ECLI:NL:PHR:1994:AA2949
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat reis- en verblijfskosten van bv zakelijk zijn tenzij als winstuitdeling aan aandeelhouder
De zaak betreft een cassatieberoep van de staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Hof Amsterdam over de fiscale kwalificatie van reis- en verblijfskosten van een besloten vennootschap (bv). De belanghebbende bv, een touroperator, gaf kosten uit die de inspecteur als verkapte winstuitdeling aan een aandeelhouder bestempelde. Het Hof oordeelde echter dat deze kosten zakelijke kosten waren en dus aftrekbaar voor de vennootschapsbelasting.
De Hoge Raad bevestigt dat de kwalificatie van uitgaven voor de vennootschapsbelasting afhangt van het oogmerk van de bv bij het doen van die uitgaven. Uitgaven die niet volstrekt onredelijk zijn en niet bedoeld zijn om aandeelhouders als zodanig te bevoordelen, worden als ondernemingskosten aangemerkt. Dit betekent dat dergelijke uitgaven in aftrek kunnen worden gebracht bij de winstbepaling.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de relevante wetsartikelen, eerdere jurisprudentie en literatuur over het onderscheid tussen zakelijke kosten en winstuitdelingen. Daarbij wordt benadrukt dat een bv geen privéleven kent en dat uitgaven die niet zakelijk zijn, maar ook niet als winstuitdeling kwalificeren, zelden voorkomen. De uitspraak bevestigt dat alleen uitgaven met een duidelijk bevoordelingsmotief richting aandeelhouders als winstuitdeling worden aangemerkt.
De conclusie is dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de reis- en verblijfskosten van de bv zakelijk waren en dus aftrekbaar, en dat het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt verworpen; de reis- en verblijfskosten van de bv zijn zakelijke kosten en aftrekbaar.