Uitspraak
[X] B.V.te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 14 september 1983 betreffende de haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1977.
Hoge Raad
Belanghebbende, een besloten vennootschap, had een 25% deelneming in een andere vennootschap en sloot in 1970 een koopovereenkomst voor deze deelneming met een derde partij. Deze koper deed het bod niet gestand, waardoor de verkoop niet doorging. In 1972 werd overeengekomen dat de koper een schadevergoeding zou betalen wegens wanprestatie, welke in 1973 werd ontvangen.
De vraag was of deze schadevergoeding onder de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 Wet Pro Vpb 1969 viel. De rechtbank en het hof oordeelden dat de schadevergoeding niet uit hoofde van de deelneming werd ontvangen omdat de verkoopovereenkomst was ontbonden en belanghebbende geen aandeelhouder meer was toen de vergoeding werd ontvangen.
Belanghebbende stelde cassatie in en voerde aan dat het recht op schadevergoeding al in 1970 ontstond toen de koper zijn verplichtingen niet nakwam en dat de vergoeding een voordeel uit hoofde van de deelneming was. De Advocaat-Generaal adviseerde vernietiging van het hofvonnis.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat het recht op schadevergoeding pas in 1972 ontstond en dat de vergoeding niet uit hoofde van de deelneming werd ontvangen, maar uit hoofde van wanprestatie. Hierdoor valt de vergoeding niet onder de deelnemingsvrijstelling.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de schadevergoeding wegens wanprestatie niet onder de deelnemingsvrijstelling valt en wijst het cassatieberoep af.