Belanghebbende heeft een verzuimboete van NAf 10.000 opgelegd gekregen vanwege het niet tijdig betalen van de winstbelasting over 2021. De Inspecteur baseerde de boete op een derde betalingsverzuim, omdat ook in 2019 en 2020 te laat was betaald. Belanghebbende betwistte de hoogte van de boete en voerde aan dat de eerdere verzuimen aan de vorige aandeelhouder toerekenbaar zijn en dat omstandigheden buiten haar invloedssfeer tot de vertraging hebben geleid.
Het Gerecht oordeelt dat de Inspecteur de boete terecht heeft opgelegd en dat van afwezigheid van alle schuld (AVAS) geen sprake is. De hoorplicht is echter geschonden omdat belanghebbende om een hoorzitting had verzocht die niet heeft plaatsgevonden, waardoor de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd. Het Gerecht ziet geen reden voor matiging van de boete behalve vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De redelijke termijn is met circa twee maanden overschreden, zodat de boete met 5% wordt verminderd tot NAf 9.500. De proceskosten van belanghebbende worden vergoed tot NAf 1.400 en het betaalde griffierecht van NAf 150 wordt eveneens vergoed. De eerdere verzuimen tijdens het bestuur van de vorige aandeelhouder zijn niet relevant voor de beoordeling van het aantal verzuimen.
De uitspraak is gegeven door rechter Pijnenburg op 15 augustus 2025 en partijen kunnen binnen twee maanden hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie belastingkamer.