ECLI:NL:PHR:2001:AB2373
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en taak van de Raad voor de Kinderbescherming bij begeleiding omgangsregelingen
De zaak betreft een geschil over de rol van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) bij de begeleiding van omgangsregelingen tussen een vader en zijn kinderen na echtscheiding. De rechtbank had een voorlopige omgangsregeling vastgesteld waarbij de RvdK werd opgedragen de omgang te begeleiden. De moeder weigerde medewerking, waarna diverse procedures en ondertoezichtstellingen volgden.
Het hof bevestigde de opdracht aan de RvdK tot actieve begeleiding en oordeelde dat de RvdK deze taak kan delegeren aan andere maatschappelijke instellingen. De RvdK kwam in cassatie tegen deze beschikking, stellende dat een wettelijke grondslag voor deze taak ontbreekt.
De Procureur-Generaal concludeert dat de RvdK geen wettelijke taak heeft om een door de rechter vastgestelde omgangsregeling actief te begeleiden. De taak van de RvdK beperkt zich tot het adviseren en het onderzoeken of kinderbeschermingsmaatregelen nodig zijn. Positieve verplichtingen uit het EVRM en IVRK rechtvaardigen geen uitbreiding van deze taak. De regering beraadt zich nog over maatregelen ter effectuering van omgangsregelingen.
De conclusie is dat het cassatiemiddel gegrond is en dat de beschikking van het hof vernietigd moet worden, met verwijzing naar een ander hof voor verdere behandeling. De zaak benadrukt de scheiding tussen hulpverlening en recht en de beperkte rol van de RvdK als onderzoeks- en adviesinstantie.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en verwijst de zaak terug wegens het ontbreken van wettelijke grondslag voor de actieve begeleidende taak van de Raad voor de Kinderbescherming.