ECLI:NL:OGEAA:2018:731

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
27 november 2018
Publicatiedatum
24 december 2018
Zaaknummer
E.J. AUA201800926
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3 lid 4 CessantiaverordeningArtikel 3 lid 5 Cessantiaverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op cessantia bij pensioen hoger dan geïndividualiseerd wettelijk ouderdomspensioen

Verzoekster werkte tot begin 2018 bij de Stichting Ziekenverpleging Aruba en ontvangt sindsdien ouderdomspensioen en een aanvullend pensioen. Zij vroeg op 26 februari 2018 een cessantia-uitkering aan, welke door de stichting op 2 maart 2018 werd afgewezen.

De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 3 lid 4 en Pro 5 van de Cessantiaverordening, waarin is bepaald dat geen recht op cessantia bestaat indien de werknemer bij het einde van de dienstbetrekking een pensioen ontvangt dat gelijk is aan of hoger is dan het wettelijke ouderdomspensioen. De vraag was welk bedrag onder het 'geldende wettelijke ouderdomspensioen' valt: verzoekster stelde het volledige gehuwdenpensioen, de stichting de helft daarvan.

Het gerecht volgde de stichting en eerdere jurisprudentie en oordeelde dat het ongekorte pensioenbedrag voor de AOV-verzekerde moet worden geïndividualiseerd, wat betekent dat voor gehuwden de helft van de gehuwdennorm geldt. Omdat het aanvullende pensioen van verzoekster hoger is dan dit geïndividualiseerde bedrag, heeft zij geen recht op cessantia.

De vordering werd afgewezen en verzoekster werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Verzoekster heeft geen recht op cessantia omdat haar aanvullende pensioen hoger is dan het geïndividualiseerde wettelijke ouderdomspensioen.

Uitspraak

Beschikking van 27 november 2018
Behorend bij E.J. AUA201800926
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
in de zaak van:
[VERZOEKSTER]
wonende in Aruba,
VERZOEKSTER, hierna te noemen: [VERZOEKSTER],
gemachtigde: de advocaat mr. David G. Kock,
tegen:
De Stichting Ziekenverpleging Aruba
gevestigd in Aruba,
VERWEERSTER, hierna te noemen: de stichting,
Gemachtigde: mr. J.L. Peterson.

1.DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • Het verzoekschrift van 6 april 2018;
  • het verweerschrift;
  • de brief van 11 oktober 2018 met producties aan de zijde van de stichting;
  • de pleitnota’s van beide gemachtigden;
  • de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 16 oktober 2018.
Hierna is beschikking bepaald op heden.

2.DE FEITEN

2.1 [
VERZOEKSTER] heeft tot begin 2018 gewerkt bij de stichting. Sindsdien ontvangt zij ouderdomspension van SVB ter hoogte van de gehuwdennorm, thans Afl. 1.780,00 per maand en een aanvullend pensioen via de Guardian Group ad Afl. 1.038,87 per maand.
2.2
Bij brief van 26 februari 2018 heeft [VERZOEKSTER] aanspraak gemaakt op de cessantia-uitkering.
2.3
Bij brief van 2 maart 2018 heeft de stichting dit verzoek afgewezen.

3.HET VERZOEK EN DE BEOORDELING

3.1
Aan de orde is de vraag of [VERZOEKSTER] recht heeft op cessantia, ondanks het feit dat zij na het einde van haar dienstbetrekking bij de stichting in het genot is van ouderdomspensioen.
3.2
In artikel 3 lid 4 van Pro de Cessantiaverordening is bepaald dat de werknemer geen recht heeft op een cessantia indien hij bij het einde van zijn dienstbetrekking in het genot van een pensioen of uitkering wordt gesteld. In lid 5 is vervolgens bepaald dat lid 4 geen toepassing vindt, indien het pensioen minder bedraagt dan het geldende wettelijke ouderdomspensioen, dan wel het pensioen indien daarop het wettelijk ouderdomspensioen geheel of gedeeltelijk in mindering wordt gebracht, minder bedraagt dan twee maal het bedrag van het dan geldende wettelijke ouderdomspensioen.
3.3
Ingevolge dit artikel dient derhalve een vergelijking te worden gemaakt tussen het particuliere en het wettelijke pensioen. De vraag die als eerste beantwoord dient te woorden luidt wat de wetgever heeft bedoeld met ‘het geldende wettelijke ouderdomspensioen’. [VERZOEKSTER] stelt zich op het standpunt dat hiermee bedoeld wordt het bedrag dat zij maandelijks ontvangt als gehuwdennorm. De stichting stelt zich op het standpunt dat bij de vergelijking de helft van de gehuwdennorm dient te worden gehanteerd.
3.4
Met de Stichting en in navolging van de uitspraak van het Gerecht in Eerste Aanleg te Aruba d.d. 2 juni 2004 (AR 1717 van 2003) is het gerecht van oordeel dat een redelijke wetsuitleg van artikel 3 lid 5 van Pro de Cessantiaverordening met zich mee brengt, dat aansluiting gezocht wordt bij het ongekorte pensioenbedrag geldend voor de
individueleAOV-verzekerde. Dat betekent dat uitgegaan dient te worden van de helft van de gehuwdennorm voor gehuwden en daarmee op één lijn gestelden en het ongehuwdenbedrag voor de overigen. Voor [VERZOEKSTER], aan wie AOV ouderdomspensioen voor gehuwden is toegekend, betekent dit dat
de helftvan de aan haar toegekende gehuwdennorm ad Afl. 1.780,00 per maand aan haar dient te worden toegerekend, derhalve Afl. 890,00 per maand. Dit heeft tot gevolg dat, nu het aanvullende pensioen hoger is dan het geïndividualiseerde wettelijke ouderdomspensioen, [VERZOEKSTER] géén recht heeft op cessantia in verband met de beëindiging van haar dienstverband met de stichting.
3.5
Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [VERZOEKSTER] wordt afgewezen.
3.6
Nu [VERZOEKSTER] in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij in de kosten van de procedure veroordeeld, gebaseerd op twee punten van liquidatietarief 6.

4.DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:
4.1
wijst het verzochte af;
4.2
veroordeelt [VERZOEKSTER] in de kosten van de procedure, aan de zijde van de stichting begroot op Afl. 3.000,00 voor salaris gemachtigde.
Deze beschikking is gegeven door mr. Y.M. Vanwersch, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 november 2018 in aanwezigheid van de griffier.