ECLI:NL:HR:2026:961
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt volledige belastingheffing Duitse pensioenuitkeringen in Nederland
Belanghebbende, die van 1980 tot 1997 in Duitsland werkte en pensioen opbouwde, ontving in 2018 Duitse pensioenuitkeringen terwijl hij in Nederland woonde. De Inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting op waarbij het volledige bedrag van deze uitkeringen werd belast.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat slechts 45% van de uitkeringen belastbaar was, gebaseerd op het deel van de premies dat aftrekbaar was in Duitsland. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad overwoog dat artikel 3.82 Wet IB 2001 een bijzondere regeling bevat die bepaalt dat buitenlandse pensioenuitkeringen volledig in box 1 belast worden, tenzij aannemelijk is dat hierover al een vergelijkbare belastingheffing heeft plaatsgevonden. Het arrest van 1994 is niet van toepassing omdat destijds artikel 3.82 nog niet bestond.
De Hoge Raad verwierp het beroep van de Staatssecretaris en bevestigde dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de uitkeringen volledig belastbaar zijn. Ook het argument dat het Duitse pensioen een socialezekerheidsuitkering betreft en daarom anders moet worden behandeld, faalde.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de Duitse pensioenuitkeringen volledig belastbaar zijn in Nederland volgens artikel 3.82 Wet IB 2001.