ECLI:NL:PHR:2000:AA6202
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling meldplicht technische voorschriften Wet BPM in het licht van de EG-notificatierichtlijn
De zaak betreft een belanghebbende die werd aangeslagen voor BPM omdat hij in Nederland reed met een personenauto met Duits kenteken zonder geldige vrijstellingsvergunning. Hij voerde aan dat de Wet BPM, of onderdelen daarvan, als technisch voorschrift in de zin van de EG-notificatierichtlijn moesten worden aangemeld bij de Europese Commissie, en dat niet-naleving daarvan tot buiten toepassing van de wet zou moeten leiden.
De Hoge Raad analyseert de definitie van technische voorschriften en technische specificaties in de richtlijn 83/189/EEG en haar latere wijzigingen, met name de wijzigingsrichtlijn 94/10/EEG. De conclusie is dat de Wet BPM geen technisch voorschrift is dat meldplichtig is, omdat het geen dwingregel is die de jure of de facto naleving van technische specificaties verplicht of aanmoedigt. De hoofdregel van de Wet BPM, waaronder de belanghebbende valt, is geen meldplichtig technisch voorschrift.
De Hoge Raad bespreekt ook de gevolgen van niet-melding van technische voorschriften en verwijst naar het Securitel-arrest van het HvJ EG, waarin is bepaald dat niet-gemelde technische voorschriften buiten toepassing moeten blijven voor zover zij het gebruik of de verhandeling van producten belemmeren. Hier is echter geen sprake van een meldplichtig technisch voorschrift dat op de belanghebbende van toepassing is.
Ten slotte wordt overwogen dat zelfs als bepaalde onderdelen van de Wet BPM meldplichtige technische voorschriften zouden zijn, deze voor fiscale maatregelen van vóór 1 juli 1995 niet gemeld hoefden te worden, en dat niet-melding in dit geval de belanghebbende niet zou baten. De Hoge Raad geeft daarom in overweging het cassatieberoep te verwerpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de Wet BPM geen meldplichtig technisch voorschrift is, zodat de belastingplichtige BPM-heffing moet voldoen.