ECLI:NL:PHR:1998:AA2520
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vervangingsreserve bij verkoop en huur van bedrijfsmiddelen binnen fiscale eenheid
In deze zaak staat centraal of een vervangingsreserve ten gunste van de winst moet worden opgeheven na verkoop van bedrijfsmiddelen en het gebruik van een gehuurd vervangend goed. De belanghebbende, een vennootschap, verkocht trawlers en vormde een vervangingsreserve. Vervolgens huurde zij een nieuw schip en nam dit in gebruik. Later verwierf zij alle aandelen van de vennootschap die het schip bezat en vormde met deze vennootschap een fiscale eenheid.
Het geschil betreft de vraag of de vervangingsreserve in het boekjaar 1989/1990 moet worden opgeheven. Het hof oordeelde dat de reserve moest worden opgeheven omdat de belanghebbende door de aandelenverwerving de uitsluitende beschikkingsmacht over het schip verkreeg. De belanghebbende stelde dat het huren van het schip en het voornemen tot eigendom voldoende waren om de reserve te handhaven.
De Hoge Raad overweegt dat huur geen eigendom is en dat het gehuurde goed niet dezelfde economische functie vervult als een eigen bedrijfsmiddel. Het voornemen tot vervanging bestaat alleen zolang het vervangende goed in eigendom wordt genomen of het voornemen daartoe blijft bestaan. De verwerving van aandelen in de vennootschap die het schip bezit, brengt het schip niet in eigendom van de belanghebbende. De fiscale eenheid kan wel als vervanging functioneren, maar dit trad pas in werking na het boekjaar. Daarom moet de vervangingsreserve worden opgeheven in het geschiljaar.
De conclusie is dat de belanghebbende geen vervangingsreserve mag aanhouden over het boekjaar 1989/1990 en dat de aanslag dient te worden verminderd tot het juiste belastbare bedrag. De zaak verduidelijkt de toepassing van het begrip vervanging binnen het vennootschapsbelastingrecht en de fiscale eenheid.
Uitkomst: De vervangingsreserve moet worden opgeheven in het boekjaar 1989/1990 omdat huur geen eigendom is en de fiscale eenheid pas later in werking trad.