Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
's-Hertogenboschvan 20 november 1970 betreffende de haar opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting over het jaar 1965;
9.100,--
Hoge Raad
Belanghebbende emigreerde in 1962 met haar echtgenoot naar Zwitserland en vestigde zich na zijn overlijden in 1965 weer in Nederland. Zij verkocht in 1965 aandelen in een Duitse GmbH die haar echtgenoot ten behoeve van de huwelijksgemeenschap had verworven. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op, waarbij de verkrijgingsprijs van de aandelen werd vastgesteld op de oorspronkelijke aankoopprijs en niet op de hogere waarde bij overlijden.
Belanghebbende stelde dat de Inspecteur ambtelijk verzuim had gepleegd door niet tijdig te reageren op een verzoek van de erfgenamen en onvoldoende onderzoek te doen. Ook betwistte zij dat de verkrijgingsprijs niet verhoogd kon worden tot de waarde bij overlijden of bij vestiging in Nederland. Het Hof handhaafde de navordering en oordeelde dat geen ambtelijk verzuim had plaatsgevonden en dat de verkrijgingsprijs niet kon worden verhoogd.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof. De Hoge Raad stelde dat de Inspecteur niet verplicht was om dossiers van andere belastingplichtigen te raadplegen zonder aanleiding, dat het verzoek van de erfgenamen niet namens belanghebbende was gedaan en dat de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geen grond biedt voor een hogere verkrijgingsprijs dan de oorspronkelijke aankoopprijs. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde de navorderingsaanslag met de verkrijgingsprijs van de aandelen vastgesteld op de oorspronkelijke aankoopprijs.