Conclusie
natuurlijkeen zeer hoog bedrag aan belasting
behoortte betalen'' (Handelingen Tweede Kamer 19 maart 1925, blz. 1815 rk.).
ernstigegevallen van ‘misbruik’. Vgl. ook IJzerman, FED 1986/945.
Parket bij de Hoge Raad
Belanghebbende, een Nederlandse vennootschap binnen een fiscale eenheid, had een lening afgesloten voor de aankoop van aandelen in een buitenlandse dochtermaatschappij. De Inspecteur stelde de vennootschapsbelasting vast zonder rekening te houden met deze lening, omdat deze was aangegaan met het oog op het verijdelen van belastingheffing. Het Hof bevestigde deze toepassing van artikel 31 AWR Pro, hetgeen belanghebbende aanvocht in cassatie.
De Hoge Raad overwoog dat artikel 31 AWR Pro ook in de winstsfeer toepasbaar is en dat de fiscale wetgeving niet toestaat dat via juridische constructies de heffing van vennootschapsbelasting geheel of gedeeltelijk wordt verhinderd. De constructie waarbij een buitenlandse houdstermaatschappij werd ingezet om rentelasten te creëren zonder dat daar een corresponderende belastbare bate tegenover stond, werd als onaanvaardbaar beoordeeld.
Belanghebbendes cassatiemiddelen, waaronder motiveringsklachten en bezwaren tegen de toepassing van artikel 31 AWR Pro, werden verworpen. De Hoge Raad benadrukte dat belastingbesparing geoorloofd is, maar niet als die leidt tot het doorkruisen van de strekking van de fiscale wetgeving. De uitspraak bevestigt het belang van de richtige heffing als instrument tegen kunstmatige belastingontwijking binnen concernstructuren.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt verworpen; toepassing van artikel 31 AWR is gegrond.