Klaagster, politieambtenaar bij het Korps Politie Caribisch Nederland, werd primair disciplinair ontslagen wegens plichtsverzuim. Het plichtsverzuim betrof onder meer het ondertekenen van een proces-verbaal van bevindingen en een aangifte poging tot doodslag waarvan zij wist dat deze niet klopten, het niet ingrijpen bij geweld door een collega, en het delen van gevoelige informatie met derden.
Hoewel klaagster in een strafzaak werd vrijgesproken van meineed, oordeelde het Gerecht dat de minister bij de vaststelling van plichtsverzuim de onschuldpresumptie heeft geschonden door een eigen feitenvaststelling te maken. Hierdoor kon gedraging 1 (proces-verbaal van bevindingen) niet als plichtsverzuim worden aangemerkt. De overige gedragingen (2, 3 en 4) leveren wel plichtsverzuim op dat toerekenbaar is.
Het Gerecht vond het ontslag niet onevenredig gezien de aard en ernst van het plichtsverzuim en de hoge eisen die aan politieambtenaren worden gesteld. Ook het subsidiaire ontslag wegens functionele ongeschiktheid werd bevestigd, omdat klaagster niet geschikt werd geacht voor haar functie. Het bezwaar werd ongegrond verklaard.