laat vertegenwoordigen door de gemachtigde, worden beschermd, en dat een mogelijke catch 22-achtige situatie wordt voorkomen. Deze benadering zou bovendien in die zin stroken met HR B. 4473 dat daarin het belang naar voren komt dat in het geval een gemachtigde zonder restrictie is ingeschakeld voor een bepaalde aangelegenheid, aan de gemachtigde de relevante stukken worden toegestuurd opdat de gemachtigde naar bevind van zaken kan handelen (vgl. ‎5.13-‎5.14).
8.13
Tegenover de voordelen staan echter bezwaren. Inherent bezwaar tegen een algemene handelwijze om de appelkennisgeving te sturen aan de gemachtigde in eerste instantie is dat dan in voorkomende gevallen de appelkennisgeving wordt verzonden aan de gemachtigde, terwijl de belanghebbende zich voor het hoger beroep (nog) niet laat vertegenwoordigen door die gemachtigde. Met andere woorden: art. 6:17 Awb wordt dan toegepast, terwijl het (nog) niet van toepassing is. Zeker indien niet alleen de kennisgeving maar (tegelijk) ook andere stukken naar de gemachtigde worden verstuurd, kan dan bovendien de gegevensbescherming in het geding zijn. Met voornoemd inherente bezwaar hangt samen dat zo’n algemene handelwijze ook anderszins de belangen van de belanghebbende kan aantasten. Ik doel daarbij op de belangen die in de reacties van de belastingteamvoorzitters naar voren worden gebracht, te weten (i) het belang te waarborgen dat de belanghebbende een vrije vertegenwoordigingskeuze heeft in hoger beroep en (ii) het belang te voorkomen dat de gemachtigde zonder medeweten van de belanghebbende proceshandelingen verricht (zie ‎6.17). Verder is er het praktische bezwaar, waarop de teamvoorzitter bij het hof Arnhem-Leeuwaarden wijst, dat de griffier nog niet beschikt over naam en adresgegevens van degene die de belanghebbende vertegenwoordigde in beroep (zie ‎6.16). Dat bezwaar is relevant omdat de appelkennisgeving “zo spoedig mogelijk” moet worden verzonden (art. 6:14(2) in verbinding met art. 6:24 Awb). Binnen deze “zo spoedig mogelijk”-termijn hoeft in het wettelijk stelsel de appelrechter nog niet te beschikken over de stukken van het geding van de rechtbank, waaruit de bedoelde gegevens doorgaans zullen blijken. [73]
8.14
Naar mijn mening wegen de bezwaren tegen de eerste benadering zwaarder dan de voordelen. Ik zou daarom niet als opvatting willen aanvaarden dat art. 6:17 Awb in het algemeen vergt dat de appelkennisgeving wordt verzonden naar de gemachtigde in vorige instantie. Ik wijs erop dat ook bij de griffie van de Hoge Raad
nietde eerste benadering wordt gehanteerd voor de kennisgeving van het cassatieberoep indien dat beroep is ingesteld door het bestuursorgaan. De brief met die kennisgeving wordt immers gericht en verstuurd aan de belanghebbende zelf en bevat een passage over wat moet gebeuren als de belanghebbende zich laat vertegenwoordigen in cassatie. De gemachtigde in de vorige instantie krijgt ‘slechts’ een afschrift. Zie ‎6.2-‎6.3. Ik wijs er verder op dat een contra-indicatie niet te vinden is in hetgeen de wetgever heeft geregeld voor het appelexploot in dagvaardingszaken. Eerder integendeel, namelijk dat daarin een argument tegen de eerste benadering is te vinden. Voor het appelexploot in dagvaardingszaken – in zeker opzicht de civielrechtelijke tegenhanger van de appelkennisgeving door de bestuursrechter – heeft de wetgever niet verder willen gaan dan het bieden van een facultatief alternatief: de kantoorbetekening. Het appelexploot kan “ook” worden gedaan aan het kantoor van de advocaat bij wie degene voor wie het is bestemd, domicilie heeft gekozen in eerste aanleg (zie ‎7.4-‎7.6). In dagvaardingszaken heeft de wetgever dus niet zo ver willen gaan de kantoorbetekening te verplichten, ook al trad de advocaat in eerste aanleg voor diegene op.
8.15
De
tweedebenadering is dat – overeenkomstig de handelwijze bij de griffie van de Hoge Raad (zie ‎6.2) – een afschrift van de appelkennisgeving wordt verstuurd aan de gemachtigde in vorige instantie. Het voordeel van die benadering is dat de potentiële catch 22-situatie wordt doorbroken. Het procedurele belang van de belanghebbende dat de gemachtigde kennis krijgt van het instellen van het hoger beroep, wordt beschermd door toezending van het afschrift van de kennisneming. De charme van deze benadering is dat dit belang wordt beschermd zonder dat voorshands ervan wordt uitgegaan dat de belanghebbende zich ook in hoger beroep laat vertegenwoordigen. Dit brengt mee dat als uitgangspunt evenmin, althans minder, in het gedrang komt het belang te voorkomen dat de gemachtigde zonder medeweten van de belanghebbende proceshandelingen verricht. Immers, (i) de kennisgeving gaat naar belanghebbende en (ii) als de gemachtigde zich zelf meldt naar aanleiding van het afschrift zal deze een toereikende machtiging moeten overleggen. Een nadeel is wel dat ook bij deze benadering in zekere mate de vrije vertegenwoordigingskeuze van belanghebbende wordt aangetast. Door toezending van het afschrift aan de gemachtigde wordt die keuze immers toch in zekere mate beïnvloed. Verder kan nog steeds het (praktische) bezwaar spelen dat ten tijde van verzending van de appelkennisgeving de griffie bij de appelrechter nog niet beschikt over contactgegevens van de gemachtigde. Een oplossing zou kunnen zijn om te bellen met de griffie van de vorige instantie, zoals de griffie van de Hoge Raad doet (zie ‎6.4), maar ik heb er onvoldoende zicht op of dat werkbaar is in het geval van grotere zaakstromen zoals die bij de appelrechters.
8.16
Hoewel deze tweede benadering naar mij voorkomt een redelijk evenwicht weet te bereiken tussen de verschillende belangen c.q. voor- en nadelen, meen ik dat zij niet in het algemeen kan worden ‘opgelegd’ aan de appelrechters. Het versturen van het afschrift van de kennisgeving is immers niet gebaseerd op art. 6:17 Awb. Anders gezegd: er is geen juridische grond waarop een verplichting tot verzending van een afschrift van de appelkennisgeving aan de gemachtigde kan worden gebaseerd. Los daarvan zou ik de benadering ook niet aan de appelrechters willen opleggen. Zij wijkt namelijk af van de huidige werkwijze van de appelrechters, en die werkwijze levert naar mijn indruk doorgaans geen problemen op. Die indruk vindt steun in de opmerking van de teamvoorzitter bij het hof Arnhem-Leeuwarden dat een belanghebbende in vrijwel alle gevallen reageert op de kennisgeving (zie ‎6.13). De bedoelde indruk is er ook omdat mij geen eerdere zaak bekend is waarin het catch 22-probleem zich heeft gemanifesteerd, zoals (ogenschijnlijk) in de onderhavige zaak. Anders gezegd: dat in een zeldzaam geval het catch 22-probleem zich manifesteert, rechtvaardigt niet een verandering in een werkwijze die buiten zo’n geval goed functioneert.
8.17
De
derdebenadering is tot slot de benadering van de CRvB en de gerechtshoven: de kennisgeving wordt verzonden aan alleen de belanghebbende, zonder dat de gemachtigde een afschrift krijgt toegezonden. Bij deze benadering wordt het duidelijkvereiste in wezen ingevuld als een kenbaarheidsvereiste: art. 6:17 Awb vindt pas toepassing nadat door of namens de belanghebbende kenbaar is gemaakt aan de appelrechter dat de belanghebbende zich in appel laat vertegenwoordigen door een gemachtigde. De voordelen van deze benadering zijn het spiegelbeeld van nadelen van de eerste benadering. Voorkomen wordt dat een persoon over het hoger beroep wordt geïnformeerd terwijl de belanghebbende zich (nog) niet laat vertegenwoordigen in hoger beroep door die persoon. Samenhangend daarmee wordt daarmee geborgd de belangen die in de reacties van de belastingteamvoorzitters worden genoemd, te weten (i) het belang dat de belanghebbende een vrije vertegenwoordigingskeuze heeft in hoger beroep en (ii) het belang te voorkomen dat de gemachtigde zonder medeweten van de belanghebbende proceshandelingen verricht (zie ‎6.17).
8.18
Het inherente nadeel van de derde benadering is dat ook in het geval de volmacht van de gemachtigde zich uitstrekt tot een eventueel hoger beroep, de gemachtigde niet in kennis wordt gesteld van het hoger beroep. Dit brengt mee dat het catch 22-probleem zich kan manifesteren. Dat is het geval indien de belanghebbende niet reageert op het verzoek van de appelrechter om naam en adresgegevens van een eventuele gemachtigde te verstrekken en evenmin zijn gemachtigde informeert over de kennisgeving van het hoger beroep.
8.19
Gelet op dit inherente nadeel spreekt mij de benadering bij het hof Arnhem-Leeuwarden aan in het geval de belanghebbende niet reageert op het verzoek om naam en adresgegevens van een eventuele gemachtigde te verstrekken en ook niet op de uitnodiging om verweer te voeren. Als ik het goed begrijp, komt zij erop neer dat de rechter de griffier (c.q. een griffiemedewerker) verzoekt alsnog contact te zoeken met de belanghebbende zelf of desnoods met degene die hem vertegenwoordigde in beroep, telkens nog vóór het plannen van een zitting in de desbetreffende zaak (zie ‎6.13). Deze benadering spreekt mij aan om twee samenhangende redenen. Ten eerste, zij biedt een extra waarborg dat de procedurele belangen van de belanghebbende worden beschermd. Ten tweede, zij legt de verantwoordelijkheid voor het bieden van zo’n waarborg niet zozeer bij de griffier (c.q. een griffiemedewerker) maar bij de rechter.
8.2
De vraag rijst of de appelrechter ook verplicht is te handelen zoals gebeurt bij hof Arnhem-Leeuwarden. Ik zou menen van wel in het geval de belanghebbende zich in beroep heeft laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Gelet op het in ‎8.18 vermelde inherente nadeel van de derde benadering (waaronder dat het catch 22-probleem zich kan manifesteren), brengt de strekking van art. 6:17 Awb – al dan niet in combinatie met de goede procesorde, waaraan art. 6:17 Awb invulling geeft (‎4.7) – voor dat geval naar mijn mening mee dat onderzocht moet worden of de belanghebbende zich in hoger beroep laat vertegenwoordigen door de gemachtigde in beroep, indien de belanghebbende niet heeft gereageerd op de appelkennisgeving en evenmin verweer heeft gevoerd. Ik zou menen dat dit onderzoek in elk geval dient plaats te vinden bij de gemachtigde in beroep. De uitspraak van de appelrechter moet mijns inziens blijk ervan geven dat het onderzoek is verricht en welke uitkomst het heeft gehad.
Toepassing op deze zaak
8.21
In deze zaak heeft belanghebbende zich in beroep laten vertegenwoordigen door de raadsman. Vast staat dat de CRvB de appelkennisgeving alleen aan de belanghebbende heeft verzonden (‎3.5 en ‎3.7). Uit de gedingstukken volgt niet dat de raadsman enige andere brief van de CRvB over deze zaak heeft ontvangen (‎3.4-‎3.7). Het staat vast dat belanghebbende niet heeft gereageerd op de appelkennisgeving (zie ‎3.8-‎3.9) en dat hij geen verweer heeft gevoerd (zie ‎2.10).
8.22
Gelet op deze omstandigheden en op de in ‎8.20 bepleite opvatting, meen ik dat de CRvB had moeten onderzoeken of de raadsman de belanghebbende ook in hoger beroep vertegenwoordigt, en wel door de raadsman te benaderen. Uit de bestreden uitspraak blijkt niet dat de CRvB dat onderzoek heeft verricht. Gelet op de inhoud van het proces-verbaal van de zitting (zie ‎3.7) kan zelfs ervan worden uitgegaan dat het onderzoek niet is verricht.
8.23
Dit betekent dat niet vastgesteld kan worden óf de CRvB in overeenstemming met art. 6:17 Awb heeft gehandeld wat betreft verzending van de op de zaak betrekking hebbende stukken gedurende de procedure in hoger beroep. Het betekent ook dat niet vastgesteld kan worden of de griffier van de CRvB de uitspraak van de CRvB op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt door een afschrift daarvan (alleen) aan belanghebbende te verzenden en niet (ook) aan de raadsman. Dat geldt voor zowel de verzending van een afschrift op 22 juli 2024 als die op 8 augustus 2024 (zie ‎3.3). Voor de aanvang van de termijn voor het instellen van beroep in cassatie is dan van belang op welk moment de raadsman de uitspraak onder ogen heeft gekregen (zie ‎5.3-‎5.4). Uit het beroepschrift in cassatie (punt 4 en 16) meen ik af te leiden dat de stelling is dat de raadsman de uitspraak niet eerder onder ogen heeft gekregen dan op 19 september 2024, welke stelling bovendien met bewijsstukken is onderbouwd (zie ‎3.10). Hoe dan ook, er zijn voorshands in elk geval geen aanwijzingen dat de raadsman de uitspraak eerder onder ogen heeft gekregen dan zes weken voor het moment indiening van beroepschrift in cassatie, dus eerder dan 8 augustus 2024. Dit betekent dat het beroep in cassatie tijdig is ingesteld.
Subsidiair
8.24
Voor het geval de Hoge Raad geen grond ziet om de in ‎8.20 bepleite onderzoeksplicht te aanvaarden, meen ik dat getoetst moet worden of op enig moment gedurende de procedure bij de CRvB aan het duidelijkvereiste van art. 6:17 is voldaan, i.e. dat aan de CRvB duidelijk moest zijn dat belanghebbende zich laat vertegenwoordigen (vgl. ‎4.10).
8.25
Ik meen dat aan de CRvB in elk geval voorafgaand aan het vaststellen van zijn uitspraak duidelijk moest zijn dat belanghebbende zich laat vertegenwoordigen ook in hoger beroep, gelet op de volgende omstandigheden in onderlinge samenhang bezien:
1) Vanaf het moment waarop de Svb hoger beroep instelde, is de CRvB ermee bekend geweest dat de raadsman belanghebbende vertegenwoordigde in het geding bij de Rechtbank (zie ‎3.6).
2) Vanaf het moment waarop de CRvB de stukken van het geding bij de Rechtbank ontving, is hij ermee bekend geweest dat belanghebbende heeft gekozen voor domicilie ten kantore van de raadsman (zie ‎2.7).
3) Vanaf het moment waarop de Svb hoger beroep instelde, is de CRvB ermee bekend geweest dat belanghebbende op een binnenvaartschip werkt, althans in de betrokken periode maar gelet daarop mogelijk ook ten tijde van de procedure voor de CRvB. Dat werk is naar mijn mening een omstandigheid die meeweegt, nu het meebrengt dat belanghebbende niet thuis pleegt te zijn voor aaneengesloten perioden.
4) Aangezien de CRvB uit eigener beweging acht heeft geslagen op de procedure over het eerdere besluit, [74] kan hem niet zijn ontgaan dat de raadsman belanghebbende vertegenwoordigde in elke fase van de procedure over het eerdere besluit. De raadsman vertegenwoordigde hem in het geding bij de rechtbank Amsterdam, wat blijkt uit dier uitspraak [75] . Hij vertegenwoordigde hem in het geding bij de CRvB zelf, wat blijkt uit diens uitspraak [76] . En hij vertegenwoordigde hem in het geding bij de Hoge Raad, wat blijkt uit diens arrest [77] .
5) De CRvB is ervan uitgegaan dat twee afzonderlijke procedures zijn ontstaan “alleen” door een korte onderbreking in de dienstbetrekking tussen belanghebbende en de werkgever (rov. 4.3).
6) De Svb is ervan uitgegaan dat de raadsman belanghebbende vertegenwoordigt, óók in het geding bij de CRvB. In het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting bij de CRvB staat namelijk dat de gemachtigde van de Svb “verbaasd” is dat de raadsman niet is verschenen want hij heeft “nog nooit” meegemaakt dat de raadsman niet is verschenen (zie ‎3.7). Dit betekent mijns inziens dat de ervaring van de Svb haar leert dat de raadsman pleegt te verschijnen voor het onderzoek ter zitting in enige zaak die is toevertrouwd aan hem – dus ook in zaken, zoals hier, waarin de Svb appelleert nadat de raadsman heeft opgetreden in beroep. Het betekent ook dat de Svb ervan is uitgegaan dat de raadsman belanghebbende vertegenwoordigt in alle fasen van deze procedure over het primaire besluit – dus ook in het geding bij de CRvB.
7) Belanghebbende heeft geen verweer gevoerd en is niet ter zitting verschenen. In het licht van de procedure over het eerdere besluit en van de procedure voor de Rechtbank is dat op zichzelf een objectieve aanwijzing dat belanghebbende zich ook in hoger beroep laat vertegenwoordigen.
8.26
Naar mijn mening wegen deze omstandigheden duidelijk zwaarder dan de enkele omstandigheid dat belanghebbende niet heeft gereageerd op de kennisgeving en dus niet expliciet kenbaar heeft gemaakt dat hij zich laat vertegenwoordigen in hoger beroep. Daarbij weegt mee dat aan die laatste omstandigheid juist een reden ten grondslag kan liggen die maakt dat belanghebbende zich laat vertegenwoordigen.
8.27
Minder omfloerst gezegd: zeker na de door de Svb ter zitting uitgesproken verbazing, in combinatie met de inhoud van het dossier, had de CRvB toch moeten heroverwegen of zich niet het geval voordoet dat belanghebbende zich laat vertegenwoordigen. De reactie van de CRvB daarop ter zitting dat de gemachtigde van de burger niet “automatisch” wordt benaderd (zie ‎3.7), is in de omstandigheden van dit geval mijn inziens (zeer) formalistisch, beziet het geval te veel vanuit het eigen systeem van werken, en getuigt bepaald niet van het hanteren van een burgerperspectief.
8.28
Ik meen dus, als gezegd, dat aan de CRvB voorafgaand aan het vaststellen van zijn uitspraak duidelijk moest zijn dat belanghebbende zich laat vertegenwoordigen ook in hoger beroep en dat art. 6:17 Awb dus van toepassing is. Dit impliceert dat de CRvB het vooronderzoek had moeten heropenen omdat de op de zaak betrekking hebbende stukken ten onrechte niet in overeenstemming met art. 6:17 Awb eerder aan de raadsman ter beschikking zijn gesteld. Maar goed, dat heropenen is niet gebeurd en daarover gaat het op deze plaats ook niet. Hier van belang is dat het ook impliceert dat een afschrift van de uitspraak van de CRvB naar de raadsman had moeten zijn verzonden in overeenstemming met art. 6:17 Awb. Nu dat niet is gebeurd (zie ‎3.3), is de uitspraak niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Nu er geen aanwijzingen zijn dat de raadsman de uitspraak eerder onder ogen heeft gekregen dan zes weken voor het moment van indiening van het beroepschrift in cassatie, is het beroep in cassatie tijdig ingesteld (vgl. ‎8.23, slot).
Intermezzo: verhouding tot beperkte toetsing van CRvB-uitspraken in cassatie?
8.29
Gelet op de wijze waarop ik het handelen van de CRvB toets (zie ‎8.22-‎8.23 en ‎8.25-‎8.28), zou de vraag kunnen rijzen of die wijze van toetsing te verenigen is met de hierna (zie ‎9.3 e.v.) aan de orde komende beperkte bevoegdheid van de Hoge Raad om CRvB-uitspraken te beoordelen in cassatie. Ik meen dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. Het gaat op deze plaats niet om toetsing van de uitspraak van de CRvB als zodanig, maar om de ambtshalve te maken beoordeling of tijdig beroep in cassatie is ingesteld, in welk kader beoordeeld moet worden of de uitspraak op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Wat indien anders?
8.3
Voor het geval de Hoge Raad van oordeel is dat in dit geval de uitspraak van de CRvB wél op de voorgeschreven wijze wordt bekendgemaakt door verzending van een afschrift ervan aan belanghebbende zelf, rijst de vraag of de brief van 22 juli 2024 aan het juiste adres is gezonden (zie ‎3.19).
8.31
De
eerstevraag is of niet het domicilie-adres had moet worden gebruikt, zoals belanghebbende betoogt (zie ‎3.20). De CRvB heeft dat niet gedaan, maar heeft – denkelijk afgaande op informatie van de Svb in het hogerberoepschrift [78] – het in ‎3.3 genoemde eerste adres gebruikt, net zoals voor andere eerdere correspondentie met belanghebbende (zie ‎3.5). Gelet op de in het beroepschrift voor de Rechtbank gemaakte domicilie-keuze (zie ‎2.7), meen ik dat de CRvB dat eerste adres niet zonder meer had mogen gebruiken, namelijk niet zonder eerst bij belanghebbende na te gaan op welk adres hij zijn post wil ontvangen. Nu uit de gedingstukken niet volgt dat de CRvB dat laatste heeft gedaan, kan niet worden vastgesteld dat de uitspraak op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Aangezien er geen aanwijzingen zijn dat belanghebbende de uitspraak vóór 8 augustus 2024 onder ogen heeft gekregen, is het beroep in cassatie tijdig ingesteld.
8.32
Indien de Hoge Raad echter van oordeel is dat correspondentie van de CRvB wel naar het adres van belanghebbende zelf verzonden mocht worden, is de
tweedevraag of het eerste adres waarnaar de brief van 22 juli 2024 is verstuurd, wel het juiste adres van belanghebbende is op moment van verzending van die brief (zie ‎3.21). Ervan uitgaande dat dit niet het geval is, gelet op de in ‎3.21 vermelde informatie, is vervolgens de vraag of de verzending van die brief naar het onjuiste adres niettemin kan worden beschouwd als een bekendmaking van de uitspraak op de voorgeschreven wijze. Voor het antwoord op die vraag lijkt mij dienovereenkomstig HR BNB 2012/263 bepalend of die onjuiste adressering al dan niet aan de CRvB is te wijten. [79] Hoewel op dit punt mogelijk nog partijdebat moet plaatsvinden (vgl. ‎2.15), veroorloof ik me reeds de volgende opmerkingen.
8.33
De Hoge Raad heeft in HR BNB 2008/30 overwogen “dat een belastingplichtige ervan mag uitgaan dat een adreswijziging die hij doorgeeft aan de gemeentelijke basisadministratie, tevens bekend wordt bij de Belastingdienst, waarvan de adresbestanden immers zijn gekoppeld aan de gemeentelijke basisadministratie”. [80] Zie ik het goed, dan is er ook onder de huidige basisregistratie persoonsgegevens sprake van zo’n koppeling bij de Belastingdienst. [81] Zie ik het goed, dan vindt zo’n automatische koppeling daarentegen niet plaats bij de Rechtspraak, waaronder de CRvB; verstrekking van (adres)gegevens aan een rechterlijke instantie vindt namelijk plaats op verzoek van die rechterlijke instantie. [82] Het komt mij daarom voor dat de enkele omstandigheid dat een adreswijziging heeft plaatsgevonden in de basisregistratie persoonsgegevens, nog niet meebrengt dat de CRvB van die wijziging op de hoogte hoort te zijn. De enkele omstandigheid dat in dit geval het in ‎3.3 vermelde tweede adres is geregistreerd als adres van belanghebbende in de basisregistratie persoonsgegevens vanaf 19 maart 2024, brengt daarom nog niet mee dat de onjuiste adressering van de brief van 22 juli 2024 te wijten is aan de CRvB. Dit zou betekenen dat met de verzending van het afschrift van de uitspraak bij brief van 22 juli 2024 die uitspraak op voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dit zou meebrengen dat de termijn voor het instellen van beroep in cassatie is overschreden.
8.34
Dat zou dan leiden tot een
vervolgvraagnamelijk of die termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn op grond van art. 6:11 Awb. Daarbij is van belang dat de term “redelijkerwijs” in art. 6:11 Awb de bestuursrechter enige ruimte geeft om in gevallen waarin de verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening van het beroepschrift gering is, die termijnoverschrijding niet aan de indiener toe te rekenen. [83] Ik meen dat in dit geval sprake is van een dergelijke geringe verwijtbaarheid. Belanghebbende heeft de raadsman ingeschakeld om hem te vertegenwoordigen en bovendien domicilie gekozen ten kantore van de raadsman. Waar het voor belanghebbende ‘mis’ gaat, is het niet-reageren op de kennisgeving. Door die enkele fout treedt vervolgens een kettingreactie op in die zin dat zijn raadsman daarna ook overigens geen stukken van de CRvB ontvangt, waaronder de uitspraak niet. Bovendien valt ook de raadsman hooguit in geringe mate wat te verwijten. Naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank heeft de raadsman de Svb verzocht de proceskosten- en griffierechtvergoedingen over te maken op de derdengeldenrekening. [84] In antwoord daarop heeft de Svb zich voorbehouden te appelleren en toegezegd dat zij de raadsman in kennis zou stellen van haar beslissing, [85] maar de Svb heeft deze toezegging niet gestand gedaan, althans dat stelt middel 1 (zie ‎9.1) en deze feitelijke stelling is niet betwist door de Rvb-Svb.

9.Middel 1: schending van (grond)wettelijke, verdrags- of beginselwaarborgen?

Het middel

9.1
Middel 1 richt zich tegen het procesverloop bij de CRvB en valt in wezen uiteen in twee onderdelen. Het
eersteonderdeel betoogt dat de Svb ten onrechte niet een kennisgeving van het hoger beroep heeft doen toekomen aan de raadsman. Ondanks een uitlating van de Svb tijdens de hogerberoepstermijn dat zij de raadsman in kennis zou stellen van haar beslissing of zij hoger beroep zou instellen tegen de uitspraak van de Rechtbank, heeft de Svb de raadsman niet eerder in kennis gesteld van het hoger beroep dan nadat de bestreden uitspraak is gedaan. [86] Evenmin heeft de Svb een afschrift van de bestreden uitspraak verzonden aan de raadsman dan wel aan belanghebbende op het adres van de raadsman. Daardoor is art. 18(1) Gw, art. 6 EVRM, art. 47 Handvest, art. 6:5 Awb, art. 6:17 Awb en/of het beginsel van een goede procesorde geschonden, aldus het onderdeel.
9.2
Het
tweedeonderdeel betoogt dat (ook) de CRvB ten onrechte niet een kennisgeving van het hoger beroep heeft doen toekomen aan de raadsman dan wel aan belanghebbende op het adres van de raadsman. Dit is ondanks de domiciliekeuze van belanghebbende, welke keuze volgens het onderdeel niet is beperkt tot een bepaalde instantie maar zich uitstrekt tot deze zaak als geheel. Het is ook ondanks de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2014 [87] , die meebrengt dat de CRvB zo’n kennisgeving heeft moeten verzenden aan de raadsman. Dit strookt met de maatschappelijke werkelijkheid, waarin degene die zich laat vertegenwoordigen ervan uitgaat dat de rechter de gemachtigde in kennis stelt van het hoger beroep. [88] Het is daarentegen in strijd met art. 18(1) Gw, art. 6 EVRM en art. 47 Handvest wanneer de rechter de gemachtigde niet in kennis stelt daarvan, zoals hier. Hetzelfde geldt voor de bestreden uitspraak, aldus ook het onderdeel, waarvan een afschrift evenmin is verzonden aan de raadsman dan wel aan belanghebbende op diens adres.
Voorvraag: valt beoordeling van middel 1 binnen de beperkte beoordelingsbevoegdheid van de Hoge Raad?
9.3
Daarmee klagen beide middelonderdelen over schending van wettelijke bepalingen (art. 6:5 en art. 6:17 Awb), grondrechtelijke bepalingen (art. 18(1) Gw, art. 6 EVRM en art. 47 Handvest) en algemene rechtsbeginselen (het beginsel van een goede procesorde).
9.4
Voordat aan de inhoudelijke behandeling kan worden toegekomen, moet eerst worden beoordeeld of de wet ter zake van de gestelde schending van de genoemde normen wel beroep in cassatie openstelt.
9.5
Het gaat hier namelijk om een uitspraak van de CRvB over een besluit betreffende de toepasselijkheid van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op belanghebbende. Het gaat dus om de toepasselijkheid van de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw), de Algemene kinderbijslagwet (Akw) en/of de Wet langdurige zorg (Wlz). Tegen een dergelijke uitspraak van de CRvB stelt elk van deze wetten slechts beroep in cassatie open ter zake van schending of verkeerde toepassing van – wat ik noem – cassabele bepalingen. Elk van die wetten heeft een cassatiebepaling die in wezen inhoudelijk dezelfde cassabele bepalingen noemt. In het vervolg neem ik art. 53 AOW voor het gemak als uitgangspunt. [89] Art. 53(1) AOW luidt als volgt:
“Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 1, derde tot en met zevende lid, 2, 3 en 6 en de op die artikelen berustende bepalingen.”
9.6
Een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW biedt de Hoge Raad een beperkte bevoegdheid om CRvB-uitspraken te beoordelen. [90] Deze bevoegdheid strekt zich niet uit tot klachten over schending of verkeerde toepassing van bepalingen die niet met name zijn genoemd in zo’n cassatiebepaling (hierna: non-cassabele bepalingen). [91] Hetzelfde geldt voor oordelen van de CRvB over de uitleg of toepassing van non-cassabele bepalingen; ook daartoe strekt die bevoegdheid zich niet uit. [92] Nog minder strekt zij zich uit tot klachten over verzuim van vormen door de CRvB: die grond van cassatie mist in zo’n cassatiebepaling. [93] Dit geldt (dus) ongeacht of de CRvB vormen heeft verzuimd bij de toepassing van een cassabele dan wel non-cassabele bepaling.
9.7
Aangezien beide middelonderdelen klagen over schending van bepalingen die niet tot de cassabele bepalingen horen, is de Hoge Raad als uitgangspunt niet bevoegd de middelonderdelen inhoudelijk te beoordelen.
9.8
Soms acht de Hoge Raad zich echter bevoegd om klachten over CRvB-uitspraken te beoordelen, al gaan de klachten níet over schending of verkeerde toepassing van cassabele bepalingen. Dit is het geval als zij wél gaan over schending of verkeerde toepassing van bepalingen van inter- of supranationaal recht die een ruimere of juist beperktere werking geven aan een cassabele bepaling. Dan vallen de klachten alsnog binnen de beperkte bevoegdheid van de Hoge Raad. Ik noem bijvoorbeeld HR BNB 2014/92: [94]
“3.4. Bij de beoordeling van het (…) middel moet worden vooropgesteld dat beroep in cassatie tegen uitspraken van de Centrale Raad op grond van artikel 53, lid 1, van de AOW slechts mogelijk is ter zake van schending of verkeerde toepassing van (onder meer) artikel 6 en de daarop berustende bepalingen. Voor de toepassing van deze cassatiebepaling moeten klachten over een verkeerde toepassing van bepalingen van internationaal of supranationaal recht, als gevolg waarvan aan het bij of krachtens artikel 6 van de AOW bepaalde een ruimere dan wel beperktere werking wordt gegeven, worden aangemerkt als klachten over schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 6 van de AOW (…).”
9.9
Voor het antwoord op de vraag of een klacht over schending of verkeerde toepassing van een bepaling van inter- of supranationaal recht valt binnen de beperkte bevoegdheid, is beslissend of de klacht ertoe strekt dat deze bepaling van hoger recht de werking van een cassabele bepaling verruimt of beperkt. [95] Zo ja, dan valt de klacht daarbinnen en anders niet.
9.1
Beide middelonderdelen vallen mijns inziens daarbuiten. Ten eerste, zij keren zich in wezen tegen een beslissing over de verzending van de appelkennisgeving of een afschrift van de bestreden uitspraak. Zo’n beslissing berust op de Awb, die geen beroep in cassatie openstelt tegen uitspraken van de CRvB. [96] Ten tweede, voor zover de middelonderdelen klagen over schending van art. 18(1) Gw, art. 6:5 of art. 6:17 Awb, gaan zij niet over bepalingen van inter- of supranationaal recht. Dit geldt ook voor zover zij klagen over schending van het algemene rechtsbeginsel van een goede procesorde. [97]
9.11
Voor het overige klagen zij over schending van art. 6 EVRM of art. 47 Handvest. Hoewel van inter- respectievelijk supranationaal recht, valt schending van beide bepalingen mijns inziens evenzeer buiten de beperkte bevoegdheid van de Hoge Raad. Deze zaak draait erom of Nederlandse socialezekerheidswetgeving al dan niet van toepassing is op belanghebbende in de betrokken periode. Het draait dus om de vraag of hij verzekerd is op grond van art. 6 AOW (of de equivalente Anw-, Akw- of Wlz-bepaling) [98] . Noch art. 6 EVRM noch art. 47 Handvest verruimt of beperkt op zichzelf de werking daarvan, en het middel bepleit dat bovendien ook niet. Hetzelfde geldt overigens voor (schending van) art. 18(1) Gw, art. 6:5 of art. 6:17 Awb.
9.12
Beoordeling van middel 1 valt dus buiten de beperkte beoordelingsbevoegdheid van de Hoge Raad. Dit betekent dat middel 1 niet inhoudelijk kan worden beoordeeld.
Doorbreking van de beperkte beoordelingsbevoegdheid onder omstandigheden mogelijk?
9.13
Dit zou anders kunnen zijn indien wordt aanvaard dat onder (bijzondere) omstandigheden de beperkte bevoegdheid van de Hoge Raad om uitspraken van de CRvB te beoordelen kan worden ‘doorbroken’, zulks naar analogie van doorbreking van een rechtsmiddelverbod. Zo heeft de Hoge Raad in het burgerlijk procesrecht gronden aanvaard waarop een rechtsmiddelverbod kan worden doorbroken. Die zijn dat: (a) de rechter de regeling waarop zijn beslissing berust, ten onrechte niet heeft toegepast, (b) hij is getreden buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling, dan wel (c) hij zodanig essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling. [99] Overigens is ook in het bestuursprocesrecht aanvaard dat een appelverbod kan worden doorbroken indien zich een bepaalde doorbrekingsgrond voordoet. [100] Ook de belastingkamer van de Hoge Raad lijkt de mogelijkheid van doorbreking van een rechtsmiddelverbod te aanvaarden althans niet zonder meer uit te sluiten. [101]
9.14
Hoewel middel 1 niet de beperkte beoordelingsbevoegdheid van de Hoge Raad onderkent en dus ook niet met zoveel woorden een doorbreking daarvan bepleit, houdt middel 1 gelet op zijn strekking in dat doorbrekingsgrond c) zich hier voordoet. Voordat eraan kan worden toegekomen óf grond c) hier aan de orde is, moeten eerst twee prealabele vragen worden beantwoord.
9.15
De
eersteis of een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW is op te vatten als (of op een lijn is te stellen met) een rechtsmiddelverbod, i.c. een cassatieverbod. Immers, een verbod kan slechts een rechtsmiddel uitsluiten dat zonder het verbod zou hebben opengestaan in het stelsel waartoe dit verbod behoort. Als zonder een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW geen beroep in cassatie tegen CRvB-uitspraken wordt
geboden, kan het ook niet worden
verbodendoor dezelfde bepaling. En als zo’n bepaling dit rechtsmiddel al niet verbiedt, dus niet
uitsluit,kan haar doorbreking mijns inziens te minder beroep in cassatie daartegen
ontsluiten. Bepalend voor de vraag of een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW is op te vatten als een cassatieverbod, is mijns inziens of het stelsel waartoe deze cassatiebepaling behoort, in beginsel tegen CRvB-uitspraken beroep in cassatie openstelt. Zo niet, dan is geen sprake van een cassatieverbod.
9.16
Deze gedachtegang is geïnspireerd door de opvatting van Bentvelzen in zijn proefschrift over doorbreking van rechtsmiddelverboden in het burgerlijk procesrecht. Daarin schrijft de auteur over de reikwijdte van zulke verboden onder meer het volgende: [102]
“De reikwijdte van een rechtsmiddelenverbod wordt niet alleen bepaald door het verbod zelf, maar ook door het wettelijk stelsel of de regeling waarvan dat verbod deel uitmaakt. Ook los van de toepasselijkheid van een rechtsmiddelenverbod kan het zo zijn dat het geheel van toepasselijke wettelijke bepalingen de rechtsmiddelen die het civiele procesrecht kent niet steeds als uitgangspunt beschikbaar stelt. Vanzelfsprekend kan een rechtsmiddelenverbod alleen rechtsmiddelen uitsluiten die in het stelsel waarvan het verbod deel uitmaakt, bestaan.”
9.17
Het is volgens Bentvelzen dus evident dat een rechtsmiddelverbod geen ander rechtsmiddel kan uitsluiten dan die welke het stelsel waartoe het verbod behoort, in beginsel biedt. Na te zijn nagegaan welke rechtsmiddelen het stelsel van Rv in beginsel wel en ook niet biedt, concludeert hij dat: [103]
“(…) een rechtsmiddelenverbod zich nooit [kan] uitstrekken tot een rechtsmiddel dat onder de toepasselijke wettelijke bepalingen niet als uitgangspunt beschikbaar is.”
9.18
De
tweedeprealabele vraag is of een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW vatbaar is voor doorbreking. Zelfs als zo’n bepaling is op te vatten als (of op een lijn is te stellen met) een cassatieverbod, is het verbod niet zonder meer buiten toepassing te laten met een beroep op doorbrekingsgronden. Dit kan alleen in gevallen waarin het verbod vatbaar is voor doorbreking; het is dan ‘doorbreekbaar’. In andere gevallen blijft het verbod van toepassing, ongeacht of een beroep op zulke gronden zou slagen. Ter illustratie wijs ik op
NIOC / Schreuder, waarin de Hoge Raad de opvatting verlaat dat art. 39(5) Rv, dat een rechtsmiddel uitsluit tegen de beslissing op een verzoek tot wraking, doorbreekbaar is. In plaats daarvan acht hij dit artikellid voortaan niet vatbaar voor doorbreking. Hij overweegt dat: [104]
“3.5 (…) het belang van een partij om een beslissing op een verzoek tot wraking afzonderlijk aan een hogere rechter te kunnen voorleggen [legt, MP] tegenover het belang bij voortgang van de procedure (…) onvoldoende gewicht in de schaal, ook al berust het rechtsmiddel op doorbrekingsgronden. Daarom kan niet langer op doorbrekingsgronden hoger beroep of beroep in cassatie worden ingesteld van een beslissing op een verzoek tot wraking. (…).”
Behelst art. 53(1) AOW een cassatieverbod?
9.19
Ik begin met de eerste prealabele vraag: behelst een cassatiebepaling als art. 53(1) AWO een cassatieverbod? Zoals zojuist vermeld is daarvoor mijns inziens bepalend of het stelsel waartoe deze cassatiebepaling behoort,
in beginselberoep in cassatie tegen CRvB-uitspraken biedt. Ik acht niet zozeer de cassatiebepaling zelf van belang voor het antwoord daarop maar veeleer art. 78(4) Wet op de rechterlijke organisatie (RO), dat luidt als volgt (tekst sinds 1 januari 2013): [105]
“De Hoge Raad neemt kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voorzover dit bij wet is bepaald.”
9.2
Dit art. 78(4) is ingevoerd met ingang van 1 januari 2002, [106] hoewel de Hoge Raad al langer kennisneemt van het beroep in cassatie in sommige CRvB-zaken. Sindsdien biedt dat art. 78(4) in verbinding met een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW een expliciete wettelijke grondslag voor de Hoge Raad ter beoordeling van klachten over schending of verkeerde toepassing van cassabele bepalingen.
9.21
In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot art. 78(4) RO, wijst de regering onder meer op een advies van de President van en de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad. Zij hebben gevraagd of een destijds geldende bepaling voor beroep in cassatie tegen CRvB-uitspraken moest worden toegevoegd aan dit ontwerp. Naar aanleiding daarvan is het huidige art. 78(4) RO toegevoegd, waarin de mogelijkheid van beroep in cassatie tegen uitspraken van (inmiddels) de bestuursrechter uitdrukkelijk is voorbehouden aan de wetgever, aldus de regering: [107]
“Zowel de president van en procureur-generaal bij de Hoge Raad als een senior-secretaris bij de sector bestuursrecht van de arrondissementsrechtbank Rotterdam, vroegen zich af of artikel 18c Coördinatiewet Sociale Verzekeringen niet zou moeten worden opgenomen in dit artikel. Momenteel staat ingevolge diverse sociale zekerheidswetten (o.a. de Ziektewet, de Algemene bijstandswet, de Algemene Kinderbijslagwet, de Toeslagenwet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering) beroep in cassatie open tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. Voor deze constructie is door de formele wetgever destijds gekozen om zodoende tegenstrijdige jurisprudentie te voorkomen over dezelfde wettelijke begrippen (bijv. het begrip loondienst) waarover beide rechtscolleges mogen oordelen. In navolging van eerdergenoemde adviseurs hebben wij een nieuw vierde lid ingevoegd, waarin in algemene zin – maar uitdrukkelijk op basis van formele wetgeving – beroep in cassatie mogelijk is tegen uitspraken van de administratieve rechter.”
9.22
In de nota naar aanleiding van het verslag licht de regering toe dat beroep in cassatie al openstaat tegen uitspraken van de bestuursrechter in alle belastingzaken en ook in sommige zaken van de CRvB (en van het College voor Beroep van het Bedrijfsleven; CBb). Daarom acht zij het voorgestelde art. 2.5.7(4) (het huidige art. 78(4) RO) nodig: [108]
“(…) Artikel 2.5.7, vierde lid, is nodig, omdat de wet reeds thans beroep in cassatie openstelt tegen bepaalde uitspraken van bepaalde administratieve rechters. Zo staat beroep in cassatie open tegen uitspraken van de gerechtshoven in belastingzaken, alsmede tegen bepaalde uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven, voor zover daarbij ook voor het fiscaal recht relevante begrippen worden uitgelegd (…). (…)”
Voor zover ik heb kunnen nagaan, is het voorgestelde art. 2.5.7(4) niet nader toegelicht in de daaropvolgende parlementaire behandeling van het desbetreffende wetsontwerp.
9.23
Uit de in ‎9.21 en ‎9.22 aangehaalde passages tezamen volgt mijns inziens dat art. 78(4) RO geen verdergaande strekking heeft dan een toereikende grondslag te codificeren voor de gevallen waarin de Hoge Raad destijds al kennisnam (en nog steeds kennisneemt) van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter. Dat artikellid strekt dus niet ertoe (ook) zo’n grondslag te modificeren – laat staan: te creëren – voor andere gevallen. Sterker nog, het is voorbehouden aan de wetgever of en, zo ja, welke grondslag te bieden daarvoor (of niet). Dit volgt uit de tekst van het artikellid (zie ‎9.19). Het volgt ook uit die passages (zie ‎9.21).
9.24
Dezelfde opvatting is mijns inziens te vinden bij de Hoge Raad zelf. In gevallen waarin het beroep in cassatie zich richt tegen een uitspraak van de bestuursrechter waartegen de wet dit rechtsmiddel niet openstelt, pleegt hij het beroep in cassatie niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe acht de Hoge Raad steeds redengevend dat hij
alleenkennisneemt daarvan voor zover dit bij wet is bepaald, onder verwijzing naar art. 78(4) RO. Zo noem ik uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS): [109]
“Op grond van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad alleen kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald. Er is geen wettelijke bepaling die beroep in cassatie openstelt tegen een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als deze, die is gedaan in een geschil betreffende artikel 6 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen en artikel 3, tweede en vierde lid, van de Verordening naamgeving en nummering (adressen) Delft 2022. Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.”
9.25
Op vergelijkbare gronden verklaart de Hoge Raad een beroep in cassatie niet-ontvankelijk indien dat is gericht tegen een uitspraak van het CBb waartegen de wet geen beroep in cassatie openstelt. [110]
9.26
Ook een beroep in cassatie tegen een uitspraak van de CRvB waartegen de wet evenmin beroep in cassatie biedt, acht de Hoge Raad niet-ontvankelijk met een vergelijkbare redengeving: [111]
“Op grond van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad alleen kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald. Er is geen wettelijke bepaling die beroep in cassatie openstelt tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep als deze, die is gedaan op verzet tegen een met toepassing van artikel 8:54 Awb gedane uitspraak. Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.”
9.27
Uit deze vaste rechtspraak leid ik af dat (ook) de Hoge Raad zelf ervan uitgaat dat het stelsel waartoe een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW behoort, in beginsel niet beroep in cassatie openstelt tegen uitspraken van de bestuursrechter. Dit is “alleen” in zoverre anders als zo’n bepaling het tegendeel inhoudt. Het is bij beroep in cassatie tegen CRvB-uitspraken dus alleen anders voor zover de klachten gaan over schending of verkeerde toepassing van cassabele bepalingen (of daarmee gelijk te stellen bepalingen van inter- of supranationaal recht). Alleen in zoverre biedt dit stelsel toch beroep in cassatie. Voor het overige berust dat stelsel op het uitgangspunt dat beroep in cassatie niet openstaat daartegen, net zo min als bijvoorbeeld tegen uitspraken van de ABRvS beroep in cassatie openstaat.
9.28
Aangezien het stelsel waartoe een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW behoort, in beginsel geen beroep in cassatie biedt tegen CRvB-uitspraken, is zo’n bepaling mijns inziens niet op te vatten als een cassatieverbod.
Is art. 53(1) AOW vatbaar voor ‘doorbreking’, als het (wel) neerkomt op een cassatieverbod?
9.29
De vraag kan rijzen of het beeld anders wordt als men de blik wendt van dat stelsel naar een geval als dit, waarin niet alle maar wel een deel van de klachten vallen binnen de beperkte beoordelingsbevoegdheid van de Hoge Raad. Dit laatste geldt namelijk voor middel 2. Het middel klaagt immers over verkeerde toepassing van art. 13 Basisverordening [112] en art. 14(8) Toepassingsverordening [113] (zie ‎10.1). Aangezien beide bepalingen een ruimere of beperktere werking geven aan art. 6 AOW (of de equivalente Anw-, Akw- of Wlz-bepaling), vallen de klachten over hun verkeerde toepassing wél binnen de beperkte bevoegdheid van de Hoge Raad. [114]
9.3
Met de blik op het stelsel waartoe een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW behoort, herhaal ik dat mijns inziens in beginsel
nietberoep in cassatie openstaat tegen CRvB-uitspraken. Maar met de blik op een geval als dit kan men betogen dat in beginsel
welberoep in cassatie openstaat daartegen want een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW stelt beroep in cassatie open voor klachten over schending of verkeerde toepassing van cassabele bepalingen, zoals middel 2 aanvoert. Daarvan uitgaande kan men betogen dat eenzelfde cassatiebepaling voor een geval als dit neerkomt op een cassatieverbod voor zover zij andere klachten uitsluit van het beroep in cassatie, zoals middel 1.
9.31
Dit brengt mij bij de tweede prealabele vraag: is een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW ‘doorbreekbaar’, als zij neerkomt op een cassatieverbod? Bij de beantwoording van deze vraag ga ik dus – veronderstellenderwijs – ervan uit dat zo’n cassatiebepaling is op te vatten als een cassatieverbod voor zover zij andere klachten dan schending of verkeerde toepassing van cassabele bepalingen (of daarmee gelijk te stellen bepalingen van inter- of supranationaal recht) uitsluit.
9.32
Eén van de redenen waarom een rechtsmiddelverbod niet ‘doorbreekbaar’ wordt geacht, is dat de wetgever tot uitdrukking heeft gebracht dat het desbetreffende verbod niet vatbaar is voor doorbreking op één of meer doorbrekingsgronden. [115] In dit verband wijs ik op – zij het
a contrario
[...] / [...]. Aan de orde is dat [...] in een deelgeschilprocedure op de voet van art. 1019w Rv een verklaring voor recht verzoekt dat [...] aansprakelijk is voor letselschade van [...] , en dat de kantonrechter dit verzoek toewijst bij beschikking. Volgens art. 1019bb Rv staat geen voorziening open tegen de beschikking. In geschil is of dit rechtsmiddelverbod kan worden doorbroken. De Hoge Raad beslist van wel. Hij acht daartoe mede redengevend dat uit bepaalde passages uit de parlementaire geschiedenis [116] blijkt dat de wetgever aan de rechter heeft willen overlaten of dat verbod kan worden doorbroken: [117]
“5.4 Uit de hiervoor (…) geciteerde passages uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever meent dat het openstellen van een rechtsmiddel in de deelgeschilprocedure zich bezwaarlijk verdraagt met de ratio van die procedure, maar aan de rechtspraak heeft willen overlaten of de in art. 1019bb Rv voorgeschreven uitsluiting van rechtsmiddelen kan worden doorbroken.
Als uitgangspunt heeft dan te gelden dat een zodanige doorbreking mogelijk is op de hiervoor in 5.2 vermelde [doorbrekingsgronden, MP]. Er is geen aanleiding om ten aanzien van het rechtsmiddelenverbod van art. 1019bb Rv anders te oordelen. Daarbij verdient het volgende opmerking.
De beschikking op een deelgeschil als bedoeld in art. 1019w Rv kan bindende eindbeslissingen behelzen op geschilpunten die de materiële rechtsverhouding tussen partijen betreffen. In dat geval staat in zoverre een rechtsmiddel open (art. 1019cc lid 3 Rv), en daarin zou aanleiding kunnen worden gevonden om doorbreking niet toe te staan (…). De beschikking kan echter ook beslissingen van andere aard omvatten, en niet steeds behoeft op voorhand duidelijk te zijn wat de precieze reikwijdte van zodanige beslissingen is. Ook in de parlementaire geschiedenis wordt onderkend dat grensgevallen denkbaar zijn tussen beslissingen die ingrijpen in de materiële rechtsverhouding van partijen en beslissingen over meer processuele aspecten. (…).
Of een bepaald wettelijk rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken, vraagt uit een oogpunt van rechtszekerheid om een ondubbelzinnig antwoord. Gezien de fundamentele strekking van de hiervoor in 5.2 bedoelde rechtspraak, zal dat antwoord de rechtsbescherming moeten waarborgen die in die rechtspraak wordt verleend.
5.5
Daarom moet worden aangenomen dat de hiervoor in 5.2 weergegeven doorbrekingsgronden kunnen worden ingeroepen met betrekking tot een beschikking op de voet van art. 1019w Rv, ongeacht of een rechtsmiddel in de zin van art. 1019cc lid 3 Rv openstaat of zal openstaan. (…)”
9.33
Hoe anders is het bij een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW. Daarbij heeft de wetgever niet aan de rechtspraak willen overlaten of zij vatbaar is voor doorbreking. Integendeel. Het is uitdrukkelijk voorbehouden aan de wetgever of en, zo ja, in welke gevallen buiten zo’n cassatiebepaling beroep in cassatie zal openstaan tegen uitspraken van de bestuursrechter (zie ‎9.21). Dit voorbehoud brengt mijns inziens in wezen tot uitdrukking dat de wetgever zelf heeft uitgesloten dat eenzelfde cassatiebepaling kan worden doorbroken op één of meer doorbrekingsgronden, in tegenstelling tot art. 1019w Rv.
9.34
Men kan mij tegenwerpen dat het voorbehoud behoort tot de wetsgeschiedenis van art. 78(4) RO en niet die van een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW, terwijl zo’n cassatiebepaling juist fungeert – naar ik hier veronderstel – als een cassatieverbod. Deze tegenwerping overtuigt mij niet. Zij ziet eraan voorbij dat het voorbehoud daarmee niet is beperkt tot art. 53(1) AOW maar zich uitstrekt tot elk van de equivalente Anw-, Akw- en Wlz-cassatiebepalingen. Immers, dit art. 78(4) biedt de wettelijke grondslag waarop de Hoge Raad kennisneemt van klachten over schending of verkeerde toepassing van cassabele bepalingen (zie ‎9.20). Verder ziet die tegenwerping eraan voorbij dat de wetgever geen van de cassatiebepalingen heeft hoeven wijzigen toen hij dat art. 78(4) invoerde; destijds heeft hij slechts (alsnog) die wettelijke grondslag hoeven formuleren (zie ‎9.22).
9.35
De bedoeling van de wetgever is niet de enige reden waarom een rechtsmiddelverbod niet ‘doorbreekbaar’ wordt geacht. Een andere reden is de strekking van het desbetreffende rechtsmiddelverbod, die zich kan verzetten tegen doorbreking daarvan. In dat verband noem ik art. 332(1) Rv, dat hoger beroep openstelt in dagvaardingszaken over – kort gezegd –vorderingen van € 1.750 of meer. Dit art. 332(1) is dus een appelverbod voor vorderingen tot € 1.750. Het heeft als strekking, aldus de Hoge Raad: [118]
“(…) dat geen hoger beroep behoort open te staan in zaken waarvan het betrekkelijk geringe financiële belang niet opweegt tegen de tijd en kosten die gemoeid zijn met de behandeling van de zaak in hoger beroep. (…)”
9.36
Deze strekking brengt met zich dat het appelverbod niet kan worden doorbroken op één of meer doorbrekingsgronden. Zou het anders zijn, dan wordt het appelverbod doorbroken in zaken waarin de omvang van het financiële belang überhaupt geen behandeling in hoger beroep rechtvaardigt. Dit is vaste rechtspraak van de Hoge Raad. [119]
9.37
Het is mijns inziens vergelijkbaar bij een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW. Zoals A-G Wattel heeft uiteengezet in een gemeenschappelijke bijlage van 7 april 2021 [120] , volgt uit de wetsgeschiedenis van de AOW-, Anw-, Akw- en Wlz-cassatiebepalingen dat zij zo beperkt mogelijk moeten worden uitgelegd, in die zin dat deze bepalingen slechts beroep in cassatie openstellen tegen CRvB-uitspraken die van belang zijn voor coördinatie van premieheffing met loonheffing. In de bijbehorende conclusies van 7 april 2021 [121] leidt A-G Wattel daaruit af dat die cassatiebepalingen ertoe strekken om tegenstrijdige rechtspraak van rechterlijke instanties over dezelfde begrippen te voorkomen en daarmee een rechtseenheidsrisico te beperken. Positief gezegd, een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW heeft als strekking dat beroep in cassatie
uitsluitendbehoort open te staan voor klachten voor zover zij gaan over schending of verkeerde toepassing van cassabele bepalingen (of daarmee gelijk te stellen bepalingen van inter- of supranationaal recht). Of negatief gezegd, zo’n cassatiebepaling heeft als strekking dat
geenberoep in cassatie behoort open te staan voor andere klachten, die dus gaan over schending of verkeerde toepassing van non-cassabele bepalingen (of zelfs verzuim van vormen). Nog anders gezegd, zoals geen hoger beroep behoort open te staan in dagvaardingszaken als een toereikend financieel belang mist, zo ook behoort geen beroep in cassatie open te staan tegen CRvB-uitspraken voor zover een rechtseenheidsbelang mist. Een doorbrekingsgrond heelt het gemis van zo’n belang niet.
9.38
Zelfs als ik – veronderstellenderwijs – ervan uitga dat een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW een cassatieverbod is voor een geval als dit, dan nog meen ik dus om elk van de in ‎9.33 en ‎9.37 weergegeven redenen dat het verbod niet ‘doorbreekbaar’ is. Ook daarom is dit verbod mijns inziens niet terzijde te stellen met een beroep op een of meer doorbrekingsgronden. Aan de beoordeling óf een doorbrekingsgrond zich voordoet in dit geval, wordt daarom niet toegekomen.
Slotsom
9.39
Omdat middel 1 geen klachten bevat over schending of verkeerde toepassing van cassabele bepalingen (of van daarmee gelijk te stellen bepalingen van inter- of supranationaal recht), valt beoordeling van het middel buiten de beperkte beoordelingsbevoegdheid van de Hoge Raad (‎9.3-‎9.12). Dat zou anders kunnen zijn indien wordt aanvaard dat onder (bijzondere) omstandigheden de beperkte beoordelingsbevoegdheid kan worden ‘doorbroken’. Ik meen echter dat dit niet kan worden aanvaard reeds omdat een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW niet op een lijn is te stellen met een cassatieverbod, gelet op het stelstel waartoe deze cassatiebepaling behoort (‎9.19-‎9.28). Als ervan wordt uitgegaan dat in een geval als dit de cassatiebepaling wel neerkomt op een cassatieverbod, dan meen ik dat het cassatieverbod niet doorbreekbaar is (‎9.29-‎9.38). Er wordt dus niet toegekomen aan de vraag óf zich een doorbrekingsgrond voordoet.
9.4
De omstandigheid dat beoordeling van middel 1 buiten de beperkte beoordelingsbevoegdheid van de Hoge Raad valt, heeft in een geval als dit geen betekenis voor de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie. Dit geval kenmerkt zich erdoor dat niet alle maar wel een deel van de klachten vallen binnen de beperkte beoordelingsbevoegdheid van de Hoge Raad (zie ‎9.29). In een dergelijk geval pleegt de Hoge Raad het beroep in cassatie ontvankelijk te achten, ook voor zover de klachten daarbuiten vallen. [122] In zoverre is het beroep in cassatie dus niet gedeeltelijk niet-ontvankelijk. Deze handelwijze stemt overeen met de regel dat het niet in het stelsel van de AWR past dat een rechtsmiddel gedeeltelijk niet-ontvankelijk is. [123] Denkelijk acht de Hoge Raad deze regel van overeenkomstige toepassing in een geval als dit, waarop immers dat stelsel van overeenkomstige toepassing is volgens art. 53(2) AOW.
9.41
De omstandigheid dat beoordeling van middel 1 buiten de beperkte beoordelingsbevoegdheid van de Hoge Raad valt, brengt wel mee dat het middel niet tot cassatie kan leiden.

10.Middel 2: verkeerde toepassing van Basis- en Toepassingsverordeningen?

Het middel

10.1
Anders dan de Rechtbank (zie ‎2.9), heeft de CRvB geoordeeld dat de Svb terecht op grond van een beredeneerd vermoeden de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing heeft verklaard op belanghebbende in de betrokken periode (rov. 4.3; zie ‎2.11). Dat vermoeden van de Svb is meer specifiek dat belanghebbende een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland heeft verricht (zie rov. 1.6 en rov. 3.1). Het middel betoogt dat de CRvB bij zijn oordeel omstandigheden in aanmerking heeft genomen die niet van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of belanghebbende een substantieel gedeelte daarvan heeft verricht in Nederland. Daardoor heeft de CRvB art. 13 Basisverordening en art. 14(8) Toepassingsverordening toegepast op verkeerde wijze, aldus het middel.
Beoordeling van middel 2
10.2
Het middel richt zich mijns inziens niet tegen de
aanleidingvoor het vermoeden waarvan de Svb is uitgegaan bij de beoordeling welke wetgeving van toepassing is op belanghebbende in de betrokken periode. Deze aanleiding is geweest dat hij – kort en goed – onvoldoende gegevens heeft verstrekt om te kunnen bepalen welk gedeelte van zijn werkzaamheden is verricht in Nederland (zie ‎2.4). Ik lees in het middel noch in de toelichting dat het daarover klaagt.
10.3
Middel 2 klaagt mijns inziens over de omstandigheden waarop het vermoeden berust dat belanghebbende een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden heeft verricht in Nederland. Die omstandigheden zijn dat: (a) belanghebbende woont in Nederland, en (b) hij werkt op een schip van een in Nederland gevestigde eigenaar en exploitant, beide in de betrokken periode (zie ‎2.4). In de toelichting op het middel betoogt belanghebbende dat bij de beoordeling of belanghebbende al dan niet substantieel in Nederland heeft gewerkt, geen rekening mag worden gehouden met beide omstandigheden, gelet op HR BNB 2024/55. [124]
10.4
De tweede prejudiciële vraag in HR BNB 2024/55 is of onder meer rekening mag worden gehouden met: (a) de woonplaats van de werknemer, en (b) de plaats van vestiging van de eigenaar en exploitant van het binnenvaartschip, bij de beoordeling of iemand die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, een substantieel gedeelte daarvan verricht in de woonstaat als bedoeld in art. 14(8) Toepassingsverordening. Ik leid uit
Hakampaf dat daarmee geen rekening mag worden gehouden want dit art. 14(8) moet aldus worden uitgelegd dat (mijn cursivering): [125]
“(…) het bevoegde orgaan bij de beoordeling of een persoon die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten een substantieel gedeelte van die werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont, in het kader van een algemene beoordeling van de situatie van die persoon moet nagaan of ten minste 25 % van zijn arbeidstijd en/of bezoldiging in die staat wordt verricht en/of verkregen.
In dit verband mag geen rekening worden gehouden met andere omstandigheden of criteria. (…)”
10.5
Dit volgt mijns inziens niet alleen uit de verklaring voor recht in
Hakampmaar ook uit de overwegingen die het HvJ daartoe bezigt. Ik citeer (en cursiveer):
“48 In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat de laatste alinea van artikel 14, lid 8, van verordening nr. 987/2009, volgens welke in het kader van een algemene beoordeling van de situatie van de betrokken werknemer moet worden nagegaan of de drempel van 25 % is bereikt, uitdrukkelijk verwijst naar de „bovengenoemde” criteria, dat wil zeggen, in het geval van werkzaamheden in loondienst, de criteria inzake arbeidstijd en/of bezoldiging,
met uitsluiting van elk ander criterium.
49 Dat deze toetsing van de genoemde criteria wordt verricht in het kader van een algemene beoordeling van de situatie van de betrokken werknemer,
betekent niet dat andere criteria mogen worden toegevoegd, maar dat alle werkzaamheden in loondienst van die werknemer in aanmerking moeten worden genomen.
(…)
52 De uitlegging dat een aandeel van minder dan 25 % voor de criteria inzake arbeidstijd en/of bezoldiging
niet kan worden gecompenseerd door rekening te houden met andere criteria, wordt ook bevestigd door de toelichtingen in de Praktische gids, een document dat naar zijn aard geen bindende rechtskracht heeft. (…).
53 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat artikel 14, lid 8, van verordening nr. 987/2009 aldus moet worden uitgelegd dat, om te kunnen aannemen dat een persoon een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in loondienst verricht in de lidstaat waar hij woont, de drempel van 25 % van de arbeidstijd en/of de bezoldiging in die lidstaat moet worden bereikt,
zonder dat de inaanmerkingneming van andere criteria kan compenseren dat niet voldaan is aan de bovengenoemde criteria.
54 Hieruit volgt dat in een geval als dat in het hoofdgeding, waarin vaststaat dat de werknemer 22 % van zijn werkzaamheden in loondienst heeft verricht in de lidstaat waar hij woont, (…), de conflictregel van artikel 13, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 niet op hem kan worden toegepast, (…).
55 Uit het voorgaande volgt dat
geen rekening hoeft te worden gehouden met andere criteriaom te bepalen of de betrokken werknemer een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in loondienst verricht in de lidstaat waar hij woont.”
10.6
Gelet op
Hakamp, meen ik dat het middel terecht betoogt dat het vermoeden van de Svb dat belanghebbende een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland heeft verricht, berust op omstandigheden waarmee geen rekening mag worden gehouden.
10.7
De vraag is of het middel ook tot cassatie kan leiden. Bij enge lezing van rov. 4.3 van de CRvB is dat niet evident. De overwegingen in rov. 4.3 gaan grotendeels niet over het vermoeden zelf, maar over (i) het door de Svb gedane onderzoek, (ii) (een waardering van) de informatielevering door belanghebbende en de werkgever en (iii) de bewijslast/risico-verdeling. Over die overwegingen klaagt belanghebbende niet. Overigens zouden klachten daarover tevergeefs zijn geweest aangezien de Hoge Raad slechts bevoegd is om rechtsklachten betreffende cassabele bepalingen of daarmee gelijk te stellen bepalingen van inter- of supranationaal recht te beoordelen.
10.8
De overweging van de CRvB in rov. 4.3 die wél over het vermoeden gaat, getuigt bovendien strikt en op zichzelf gelezen niet van een onjuiste rechtsopvatting over dergelijke bepalingen. Het gaat om de overweging “De Svb heeft daarom, bij gebrek aan objectief verifieerbare individuele informatie, terecht op grond van een beredeneerd vermoeden vastgesteld dat over de periode in geding niet de wetgeving van Liechtenstein maar die van Nederland op betrokkene van toepassing is”. Dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing is, kan immers worden gegrond – zonder art. 13 Basisverordening en art. 14(8) Toepassingsverordening te schenden – op een beredeneerd vermoeden dat belanghebbende een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden heeft verricht in Nederland. De CRvB laat zich niet met zoveel woorden uit over het vermoeden als zodanig. Zo al gezegd zou kunnen worden dat de CRvB daarmee zijn uitspraak onvoldoende met redenen heeft omkleed, is dat geen grond voor cassatie gelet op de beperkte beoordelingsbevoegdheid.
10.9
Ik meen echter dat de bedoelde enge lezing van de uitspraak geen recht doet aan de zaak. Het bestreden besluit van de Svb steunt immers onmiskenbaar mede op een vermoeden dat berust op (enkel) omstandigheden die dat vermoeden juist niet kunnen dragen. Verder dwingt de uitspraak van de CRvB niet tot de bedoelde enge lezing. Ik meen namelijk, met belanghebbende in punt 18 van de toelichting, dat in de context van de zaak de uitspraak zo begrepen kan (en zou moeten) worden dat in het oordeel van de CRvB in rov. 4.3 (klaarblijkelijk) besloten ligt dat de CRvB ook het beredeneerde vermoeden van de Svb als zodanig onderschrijft, dus onderschrijft dat de door de Svb in aanmerking genomen omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat belanghebbende een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden heeft verricht in Nederland. Daarvoor zie ik ook steun in de verwijzing door de CRvB in rov. 4.3 naar zijn eerdere uitspraak van 22 oktober 2020, [126] waarin op het punt van het beredeneerde vermoeden (rov. 10.3) namelijk weer wordt verwezen naar onder meer de uitspraak van de CRvB van 28 augustus 2019, rov. 12.2.1-12.2.3. [127] De CRvB overweegt daarin dat als – kort gezegd – de werknemer en de werkgever tekortschieten in de verstrekking van gegevens, “de Svb daar gevolgen aan [mag] verbinden, in die zin dat dan (…), voorlopig, mag worden aangenomen dat in Nederland wonende werknemers die hebben gewerkt op door Nederlandse ondernemingen geëxploiteerde Rijnvaartschepen, in de betrokken tijdvakken een substantieel gedeelte van hun werkzaamheden hebben verricht in Nederland.” Het is bovendien bekend uit bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB die heeft geleid tot het arrest
Hakampdat de CRvB bestendig uitging van de (onjuiste) opvatting dat met de in ‎10.3 vermelde omstandigheden rekening mag worden gehouden bij de toepassing van art. 13 Basisverordening en art. 14(8) Toepassingsverordening. [128]
10.1
Ik wijs er daarnaast – en ten overvloede – op dat geenszins kan worden uitgesloten dat de onjuiste opvatting van de CRvB over de relevantie van de zojuist bedoelde omstandigheden voor de beoordeling of belanghebbende een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden heeft verricht in Nederland, ook van betekenis is geweest bij zijn oordeel dat de Svb toereikend onderzoek heeft gedaan en/of zijn oordeel dat, anders dan de Rechtbank had geoordeeld in verband het lange tijdsverloop (zie ‎2.9), op belanghebbende niet een lichtere bewijslast rust. Dat zijn weliswaar oordelen die als zodanig buiten de beperkte beoordelingsbevoegdheid van de Hoge Raad vallen, maar het is wel goed om dit in het achterhoofd te houden bij beantwoorden van de vraag hoe ruim of strikt de uitspraak gelezen dient te worden.
10.11
Terugkomend op de in ‎10.7 geformuleerde vraag: aangezien ik een lezing van de uitspraak voorsta zoals vermeld in ‎10.9, leidt het middel ook tot cassatie. Indien de Hoge Raad het daarmee eens is, moet mijns inziens terugwijzing volgen voor een nieuw onderzoek naar de vraag welke socialezekerheidswetgeving van toepassing is op belanghebbende in de betrokken periode. Bijvangst daarvan is dat ook in het opzicht van procedurele rechtvaardigheid daarmee recht wordt gedaan aan deze zaak: belanghebbende krijgt daarmee alsnog een (meer)
fair trialin hoger beroep. Bij cassatie op grond van middel 2, zou behandeling van middel 1 dan ook achterwege kunnen blijven.
10.12
Tot slot, aangezien uit het beroepschrift in cassatie onmiskenbaar volgt dat de raadsman te kennen geeft dat hij belanghebbende in de gehele rechtsgang voor deze zaak vertegenwoordigt, geef ik de Hoge Raad in overweging om – bij wijze van terugwijzingsinstructie – op te merken dat de CRvB in de procedure na terugwijzing de stukken (ook) moet doen toekomen aan de raadsman in overeenstemming met art. 6:17 Awb.

11.Conclusie

Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal

Voetnoten

1.Vgl. M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 345 over de relevante gezichtspunten bij de beslissing om al dan niet overwegingen aan de ontvankelijkheid te wijden indien het beroep in cassatie ontvankelijk is.
2.Deze weergave van de feiten is gebaseerd op de feitenvaststelling in onderdeel 1 van de uitspraak van de CRvB, met dien verstande dat ik het wat anders heb gestructureerd en dat ik ook gegevens uit feitenvaststelling in onderdeel 1 van de uitspraak van de Rechtbank erbij heb betrokken. Indien een feit is gebaseerd op een ander onderdeel van de uitspraak van de CRvB of de Rechtbank, vermeld ik dat.
3.Zie Rechtbank, rov. 6.1.
4.Zie Rechtbank, rov. 6.2.
5.Zie Rechtbank, rov. 4.
6.Dat besluit heeft geleid tot de zaak die bij de Hoge Raad bekend is onder nr. 20/04016. Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard met toepassing van art. 81(1) Wet RO. Zie HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:610.
7.Zie het pro-formaberoepschrift van 26 augustus 2022 (dossierstuk A2).
8.Rechtbank Noord-Nederland 22 september 2023, nr. 22/3212, ECLI:NL:RB:NNE:2023:4326.
9.CRvB 18 juli 2024, nr. 23/3018 AOW, ECLI:NL:CRVB:2024:1489.
10.CRvB 22 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2609.
11.Vgl. HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:343, BNB 2022/51, rov. 2.3.
12.Vgl. HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1153, BNB 2021/140, rov. 4.3.2.
13.Zie de brief van 22 juli 2024 van de griffier van de CRvB voor belanghebbende. Deze brief is het stuk met nummer 21 van de tot de gedingstukken behorende, zogeheten i-stukken.
14.Zie de brief van 8 augustus 2024 van de griffier van de CRvB voor belanghebbende (i-stuk met nummer 23).
15.Zie de brief van 7 november 2023 van de griffier van de CRvB voor belanghebbende (i-stuk met nummer 4).
16.Zie de brief van 11 december 2023 van de griffier van de CRvB voor belanghebbende (i-stuk met nummer 12).
17.Zie de (aangetekende) brief van 28 maart 2024 van de griffier van de CRvB voor belanghebbende (i-stuk met nummer 16). Zie ook de daaraan voorafgaande brief van 30 januari 2024 van de griffier van de CRvB voor belanghebbende (i-stuk met nummer 14).
18.De brief waarbij het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank is doorgestuurd (i-stuk met nummer 9) en de brief waarbij is medegedeeld dat de uitspraaktermijn is verdaagd (i-stuk met nummer 18).
19.Zie de brief van 26 oktober 2023 van de Svb waarbij (pro forma) hoger beroep is ingesteld (i-stuk met nummer 1). De vertegenwoordiging door de raadsman volgt ook uit de uitspraak van de Rechtbank (p. 1), waarvan de Svb een afschrift heeft overgelegd aan de CRvB op hetzelfde moment; zie de bijlage bij de brief van 26 oktober 2023 van de Svb voor de CRvB (i-stuk met nummer 2).
20.Zie het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting van de CRvB op 26 april 2024, p. 1.
21.Zie de brief van 7 november 2023 van de griffier van de CRvB voor belanghebbende (i-stuk met nummer 4).
22.Zie M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 225 en voetnoot 135. Zie ook E.B. Pechler, Belastingprocesrecht (Fiscale Monografieën nr. 107), Deventer: Kluwer 2009, p. 329.
23.Vgl. HR 22 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4808, BNB 2008/218, rov. 3.4, en HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3103, BNB 2004/422, rov. 1. Beide arresten zijn gewezen onder de vigeur van de Awb. Vgl. reeds HR 16 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2769, BNB 1999/287, rov. 3, dat is gewezen onder de vigeur van de Wet administratieve rechtspraak in belastingzaken.
24.Zie de brief van 28 maart 2024 van de griffier van de CRvB voor belanghebbende (i-stuk met nummer 16).
25.Vgl. HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7458, BNB 2011/292, rov. 3.3.3: “Indien een partij niet ter zitting van het Hof is verschenen dient de uitspraak van het Hof de feiten in te houden waaruit blijkt dat de aan deze partij gerichte uitnodiging voor die zitting tijdig en op regelmatige wijze op het betrokken adres is aangeboden.”
26.Stb. 1993, 693.
27.Stb. 1994, 1.
28.Zie art. II(B) van de Wet van 13 juli 2016, Stb. 2016, 288. Zie art. III(1) van het Besluit van 24 april 2017, Stb. 2017, 174, voor de inwerkingtreding daarvan.
29.Zie Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, p. 104. Daartoe is de term ‘ter beschikking stellen’ geschikter geacht dan de term ‘zenden’. Zie Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, p. 41.
30.Zie Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nrs. 1-2, p. 16.
31.Zie Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nrs. 1-2, p. 12.
32.Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. B, p. 50 rk.
33.Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 136. De memorie van toelichting noemt geen rechtspraak van de Hoge Raad, maar gewezen kan worden op bijvoorbeeld reeds HR 24 september 1930, B. 4821 wat betreft de verzending van een uitspraak op bezwaar.
34.Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 136.
35.Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 136.
36.Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3 p. 47-50.
37.Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3 p. 49.
38.Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3 p. 49.
39.Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 136.
40.Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 154.
41.HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:969, BNB 2014/27. Vgl. HR 5 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4602, BNB 2001/422. Ik merk op dat HR BNB 2014/27 mijns inziens wat betreft de bekendmaking op de voorgeschreven wijze duidelijker is dan dit laatste arrest. In dat laatste arrest overweegt de Hoge Raad slechts dat de uitspraak op bezwaar niet overeenkomstig art. 6:17 Awb is verzonden aan de gemachtigde en dat het hof daarom het beroep niet niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren. Het arrest maakt (dus) niet duidelijk of dat is op de grond dat de uitspraak op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt of op de grond dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
42.HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3315, BNB 2007/200. Vgl. HR 7 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3840, BNB 2002/297, rov. 3.3.
43.Zie voor die formulering HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960, BNB 2015/132, rov. 2.3.1. Zie nadien ook HR 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875, BNB 2022/119, rov. 2.7.2, HR 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1337, BNB 2022/140, rov. 2.4.7 en HR 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1728, rov. 3.4.3.
44.Vgl. over wijziging in formulering ook punt 6.24-6.31 van mijn conclusie van 28 februari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:277.
45.Deze rechtsregel geldt bijvoorbeeld voor het geval dat de bestuursrechter een brief met een termijn voor herstel van een verzuim onjuist adresseert en de onjuiste adressering niet is te wijten aan de indiener van het rechtsmiddel. Zie HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1625, BNB 2024/8, rov. 3.3. Die rechtsregel geldt bijvoorbeeld ook voor het geval dat de belastingschuldige niet in de gelegenheid is geweest kennis te nemen van de belastingaanslag. Zie voorts HR 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1337, BNB 2022/140, rov. 2.4.7.
46.Zie de Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties, Stb. 2004, 672. Zie het Besluit van 16 december 2004, Stb. 2004, 692, voor de inwerkingtreding daarvan.
47.Voor dezelfde periode heb ik evenmin zulke arresten kunnen vinden in zaken waarin beroep in cassatie openstaat tegen uitspraken van de CRvB of het College voor Beroep van het bedrijfsleven (CBb).
48.Zo’n geval kan ook in die periode spelen in zaken waarin beroep in cassatie openstaat tegen uitspraken van de CRvB of het CBb. Maar ik heb wederom vergeefs gezocht naar arresten over zo’n geval in zulke zaken.
49.HR 24 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2681, BNB 1999/269. Vgl. voor de periode tot 1 januari 1994 reeds HR 9 november 1938, B. 6774 (over een geval waarin de gemachtigde de belanghebbende bijstond maar niet vertegenwoordigde).
50.Zie BNB 1999/269, punten 1-2.
51.HR 22 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1537, BNB 1996/188.
52.Zie M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 345.
53.HR 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0961, BNB 2003/64.
54.Dit volgt uit rov. 2.1 van de uitspraak van het hof, die is te kennen uit de publicatie van het arrest in BNB 2003/64.
55.HR 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2339, BNB 1998/328.
56.HR 24 september 1930, B. 4821, waarin onder meer is overwogen: “dat in de toelichting van het middel terecht wordt betoogd, dat, wanneer een bezwaarschrift tegen een aanslag door een gemachtigde namens een aangeslagene is ingediend, het afschrift van de beschikking op dat bezwaarschrift aan dien gemachtigde en niet aan den belanghebbende zelf moet worden toegezonden;”.
57.FED 1998/570, punt 1.
58.FED 1998/570, punt 2.
59.HR 13 februari 1929, B. 4473.
60.Het rechtsmiddel van verzet heb ik dus buiten beschouwing gelaten. De reden is dat verzet een incident binnen dezelfde instantie is. Daarom is het, in het geval de belanghebbende zich laat vertegenwoordigen door een gemachtigde in de procedure die leidt tot een uitspraak op grond van art. 8:55 Awb, naar mijn mening evident dat indien het bestuursorgaan verzet doet tegen die uitspraak, het verzetschrift dient te worden toegestuurd aan de gemachtigde overeenkomstig art. 6:17 Awb.
61.Zie de gemeenschappelijke bijlage van mijn hand van 30 mei 2025, ECLI:NL:PHR:2025:652, onderdeel 7.
62.De in het citaat bedoelde procesregeling is de Procesregeling belastingkamers gerechtshoven 2025, Stcrt. 2024, 37719. Overigens bevat de voordien geldende procesregeling een gelijkluidend art. 6. Zie de Procesregeling belastingkamers gerechtshoven 2022, Stcrt. 2022, 3694
63.Zie art. 343(1) Rv.
64.Zie art. 343(1) in verbinding met art. 111(1) en art. 45(1) Rv.
65.Vgl. E. Gras e.a., Compendium van het Burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 120, en W. Heemskerk e.a., Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2024, p. 68.
66.Zie ook E. Gras e.a., Compendium van het Burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 120-122, en A.I.M. van Mierlo, in: T&C Rv, commentaar op art. 46.
67.Zie ook E. Gras e.a., Compendium van het Burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 122-125.
68.Zie bijvoorbeeld A.I.M. van Mierlo, in: T&C Rv, art. 63, aant. 1.
69.Vgl. HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1278, NJ 2017/283, en HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:310, NJ 2015/411.
70.Zie A.I.M. van Mierlo, in: T&C Rv, art. 63, aant. 2a.
71.Ik laat buiten beschouwing dat de rechter een schriftelijke machtiging kan verlangen indien de gemachtigde niet een advocaat is (art. 8:24 Awb).
72.Denk aan langdurige afwezigheid, maar ook aan beperkt procedureel doen-vermogen.
73.Volgens art. 8:107(1) Awb moet een kennisgeving van het hoger beroep eveneens “zo spoedig mogelijk” worden verzonden aan de griffier van de rechtbank. Vervolgens ontvangt de griffier van de appelrechter onder meer de stukken van het geding niet eerder dan één week later (art. 8:107(2) Awb).
74.Zie rov. 4.3 van de bestreden uitspraak, alsook het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting van de CRvB op 26 april 2024, p. 2.
75.Zie rechtbank Amsterdam 22 februari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1359.
76.Zie CRvB 22 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2609. In de bestreden uitspraak verwijst de CRvB naar deze eerdere uitspraak. Zie de bestreden uitspraak, rov. 1.1, voetnoot 1, rov. 3.1, voetnoot 4, en rov. 4.3, voetnoten 7 en 8.
77.Zie HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:610. In de bestreden uitspraak verwijst de CRvB ook naar dit arrest. Zie de bestreden uitspraak, rov. 1.1, voetnoot 1, en rov. 4.3, voetnoot 8.
78.Zie de brief van 26 oktober 2023 van de Svb waarbij (pro forma) hoger beroep is ingesteld (i-stuk met nummer 1).
79.Zie HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1885, BNB 2012/263, rov. 3.4.2 betreffende een verzending van een aanslagbiljet naar een onjuist adres. Zie punt 5.22-5.28 van de voorafgaande conclusie van A-G IJzerman van 22 december 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BV9529, voor een overzicht van jurisprudentie over verzending naar een onjuist adres.
80.HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB8440, BNB 2008/30, rov. 3.4.
81.Autorisatiebesluit van 28 juli 2023, kenmerk 2023- 0000452596, van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Digitalisering en Koninkrijksrelaties voor de Minister van Financiën ten behoeve van de Belastingdienst, Stcrt. 2023, 21912.
82.Autorisatiebesluit van 18 maart 2014, kenmerk 2014-0000157892, van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ten behoeve van de Raad voor de rechtspraak, Stcrt. 2016, 7022. Zie trouwens voor het autorisatiebesluit ten behoeve van de Hoge Raad het autorisatiebesluit van 28 februari 2014, kenmerk 2014-0000119474, Strcrt. 2016, 9771. Autorisatiebesluiten zijn ook te vinden via de website van de Rijksdienst voor identiteitsgegevens (zie https://publicaties.rvig.nl/zoeken).
83.Bijv. HR 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625, BNB 2024/61, rov. 3.2.5.
84.Zie het e-mailbericht van de raadsman voor de Svb van 4 oktober 2023, 9.37u, dat is overgelegd als bijlage 1 bij het beroepschrift in cassatie.
85.Zie het e-mailbericht van de Svb voor de raadsman van 5 oktober 2023, 9.08u, dat is overgelegd als bijlage 1 bij het beroepschrift in cassatie.
86.De correspondentie tussen de raadsman en de Svb is overgelegd als bijlage 1 bij het beroepschrift in cassatie.
87.Stcrt. 2013, 36139, zoals laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2021, 30869.
88.De toelichting op de tweede klacht verwijst naar het rapport ‘Bestuursorganen in hoger beroep’ van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum, p. 52. Deze pagina is overgelegd als bijlage 2 bij het beroepschrift in cassatie. Gemakshalve, het volledige rapport is te vinden via de
89.De cassatiebepaling in de andere wetten zijn opgenomen in art. 66(1) Anw, art. 31(1) Akw en art. 10.3.2(1) Wlz.
90.Zie daarover mijn conclusie van 17 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:197, punt 4.2-4.14, alsmede het uitgebreidere onderzoek van A-G Wattel in de gemeenschappelijke bijlage van 7 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:393, onderdeel 4, ook te vinden in BNB 2021/134.
91.Vgl. bijvoorbeeld HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1026, BNB 2021/134, rov. 3.4.
92.Vgl. bijvoorbeeld HR 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:390, BNB 2024/55, rov. 4.9.2.
93.Vgl. bijvoorbeeld HR BNB 2021/134, rov. 3.2.
94.HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:284, BNB 2014/92. Zie ook mijn conclusie van 17 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:197, punt 4.8 en de aldaar aangehaalde bronnen, en M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 150.
95.Zie HR BNB 2024/55, rov. 4.9.2-4.9.3, en HR BNB 2021/134, rov. 3.4. Zie ook mijn conclusie van 17 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:197, punten 4.10-4.14.
96.Vgl. HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU8089.
97.Vgl. HR 17 oktober 2003, ECLI:NL:HR:200e3:AM1467, BNB 2004/11.
98.Zie art. 13 Anw, art. 6 Akw en art. 2.1.1 Wlz.
99.Vgl. HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:918 (NIOC / Schreuder), AB 2024/322, rov. 3.2.
100.Zie bijv. M. Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure (Recht en Praktijk nr. SB3), Deventer: Wolters Kluwer 2017, par. 6.2.2.3, met jurisprudentieverwijzingen.
101.Zie bijv. HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3041, BNB 2015/46, rov. 2.2.1, eerste alinea. Vgl. meer recent HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:639, BNB 2022/85, rov. 2.5-2.6, alsmede punt 4.13-4.18 van de voorafgaande conclusie van A-G IJzerman van 16 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:245.
102.F.C. Bentvelzen, Doorbreking van rechtsmiddelenverboden (Serie Burgerlijk Proces & Praktijk nr. XXIV) (diss. Leiden), Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 25.
103.F.C. Bentvelzen, Doorbreking van rechtsmiddelenverboden (Serie Burgerlijk Proces & Praktijk nr. XXIV) (diss. Leiden), Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 31.
104.HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:918 (NIOC / Schreuder), AB 2024/322.
105.Sindsdien spreekt art. 78(4) RO over ‘de bestuursrechter’; voordien sprak het over ‘de administratieve rechter’. Dit is gewijzigd bij de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, Stb. 2012, 682. Zie het besluit van 20 december 2021, Stb. 2012, 684, voor de inwerkingtreding daarvan. Daarmee is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Zie Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, p. 74.
106.Wet organisatie en bestuur gerechten, Stb. 2001, 582. Zie het besluit van 10 december 2001, Stb. 2001, 621, voor de inwerkingtreding daarvan.
107.Kamerstukken II 1999/2000, 27 181, nr. 3, p. 62. Het citaat kan de indruk wekken dat art. 78(4) Wet RO ook nodig was in verband met beroep in cassatie tegen uitspraken van gerechtshoven in belastingzaken. De heersende opvatting in de literatuur is echter dat dergelijke uitspraken (ook) vallen onder het toepassingsbereik van art. 78(1) Wet RO; zie bijv. P.P.T. Bovend’Eert, Rechter, rechterlijke organisatie en rechtspraak in de democratische rechtsstaat, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 504 en M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 467 (met dien verstande dat deze auteur wel ervan lijkt uit te gaan dat de primaire grondslag thans het vierde lid is als bijzondere regeling; vgl. p. 159, 161 en 468).
108.Kamerstukken II 2000/01, 27 181, nr. 6, p. 103.
109.HR 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1353. Zie ook HR 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1349, HR 14 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:386, HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1580, HR 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1371, HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:903, HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:676, HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1392, HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1391, en HR 10 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:636.
110.HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:259. Zie ook HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1218, HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:735, HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:847 en HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:846.
111.HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1537, HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1535, HR 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1326, HR 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1179, HR 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:424, HR 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:587, HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:150, HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:149, en HR 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1643.
112.Verordening (EG) nr. 88/3/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, Pb L 166, p. 1.
113.Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, Pb L 284, p. 1.
114.Vgl. HR 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:390, BNB 2024/55, rov. 4.3.1.
115.Vgl. F.C. Bentvelzen, Doorbreking van rechtsmiddelenverboden (Serie Burgerlijk Proces & Praktijk nr. XXIV) (diss. Leiden), Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 158-161 (over omgekeerde gevallen, waarin de wetgever tot uitdrukking heeft gebracht, althans niet met zoveel woorden heeft uitgesloten dat het rechtsmiddelverbod wel vatbaar is voor doorbreking).
116.Het gaat mij niet zozeer om de passages, maar veeleer om de gevolgtrekking die de Hoge Raad verbindt daaraan. Daarom citeer ik de passages zelf niet, maar volsta ik met een verwijzing naar hun vindplaats: Kamerstukken II 2007/08, 31 518, nr. 3, p. 2, p. 13 en p. 19-23, en Kamerstukken I 2009/10, 31 518, nr. C, p. 5.
117.HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:943 ( [...] / [...] ), NJ 2015/215.
118.HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490 ( [...] / [...] ), NJ 2007/637.
119.Zie HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490 ( [...] / [...] ), NJ 2007/637, rov. 3.6, HR 12 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0210 ( [...] / Groningen), NJ 1992/215, rov. 3.3, en HR 19 december 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9636 (Citroen / Vos), NJ 1987/1000. Voor de volledigheid merk ik op dat die rechtspraak eveneens van belang acht dat art. 332(1) Rv wél hoger beroep uitsluit, maar níet beroep in cassatie op de voet van (thans) art. 80 RO.
120.Zie de gemeenschappelijke bijlage van A-G Wattel van 7 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:393, punt 4.6, ook te vinden in BNB 2021/134.
121.Zie de conclusies van A-G Wattel van 7 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:351, punt 4.5, en ECLI:NL:PHR:2021:354, punt 4.5.
122.Vgl. HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1026, BNB 2021/134 en HR 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1513, BNB 2023/20. Zie ook M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 179.
123.Vgl. HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1172, BNB 2022/143, rov. 3.2.4, en HR 22 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3854, BNB 1988/292, rov. 3.5.
124.HR 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:390, BNB 2024/55.
125.HvJ 4 september 2025, C-203/24 (Hakamp), ECLI:EU:C:2025:662. De Hoge Raad heeft inmiddels eindarrest gewezen; zie HR 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1726, BNB 2026/10.
126.CRvB 22 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2609.
127.CRvB 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817.
128.CRvB 19 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1240, rov. 4.9, waarin wordt verwezen naar CRvB 28 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2797 (waarvan vooral rov. 4.2.6.1 in combinatie met 4.2.6.3 relevant zijn).