ECLI:NL:PHR:2001:AB2903
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing en uitleg van de vervangingsreserve bij verkoop en terugkoop van bedrijfsmiddelen
In deze zaak staat centraal of vervangingsreserves die in 1989 en 1991 zijn gevormd bij de verkoop van het hoofdkantoor, distributiecentrum en een fabriekspand kunnen worden afgeboekt op de aankoop van het hoofdkantoor en distributiecentrum in 1994. De discussie spitst zich toe op de uitleg van het begrip 'vervanging' in artikel 14 Wet Pro IB 1964 en de vraag of een bedrijfsmiddel door zichzelf kan worden vervangen.
De belanghebbende, een beursgenoteerde houdstermaatschappij actief in de gezondheidszorg, had haar industriële activiteiten afgestoten en geconcentreerd op distributie. De Inspecteur stelde dat de vervangingsreserve voor het fabrieksgebouw te R niet langer kon worden aangehouden omdat geen vervangingsvoornemen meer bestond. De belanghebbende voerde aan dat het begrip vervanging ruim moest worden uitgelegd en dat ook een verandering van activiteiten binnen de onderneming onder vervanging kon vallen.
De Hoge Raad overweegt dat het terugkopen van hetzelfde gebouwencomplex als vervanging kan worden beschouwd, ook al is het technisch geen vervanging door een ander bedrijfsmiddel. Verder wordt een ruim standpunt ingenomen ten aanzien van het begrip vervanging, waarbij ook verschuivingen in de aard van de bedrijfsactiviteiten mogelijk zijn zolang geen staking van de onderneming plaatsvindt. De zaak wordt terugverwezen om te beoordelen of ultimo 1994 nog een vervangingsvoornemen bestond, waarbij rekening wordt gehouden met de feitelijke productieactiviteiten en de multifunctionaliteit van de gebouwen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak terugverwezen voor nadere beoordeling van het vervangingsvoornemen en de toepassing van de vervangingsreserve.