Conclusie
Artikel 12, onder 4-5)
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft de fiscale behandeling van een schadevergoeding van f 182.000,- die een vennootschap ontving na het niet doorgaan van een aandelentransactie. De belanghebbende had in 1970 haar deelneming in een andere vennootschap verkocht, maar de koper kwam zijn verplichtingen niet na, waardoor de transactie niet werd uitgevoerd. Later werd een schadevergoeding overeengekomen en betaald.
De kern van het geschil was of deze schadevergoeding als voordeel uit hoofde van de deelneming valt onder de deelnemingsvrijstelling van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De Hoge Raad analyseerde de wetsgeschiedenis en het doel van de deelnemingsvrijstelling, die beoogt dubbele belastingheffing te voorkomen door zowel winsten als verliezen uit deelnemingen slechts eenmaal in aanmerking te nemen.
De Hoge Raad concludeerde dat de schadevergoeding moet worden gekwalificeerd als een voordeel uit hoofde van de deelneming, ook al werd deze pas na het afstoten van de deelneming ontvangen. Dit volgt uit het principe van goed koopmansgebruik en de bedoeling van de deelnemingsvrijstelling om fiscale voor- en nadelen die samenhangen met de deelneming in aanmerking te nemen, ook indien deze zich na afloop van het jaar van verkoop manifesteren.
De uitspraak vernietigde eerdere beslissingen en leidde tot vermindering van de aanslag vennootschapsbelasting tot een belastbaar bedrag van f 2.652,09. Hiermee werd bevestigd dat de deelnemingsvrijstelling ook toepassing vindt op dergelijke schadevergoedingen, waarmee dubbele belastingheffing wordt voorkomen.
Uitkomst: De schadevergoeding wegens wanprestatie valt onder de deelnemingsvrijstelling, waardoor de aanslag vennootschapsbelasting wordt verminderd.