Uitspraak
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van het Gerecht.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Belanghebbende, een in Aruba gevestigde vennootschap, verstrekte gelden aan haar 100% dochtervennootschap [ERW] NV, welke in de jaarrekeningen als vorderingen en leningen waren opgenomen. De Inspecteur corrigeerde de winstbelasting door rentecorrecties toe te passen over de jaren 2005 en 2007-2009, omdat hij de verstrekte gelden als geldleningen kwalificeerde.
Belanghebbende stelde dat het ging om kapitaalverstrekking en niet om leningen, onderbouwd met notulen van aandeelhoudersvergaderingen waarin werd verklaard dat de gelden als kapitaal moesten worden beschouwd. Het Gerecht in eerste aanleg en het Hof oordeelden echter dat de terugbetalingsverplichting essentieel is voor de civielrechtelijke kwalificatie van een lening, hetgeen hier aannemelijk was door de jaarrekeningen, goedkeuringen en verklaringen.
Het Hof verwierp de stelling dat sprake was van een schijnlening, bodemloze putlening of deelnemerschapslening, omdat daarvoor geen bewijs was. Ook werd de kwalificatie als onzakelijke lening erkend, maar dat verandert niets aan het feit dat het een lening betreft, met een zakelijke rente van 6%.
Het Hof bevestigde het oordeel van het Gerecht en wees het hoger beroep af, waarmee de rentecorrecties en de aanslagen winstbelasting ongewijzigd blijven.
Uitkomst: Het Hof bevestigt dat de geldverstrekkingen als geldleningen kwalificeren en wijst het hoger beroep af.