Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat ’s Hofs arrest onjuist althans onvoldoende naar de eisen der wet met redenen is omkleed, nu het Hof ten onrechte heeft geconcludeerd dat van inkeer als bedoeld in art. 69, derde lid, van de Algemene Wet inzake de rijksbelastingen (verder: AWR) in verbinding met art. 28, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst geen sprake is dan wel dat deze inkeer niet tijdig was.
“IV. Vrijwillige verbetering
Beroep op de inkeerregeling
tijdigtot inkeer moet zijn gekomen, dat wil naar de wettelijke omschrijving zeggen: vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de ambtenaren als bedoeld in art. 80, eerste lid, AWR de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden. De ratio van deze bijzondere voorziening is gelegen in de gedachte dat voorkomen moet worden dat de belastingplichtige die een aanvang met belastingontduiking heeft gemaakt tot inkeer te ontmoedigen en daarmee door te gaan uit angst voor strafvervolging. [3] Juist de voorwaarde dat het alsnog vervullen van de fiscale verplichtingen moet hebben plaatsgevonden voordat de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de onjuistheid of onvolledigheid bij de belastingambtenaar bekend is of zal worden, schept in rechte ruimte voor verschil van inzicht en dus voor discussie tussen de procespartijen. Of met succes een beroep kan worden gedaan op de inkeerregeling, zal in elk voorkomend geval sterk afhangen van de feitelijke omstandigheden en naar objectieve maatstaven moeten worden beoordeeld. [4] Een al aangekondigd fiscaal onderzoek in een bepaalde branche, zal in de regel aan een doeltreffend beroep op deze regeling in de weg staan.
LJNAB1375,
BNB2001, 319.”
tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, keert zich tegen het oordeel van het Hof dat het bewijs voor opzet aanwezig is. Volgens de steller van het middel kunnen de door het Hof genoemde gronden dit oordeel niet dragen, terwijl voorts het Hof niets heeft overwogen omtrent het opzet ten tijde van het doen van de aangiften omzetbelasting, zoals blijkens het arrest van HR 4 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5810 is vereist, en het de bewijslast ter zake van de wetenschap bij verzoeker onjuist heeft verdeeld.
“Overweging met betrekking tot het bewijs
geobjectiveerden dus onttrokken aan de reikwijdte of het toepassingsbereik van het (voorwaardelijk) opzet ter zake. [10] Welbewust heeft de wetgever ervan afgezien om in art. 69, tweede lid, AWR bijvoorbeeld het oogmerk tot belastingontduiking als delictsbestanddeel op te nemen en heeft hij gekozen voor de geldende delictsomschrijving. [11] Bijgevolg kan worden gezegd dat de subjectieve wilsrichting van de verdachte in relatie tot het strekkingsvereiste in strafrechtelijk opzicht niet relevant is. Aldus is strikt genomen niet van belang of de verdachte de bedoeling had door zijn aangifte te weinig belasting te betalen. Ik citeer het volgende uit de Memorie van Toelichting bij de Wet van 18 december 1997 tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van de Invorderingswet 1990 in verband met de herziening van het stelsel van administratieve boeten en van het fiscale strafrecht (Stb. 1997, 738):