ECLI:NL:PHR:2001:AB1066
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over bewijslastverdeling bij beroepsaansprakelijkheid advocaat in strafzaak
In deze zaak staat de vraag centraal of de advocaat zijn cliënt voldoende heeft geïnformeerd over het afwijzen van een uitstelverzoek en het doorgaan van een strafzitting op 23 december 1992. De cliënt, veroordeeld tot gevangenisstraf, stelt dat de advocaat tekort is geschoten in zijn informatieplicht, waardoor hij niet tijdig aanwezig was bij de zitting.
De rechtbank en het hof hebben de hoofdregel van art. 177 Rv Pro toegepast, waarbij de bewijslast bij de cliënt ligt om te bewijzen dat de advocaat hem niet heeft geïnformeerd. De cliënt slaagde er niet in dit bewijs te leveren, waarna de vordering werd afgewezen. De advocaat stelde dat hij de cliënt zowel telefonisch als schriftelijk had geïnformeerd, maar de cliënt ontkende dit.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de bewijslastverdeling, waarbij wordt bevestigd dat de hoofdregel geldt, maar dat in gevallen van beroepsaansprakelijkheid een verhoogde stelplicht kan gelden voor de dienstverlener. In dit geval oordeelt de Hoge Raad dat de cliënt geen informatieachterstand heeft ten opzichte van de advocaat over het telefonische contact en dat de bewijslast terecht bij de cliënt is gelegd.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar een ander hof voor verdere behandeling, omdat het hof de bewijslastverdeling niet juist heeft gemotiveerd en onvoldoende rekening hield met de belangen van de cliënt.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar een ander hof voor verdere behandeling.