ECLI:NL:PHR:1990:3
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs in belastingaanslagprocedure
Belanghebbende, een in Zwitserland statutair gevestigde vennootschap, werd door het Hof Arnhem als binnenlands belastingplichtige aangemerkt omdat zij feitelijk vanuit Nederland werd geleid. Tegen deze belastingplicht werd cassatie ingesteld, mede omdat het Hof zijn oordeel baseerde op bewijs dat door een huiszoeking zonder voorafgaand verlof was verkregen.
De kern van het geschil betrof de vraag of strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs in een fiscale procedure gebruikt mag worden. De Hoge Raad overweegt dat hoewel in het strafrecht de exclusionary rule geldt, in het belastingrecht een ruimere bewijsleer geldt en niet ieder onrechtmatig verkregen bewijs automatisch buiten beschouwing wordt gelaten.
De Hoge Raad stelt dat de inspecteur in het algemeen gebruik mag maken van gegevens van derden, ook als die in strafrechtelijke zin onrechtmatig zijn verkregen, tenzij het gebruik ervan in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het Hof moet daarom toetsen of de inspecteur onrechtmatig heeft gehandeld en of het gebruik van het bewijs het vertrouwen in een eerlijk proces schaadt.
De zaak wordt verwezen naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling, met name om te beoordelen of het gebruik van het onrechtmatig verkregen bewijs aan de inspecteur kan worden tegengeworpen. Tevens bevestigt de Hoge Raad dat de fiscale winst moet worden bepaald volgens de Nederlandse regels zodra belastingplicht hier te lande is vastgesteld.
Uitkomst: De zaak is vernietigd en verwezen naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling over het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in de belastingprocedure.