Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
2.Ontvankelijkheid
3.De feiten
4.Beoordeling
2.3 Indien zou worden uitgegaan van de door [Appellant] gestelde bedoeling van partijen, zou dat nog niet zonder meer tot toewijzing van zijn subsidiaire vordering leiden. Daarvoor is onvoldoende duidelijk geworden dat op [Geintimeerde 1] een opeisbare verplichting rust de van hem verlangde medewerking te verlenen. Niet is bijvoorbeeld gesteld dat tussen partijen is besproken hoe lang ‘tijdelijk’ zou zijn of hoe en door wie dat bepaald zou worden. Ook over de eventuele voorwaarden voor een overdracht aan [Appellant] is niets gesteld.
tijdelijkzou zijn en dat [Geintimeerde 1] de SPF’s weer aan [Appellant] zou terugleveren op het moment dat met de belastingdienst een betalingsregeling zou zijn gesloten. De grondslag van de vordering is nakoming van deze overeenkomst. Het is [Appellant] die de stelplicht en bewijslast heeft omdat hij degene is die de rechtsgevolgen inroept van de door hem gestelde feiten (artikel 129 Rv Pro). [Appellant] heeft gesteld dat de reden van het sluiten van deze overeenkomst was de “assets” (voornamelijk bestaande uit de onroerende zaken aan de [adres 1] en [adres 2] en de aandelen in de Botica Mampuritu, die in deze panden is gevestigd) van [Appellant] uit het zicht van de belastingdienst te houden vanwege een forse belastingaanslag ten laste van [Appellant] (NAf 1.736.569,00). Dat de notariële leveringsakten niets vermelden over een tijdelijke overdracht en een teruglevering op het moment dat [Appellant] met de belastingdienst een betalingsregeling zou hebben getroffen is, indien de uitleg van [Appellant] wordt gevolgd, niet onbegrijpelijk.