ECLI:NL:OGEAC:2019:295

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
17 december 2019
Publicatiedatum
27 december 2019
Zaaknummer
CUR201903301
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Landsverordening Beëindiging ArbeidsovereenkomstenArt. 7A:1615u BWArt. 3 lid 1 Landsverordening CessantiaArt. 28a Procesreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens niet tijdig ingeroepen nietigheid ontslag op staande voet

Verzoekster was werkzaam bij Bettina N.V. en werd op 22 januari 2019 op staande voet ontslagen wegens werkweigering. Zij vorderde primair de nietigheid van het ontslag en doorbetaling van loon, subsidiair een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, en meer subsidiair een vergoeding volgens de kantonrechtersformule en cessantia.

De nietigheid van het ontslag moest binnen zes maanden worden ingeroepen conform artikel 7 Landsverordening Pro Beëindiging Arbeidsovereenkomsten. Verzoekster heeft dit niet binnen die termijn gedaan, waardoor het primaire verzoek niet ontvankelijk is. Ook de vordering uit kennelijk onredelijk ontslag is verjaard omdat deze binnen zes maanden na het ontslag had moeten worden ingesteld.

Het meer subsidiaire verzoek tot vergoeding wordt afgewezen omdat het ontslag rechtsgeldig was en verband hield met werkweigering door verzoekster, waardoor de arbeidsovereenkomst door haar schuld eindigde. Dit sluit toekenning van cessantia uit. Verzoekster wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen van verzoekster wegens nietigheid en kennelijk onredelijk ontslag worden afgewezen wegens niet tijdige inroeping en verjaring.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURACAO
BESCHIKKING
in de zaak van:
[VERZOEKSTER],
wonende in Curaçao,
verzoekster,
gemachtigde: mr. S.P. Osepa,
tegen
de naamloze vennootschap
BETTINA N.V.,
gevestigd in Curaçao,
verweerster,
gemachtigde: mr. N.V.R. Doekhie.

1.Het procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure is als volgt:
  • het verzoekschrift van 12 september 2019, met producties;
  • de producties zijdens verweerster;
  • de akte wijziging van eis, met producties;
  • de behandeling ter zitting van 15 oktober 2019 en 10 december 2019.
1.2. [
verzoekster] is aanvankelijk bijgestaan door mr. E.J. Maduro. Omdat hij op grond van artikel 28a Procesreglement niet als gemachtigde is toegelaten, is [verzoekster] in de gelegenheid gesteld een nieuwe gemachtigde te zoeken en is de zaak aangehouden tot de tweede zitting.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het verzoek en de beoordeling

2.1.
Na wijziging van eis verzoekt [verzoekster], samengevat, het volgende:
  • toestemming om kosteloos te procederen;
  • primair: verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet nietig is en veroordeling van Bettina tot doorbetaling van loon;
  • subsidiair: verklaring voor recht dat het ontslag kennelijk onredelijk is en veroordeling van Bettina tot betaling van een schadevergoeding;
  • meer subsidiair: veroordeling van Bettina tot betaling van een vergoeding overeenkomstig de kantonrechtersformule en de cessantia.
2.2.
Het verzoek om kosteloos te procederen is voldoende onderbouwd en zal worden toegewezen.
2.3.
Voor het overige kan geen van de verzoeken worden toegewezen.
2.4. [
verzoekster] is op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam geweest voor Bettina. Zij is op 22 januari 2019 op staande voet ontslagen wegens, kort gezegd, werkweigering.
2.5.
Op grond van artikel 7 Landsverordening Pro Beëindiging Arbeidsovereenkomsten moet binnen zes maanden op de nietigheid van de opzegging zonder opzegvergunning een beroep worden gedaan. Het verzoekschrift dateert van 12 september 2019. Niet gebleken is dat [verzoekster], althans haar toenmalige gemachtigde, binnen zes maanden na het ontslag de nietigheid heeft ingeroepen. De mogelijkheid om de nietigheid in te roepen is dus komen te vervallen. Hierop stuit het primaire verzoek af.
2.6.
Het subsidiaire verzoek is gebaseerd op kennelijk onredelijk ontslag. Een vordering uit kennelijk onredelijk ontslag verjaart na zes maanden (artikel 7A:1615u BW). Van een stuitingshandeling binnen zes maanden na het ontslag is niet gebleken. Dit verzoek is dus verjaard.
2.7.
Het meer subsidiaire verzoek strekt tot verkrijging van een vergoeding overeenkomstig de kantonrechtersformule en van de cessantia. Voor toewijzing van het eerste deel van dit verzoek bestaat geen grondslag. Voor wat betreft de cessantia geldt dat, nu in rechte moet worden aangenomen dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is geweest en dit ontslag verband hield met werkweigering door [verzoekster], de arbeidsovereenkomst door haar schuld tot een einde is gekomen. Dit staat aan toekenning van de cessantia in de weg (artikel 3 lid 1 Landsverordening Pro Cessantia).
2.8. [
verzoekster] zal worden veroordeeld in de proceskosten.

3.De beslissing

Het Gerecht:
3.1.
verleent [verzoekster] toestemming om kosteloos te procederen;
3.2.
wijst de verzoeken af;
3.3.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van Bettina, begroot op NAf 1.000.
Deze beschikking is gegeven door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 december 2019.