ECLI:NL:PHR:1998:AA2583
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest over aftrekbaarheid kosten voor Nederlandse dienstbetrekking na verhuizing uit het buitenland
De zaak betreft een belanghebbende die in 1990 kosten maakte voor het omzetten van zijn Amerikaanse vliegbrevet naar een Nederlands brevet, in verband met een toekomstige dienstbetrekking in Nederland. Hij verhuisde eind 1991 naar Nederland en trad in dienst bij een Nederlandse luchtvaartmaatschappij. In zijn aangifte inkomstenbelasting 1992 verzocht hij om aftrek van de gemaakte kosten via verliescompensatie. Het hof Amsterdam stond deze aftrek toe, stellende dat de kosten direct verband hielden met de toekomstige dienstbetrekking in Nederland en derhalve aftrekbaar waren.
De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatie in tegen dit arrest en voerde drie middelen aan. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de kosten niet als studiekosten konden worden aangemerkt. Volgens de Hoge Raad vallen kosten van vakopleidingen onder art. 36, lid 2, onder g Wet IB 1964 en zijn slechts aftrekbaar voor zover zij de gestelde norm overschrijden. De andere middelen faalden, onder meer omdat de stelling dat de dienstbetrekking nog niet was vervuld ten tijde van de kosten niet meer houdbaar was na eerdere jurisprudentie.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof Amsterdam en verwees de zaak naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing. Hiermee wordt bevestigd dat vakopleidingskosten onder een specifieke aftrekregeling vallen en dat de beoordeling van de aftrekbaarheid van dergelijke kosten nauwkeurig moet plaatsvinden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing.