Betrokkene verrichtte vanaf 26 augustus 2014 de werkzaamheden van chef HBKSTC en werd uiteindelijk met terugwerkende kracht per 23 augustus 2019 benoemd. Zij vroeg een waarnemingstoelage aan over de periode 1 januari 2016 tot 31 augustus 2019, maar de minister wees dit af vanwege het vaste beleid dat toeslagen maximaal drie jaar terugwerkende kracht kunnen hebben.
Het Gerecht in Ambtenarenzaken verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond, omdat het onredelijk was het beleid strikt toe te passen gezien de feitelijke situatie en het voordeel dat de minister had van haar werkzaamheden. De minister stelde in hoger beroep dat er geen bijzondere omstandigheden waren en dat betrokkene wist dat zij tijdig een aanvraag moest indienen.
De Raad van Beroep oordeelde dat het beleid van drie jaar terugwerkende kracht in principe toelaatbaar is, maar dat in dit individuele geval bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die afwijking rechtvaardigen. De minister kon niet volhouden dat betrokkene nalatig was, en het financiële argument van de minister woog niet op tegen de feitelijke situatie. De Raad bevestigde het oordeel van het Gerecht en wees het hoger beroep af.