ECLI:NL:OGEAM:2018:22
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens kennelijk onredelijke opzegging wegens verjaring
De werknemer was sinds 1 april 2016 in dienst bij de werkgever en kreeg op 8 december 2016 ontslag op staande voet. De werknemer stelde de nietigheid van het ontslag vast en vorderde doorbetaling van loon tot 1 april 2017. Vervolgens diende hij een vordering in wegens kennelijk onredelijke opzegging.
De werkgever verweerde zich met een verjaringsverweer op grond van de zesmaandenverjaringstermijn van artikel 7A:1615u BW. De werknemer stelde dat de termijn was gestuit door eerdere correspondentie en een klacht bij het Labor Department.
Het Gerecht oordeelde dat de vordering kennelijk onredelijke opzegging niet tijdig was ingediend, omdat het verzoekschrift pas op 15 december 2017 werd ingediend, ruim na het verstrijken van de verjaringstermijn op 6 oktober 2017. De eerdere brief van 4 april 2017 stuitte de termijn slechts tijdelijk. De vordering werd daarom afgewezen en de werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Vordering wegens kennelijk onredelijke opzegging wordt afgewezen wegens overschrijding van de verjaringstermijn.