ECLI:NL:PHR:2001:AA9560
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over loonbetaling bij nietig ontslag en bereidheid tot werkhervatting
Eiser trad in 1985 in dienst bij verweerster en kreeg in 1994 ontslag wegens werkvermindering, dat later nietig werd verklaard omdat de vereiste toestemming ontbrak. Eiser meldde zich ziek, gaf herstel aan, maar werd niet toegelaten tot het werk omdat hij was ontslagen. De rechtbank wees loonvorderingen af omdat eiser niet tijdig zijn bereidheid tot werkhervatting aan verweerster had gemeld.
De Hoge Raad stelt dat de werknemer recht op loon behoudt als het ontslag nietig is en hij bereid is de bedongen arbeid te verrichten, mits die bereidheid voor de werkgever kenbaar is. Echter, indien de werkgever duidelijk heeft gemaakt geen gebruik te willen maken van de arbeid, kan niet van de werknemer worden verlangd dit uitdrukkelijk te melden.
De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor verdere behandeling, waarbij ook de mate van loonbetaling en eventuele matiging opnieuw beoordeeld moeten worden.
De uitspraak verduidelijkt de vereisten voor loonbetaling bij nietig ontslag en de rol van de werknemer in het kenbaar maken van werkbereidheid, met aandacht voor de omstandigheden van het geval.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof voor verdere behandeling.