ECLI:NL:PHR:2000:AA5876
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid verzoek omgangsregeling biologische vader met kind
In deze zaak heeft de biologische vader verzocht om vaststelling van een omgangsregeling met zijn dochter, geboren uit een korte partnerrelatie met de moeder. De kinderrechter verklaarde het verzoek aanvankelijk niet ontvankelijk wegens het ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking zoals vereist in artikel 1:377f BW. Het hof vernietigde deze beslissing en oordeelde dat er wel sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking, mede gelet op de gezamenlijke beslissingen rondom de zwangerschap, aanwezigheid bij de bevalling en contact na de geboorte.
De moeder stelde beroep in cassatie in en voerde aan dat het hof ten onrechte ontvankelijkheid aannam zonder dat er sprake was van een relatie die gelijkgesteld kon worden aan een huwelijk of voldoende feitelijke contacten na de geboorte. De Hoge Raad overwoog dat de beoordeling van een nauwe persoonlijke betrekking aan de feitenrechter is voorbehouden en dat het hof niet onjuist heeft geoordeeld door omstandigheden voor en na de geboorte gezamenlijk te wegen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat een nauwe persoonlijke betrekking kan worden aangenomen indien de omstandigheden in hun onderlinge samenhang voldoende zijn, ook als afzonderlijk niet voldaan wordt aan de criteria van een huwelijkachtige relatie of feitelijke contacten na de geboorte. Daarmee is het verzoek van de vader ontvankelijk verklaard en kan de omgangsregeling worden vastgesteld.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen; het hof heeft terecht het verzoek van de vader ontvankelijk verklaard.