Conclusie
Trb.1974, 6). Ter implementatie van de ingevolge deze overeenkomst vastgestelde Eenvormige Wet is onder meer in onze wetgeving art. 611a Rv opgenomen, waarin is bepaald dat – voor zover hier van belang – de rechter ‘op vordering van een der partijen’ de wederpartij kan veroordelen tot betaling van een geldsom, dwangsom genaamd, voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan. Dezelfde vraag kan gesteld worden bij de (analoge) toepassing van art. 1:253a lid 5 BW en het op grond daarvan ambtshalve opleggen van een dwangsom.
2. Inleiding
3. Korte geschiedenis dwangsomregeling
4. Art. 611a Rv: dwangsom ‘op vordering van een der partijen’
5. Dwangsom tot nakoming van familierechtelijke verplichtingen?
6. Tussenconclusie (I): dwangsomrecht
7. Korte inleiding art. 1:253a BW en art. 1:377a BW
8. Parlementaire geschiedenis over effectuering van omgangsregelingen (middels dwangsommen) tot Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding
9. Tussenconclusie (II): parlementaire geschiedenis tot Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding
10. Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding; parlementaire geschiedenis art. 1:253 a lid 5 BW
11. Tussenconclusie (III): parlementaire geschiedenis Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding en nadien
12. Rechtspraak Hoge Raad over aan nakoming omgangsregeling verbonden dwangsommen
13. Tussenconclusie (IV): rechtspraak Hoge Raad
14. Feitenrechtspraak over ambtshalve dwangsom ter nakoming van een omgangsregeling
15. Tussenconclusie (V): feitenrechtspraak
16. Literatuur over ambtshalve dwangsom ter nakoming van een omgangsregeling
17. Uit art. 8 EVRM Pro voortvloeiende positieve verplichtingen voor nationale autoriteiten ter effectuering van een omgangsregeling; rechtspraak EHRM en Hoge Raad
18. Middel van cassatie
19. Vordering
Het hof is (…) van oordeel dat het feit dat artikel 377a BW, anders dan artikel 253a BW, de rechter niet expliciet de bevoegdheid geeft om eventueel ambtshalve een door de wet toegelaten dwangmiddel op te leggen (…), niet betekent dat het opleggen van zo’n dwangmiddel, indien sprake is van een situatie ex artikel 377a BW, in het geheel niet mogelijk zou zijn. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:91) vloeit bovendien de uitdrukkelijke opdracht aan de rechter voort om als deze de gronden van de met het gezag belaste ouder om medewerking aan omgang te weigeren ongenoegzaam acht, alle passende maatregelen te nemen om de met gezag belaste ouder er alsnog toe te bewegen om alsnog medewerking te verlenen.”
Indien het belang van het kind het noodzakelijk maakt om dwangmiddelen in te zetten, behoort hiervan uiteraard ook gebruik te worden gemaakt. Om een en ander tot uitdrukking te brengen, is de redactie van artikel 1:253a BW (nieuw) aangepast. Door de wijziging die is opgenomen in de bijgevoegde nota van wijziging, geeft de wettekst nu met zoveel woorden aan dat de rechter een door de wet toegelaten dwangmiddel kan opleggen, dit eventueel ook ambtshalve, en voorts kan bevelen dat de beschikking met de sterke arm ten uitvoer kan worden gelegd. (…) Dit creëert geen nieuwe wettelijke sanctiemogelijkheden, maar het expliciet opnemen van de mogelijkheid tot het opleggen van een dwangmiddel kan er wel aan bijdragen dat de zorg- of omgangsregeling in meer gevallen wordt nageleefd.”
De minister maakt in de nota voor wat betreft de ambtshalve toepassing van de in artikel 1:253a lid 5 BW bedoelde dwangmiddelen geen onderscheid tussen het vaststellen van een zorgregeling (bij gezamenlijk gezag) en een omgangsregeling (bij éénoudergezag), hetgeen het hof ook juist voor komt. De wetgever heeft niet de bedoeling gehad de omgangssituatie in dit opzicht anders te behandelen dan de situatie waarin een zorgregeling dient te worden vastgesteld of nagekomen.”
2.Inleiding
ambtshalveover te gaan tot het opleggen van een dwangsom bij niet-nakoming van een omgangsregeling, indien geen sprake is van gezamenlijk gezag (art. 1:377a BW).
Trb. 1974, 6). Ter implementatie van de ingevolge deze overeenkomst vastgestelde Eenvormige Wet is onder meer in onze wetgeving art. 611a Rv opgenomen waarin is bepaald dat – voor zover hier van belang – de rechter ‘op vordering van een der partijen’ de wederpartij kan veroordelen tot betaling van een geldsom, dwangsom genaamd, voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan. Dezelfde vraag kan gesteld worden bij de (analoge) toepassing van art. 1:253a lid 5 BW en het op grond daarvan ambtshalve opleggen van een dwangsom.
Stb.1932, 676), trad op 1 april 1933 in werking. Ingevolge deze wet is er in art. 611a [36] en 611b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, na de bepalingen betreffende lijfsdwang, in een afzonderlijke afdeling getiteld ‘Van dwangsom, een regeling over de dwangsom opgenomen. [37] De dwangsomregeling van 1932 (en de onder die regeling ontwikkelde rechtspraak) is in zoverre ook voor de hierna te bespreken op de Eenvormige Wet berustende huidige regeling van belang nu de ontwerpers van de Eenvormige Wet de Nederlandse regeling van 1932 als leidraad hebben genomen. [38] De Nederlandse wetgever constateerde in de memorie van toelichting op de wijzigingswet dat de nieuwe regeling slechts in haar uitwerking af zou wijken van hetgeen destijds gold en dat niet te verwachten is dat deze regeling in de huidige praktijk verandering zal brengen, met name omdat het opleggen ook in de nieuwe regeling een discretionaire bevoegdheid van de rechter bleef. [39]
op vordering van de eiserbepalen, dat de veroordeelde ten behoeve van de eiser een bij vonnis vast te stellen geldsom, dwangsom genaamd, zal verbeuren, in geval de veroordeelde aan een op eisers verzoek uitgebracht bevel tot nakoming van de veroordeling niet voldoet.”
Artikelen 611a-611i.In het ontwerp was schrapping van deze artikelen betreffende de dwangsom voorgesteld, omdat dezelfde regeling reeds is te vinden in de artikelen 3.11.5-5g nieuw B.W. De plaatsing in Boek 3 impliceert dat deze regeling in beginsel slechts geldt voor het vermogensrecht en dat zij buiten het vermogensrecht slechts van toepassing is binnen de grenzen van artikel 3.11.21. Intussen is evenwel gebleken dat deze opzet moeilijk te verenigen is met de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, die de onderhavige regeling in de Nederlandse wetgeving beoogt te incorporeren. In twee arresten, beide van 11 mei 1982, is immers door het Beneluxgerechtshof geoordeeld dat deze Eenvormige Wet onverkort ook voor verhoudingen van familierecht geldt. In deze omstandigheden is er bij nader inzien de voorkeur aan gegeven de regeling van de dwangsom in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te laten staan. Ook Boek 3 zal hieraan moeten worden aangepast.”
4.Art. 611a Rv: dwangsom ‘op vordering van een der partijen’
op vordering van een der partijende wederpartij veroordelen tot betaling van een geldsom, dwangsom genaamd, voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan, onverminderd het recht op schadevergoeding indien daartoe gronden zijn. Een dwangsom kan echter niet worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom.
De stelling dat alleen de Staat van de dwangsom profijt zou mogen trekken wordt wegens de volgende redenen niet bijgetreden:
1. Volgens het burgerlijk procesrecht van de Beneluxlanden beoordeelt een procespartij zelf haar belangen en beslist zij, of het gewenst is gebruik te maken van mogelijkheden en dwangmiddelen voor een doeltreffende bescherming van die belangen;
De argumenten die onder de nrs 1 en 2 gegeven zijn, zijn a fortiori van toepassing op maatschappelijke instellingen. De keuze, welke van deze instellingen voordeel zouden mogen trekken van dwangsommen, zou op zichzelf reeds talrijke moeilijkheden opleveren.
Het spreekt vanzelf dat de bepalingen van de eenvormige wet eveneens van toepassing zijn op de Staat en andere publiekrechtelijke rechtspersonen, of zij schuldeiser dan wel schuldenaar zijn.”
desgevorderd, aan de veroordeling door de vaststelling van een dwangsom kracht bij te zetten;” (curs. A-G). [80]
NJ1984, 704, heeft overwogen ‘dat uit deze bepaling’ (art. 1 lid 1 van Pro de Eenvormige wet) ‘blijkt, dat de dwangsom slechts op vordering van de partij kan worden opgelegd en dat de rechter haar niet ambtshalve kan uitspreken’.
Valois/Elit) gaat het om een zo voor de hand liggende uitleg van art. 1 lid 1 Eenvormige Pro Wet, dat geen vragen van uitleg gesteld hoeven te worden aan het Benelux-Gerechtshof. De Hoge Raad komt dus tot de slotsom dat art. 1 lid 1 van Pro de Eenvormige Wet en mitsdien art. 611a Rv aldus moeten worden verstaan dat ook de rechter in kort geding een dwangsom slechts op vordering van de eisende partij kan opleggen. Over het achterwege kunnen blijven in deze zaak van een prejudiciële beslissing van het Benelux-Gerechtshof merkt Snijders in zijn annotatie bij het arrest van de Hoge Raad van 25 mei 1990 nog het volgende op: [83]
Tuypens/Van Hoorebeeke-arrest van het BenGH van 29 november 1993. [89] In dat arrest ging het in een Belgische echtscheidingscasus om een door de rechter op verzoek van notarissen (die de akte van boedelbeschrijving verlijden) aan de man gegeven bevel om de eed af te leggen inhoudende dat hij niets heeft verduisterd noch van enige verduistering kennis draagt. Het BenGH heeft ter beantwoording van een tweetal door het Belgisch Hof van Cassatie gestelde vragen het volgende overwogen:
kan…”). Indien oplegging van een dwangsom in een procedure wordt gevorderd, staat het de rechter volledig vrij aan de vordering geheel, gedeeltelijk of helemaal geen gevolg te geven. [98] Aan de rechter komt een, in cassatie in beginsel niet te toetsen, discretionaire bevoegdheid toe. [99] De rechter is niet gebonden aan de door de eisende partij gevorderde hoogte en modaliteiten (ineens, per dag, per gebeurtenis). [100] Het Benelux-Gerechtshof heeft in zijn arrest van 17 december 1992 geoordeeld dat op grond van art. 1 eerste Pro lid van de Eenvormige Wet (art. 611a lid 1 Rv) een veroordeling tot een hogere dwangsom kan worden uitgesproken dan de door eiser aangegeven veroordeling. [101] Volgens het BenGH vloeit uit de opzet van de Eenvormige Wet, meer bepaald de art. 1 eerste Pro lid en 2, voort, ‘dat de vaststelling van de hoogte van de dwangsom, d.i. een dwangmiddel om de uitvoering van een rechterlijke uitspraak te verkrijgen, niet aan de beoordeling van de eiser wordt overgelaten, doch uitsluitend onder de bevoegdheid van de rechter ressorteert.’ [102] Daaruit volgt, aldus het hof, dat de rechter niet door de aanwijzing van de eiser met betrekking tot de hoogte van de dwangsom is gebonden. [103] Annotator Snijders constateert dat hiermee naar het oordeel van het BenGH vaststaat dat ook de vordering van een bepaalde dwangsom – hoe gering ook – de rechter carte blanche geeft. [104] Snijders vraagt zich in dit verband in zijn noot bij het arrest van het hof echter af, nu de auteurs van de Eenvormige Wet ambtshalve oplegging van een dwangsom wensten uit te sluiten teneinde ‘willekeur en automatisme’ te voorkomen, of het niet even onwenselijk is om de rechter in de gelegenheid te stellen zonder hoor van gedaagde een dwangsom op een veelvoud te bepalen van het door eiser gevorderde bedrag. [105] Volgens Snijders kan men zich onder meer afvragen of het algemeen belang, dat gebaat is bij naleving en doelmatigheid van rechterlijke uitspraken en dat mede de ratio voor de Eenvormige Wet op de dwangsom vormt [106] , de volgens hem omstreden opvatting wel kan dragen. Hij vervolgt: [107]
NJ1984, 704 is immers in de kern beslist dat de eisende partij ermee kan volstaan een dwangsom te vorderen zonder daarbij bedrag en modaliteiten, die aan het gezag van de rechter worden overgelaten, aan te geven, terwijl het Benelux-Gerechtshof in zijn arrest van 17 december 1992, nr. A 91/4,
NJ1993, 545 daaraan heeft toegevoegd dat een veroordeling tot een hogere dwangsom kan worden uitgesproken dan door de eiser is gevorderd.
Valois/Elit). De woorden ‘op vordering van een der partijen’ in art. 1 lid 1 Eenvormige Pro Wet laten een partij die de dwangsom vordert, aldus het BenGH, toe de dwangsom te vorderen zonder daarbij bedrag en modaliteiten, die aan het gezag van de rechter worden overgelaten, aan te geven. In het arrest van 2 april 1984 was het BenGH namelijk van oordeel dat een verplichting voor de partij die de dwangsom vordert om het bedrag en de modaliteiten van de dwangsom aan te geven, mede gelet op de in art. 2 Eenvormige Pro Wet aan de rechter toegekende vrijheid met betrekking tot de vaststelling van de dwangsom, niet met het bepaalde in de art. 1 en Pro 2 van die wet strookt. [123]
5.Dwangsom tot nakoming van familierechtelijke verplichtingen?
Hugenholtz/Heemskerkwordt naar voren gebracht dat de dwangsom is gegeven als middel om de nakoming van verplichtingen voortvloeiend uit het burgerlijk recht af te dwingen en dat bij het burgerlijk recht in dit verband in de eerste plaats aan het burgerlijk vermogensrecht is te denken. Buiten het vermogensrecht kan volgens
Hugenholtz/Heemskerkde dwangsom worden toegepast voor zover de aard van de betrokken rechtsverhouding zich daartegen niet verzet, waarbij ter vergelijking wordt gewezen op art. 3:326 BW Pro. [133] Met name – en dat is in het kader van deze vordering van belang – kan bij verplichtingen uit het personen- en familierecht de aard van de verplichting zich tegen afdwinging daarvan door middel van een dwangsom verzetten. Hierbij kan, aldus Jongbloed, een beroep worden gedaan op het beginsel dat geen dwang op de persoon is toegelaten, te meer daar het veelal persoonlijke handelingen zal betreffen. [134]
6.Tussenconclusie (I): dwangsomrecht
7.Korte inleiding art. 1:253a BW en art. 1:377a BW
Parlementaire geschiedenis over effectuering van omgangsregelingen (middels dwangsommen) tot Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding
De voorkeur wordt eraan gegeven eerst eens aan te zien hoe de nieuwe regeling in de praktijk zal gaan werken. Met het WIJN [Werkverband Integratie Jeugdwelzijnswerk Nederland; toev. A-G] kan voorts worden ingestemd waar dit opmerkt dat de voorgestelde wettelijke omschrijving van de bevoegdheid tot omgang, de verplichting tot medewerking aan de uitoefening daarvan, en de mogelijkheid tot het vaststellen van een regeling door de rechter op zich zelf al een stimulans voor de ouders zouden moeten zijn de omgang als een vanzelfsprekende zaak te beschouwen en daarvoor zoveel mogelijk onderling regelingen te treffen.
(…)
Wijziging van een bestaande regeling inzake de uitoefening van de omgang kan soms een oplossing bieden voor gerezen problemen bij de omgang.
(…)
3.Mogelijkheden tot effectuering van omgang
4.Realisering van omgang in de praktijk
Artikel 253a
Tussenconclusie (II): parlementaire geschiedenis tot Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding
NJ1983/613). Eveneens wordt art. 611a Rv in dit verband aangehaald, waarbij letterlijk wordt aangehaald dat ingevolge dat artikel de rechter op vordering van een partij de wederpartij kan veroordelen tot betaling van een dwangsom voor het geval aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan. [206]
Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding; parlementaire geschiedenis art. 1:253 a lid 5 BW
Beide normen brengen tevens tot uitdrukking dat afspraken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, inclusief een regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag (artikel 253a, tweede lid (nieuw)) of een omgangsregeling (artikel 377a) die door de rechter in de beschikking is vastgelegd, moeten worden nagekomen door beide ouders. Bij het niet nakomen van de afspraken of een getroffen regeling waardoor de norm niet wordt gerespecteerd, kan de rechter zo nodig een dwangmiddel opleggen of het gezag wijzigen.”
nietzijn hoofdverblijfplaats heeft. Zowel Hof Amsterdam (27 januari 2005, LJN: AS6020) als Hof ’s-Gravenhage (31 augustus 2005, LJN: AU2003) hebben in twee concrete situaties vastgesteld dat in het geheel van dwangmiddelen die in het kader van de tenuitvoerlegging van een zorg- of omgangsregeling kunnen worden aangewend, een (voorlopige) gezagswijziging (waarbij in de hoofdverblijfplaats van het kind geen wijziging wordt gebracht) een uiterste middel is om omgang te bewerkstelligen. Beide gerechtshoven hebben het in belang van de kinderen geacht dat één ouder (in deze gevallen de vader) belast werd met het ouderlijk gezag. Vermoedelijk zullen in de nabije toekomst in de jurisprudentie de grenzen van deze wijze van effectueren van een zorg- of omgangsregeling verder worden ontwikkeld.
eventueel ook ambtshalve, en voorts kan bevelen dat de beschikking met de sterke arm ten uitvoer kan worden gelegd. Een algemene, meer automatische toepassing van dwangmiddelen acht ik niet in het belang van het kind. In ieder concreet geval dient de belangenafweging te worden gemaakt of, en zo ja, welk dwangmiddel moet worden ingezet.
de wettekst te verduidelijkendoor aan te geven dat het, wanneer de situatie dit vereist, mogelijk is om een dwangmiddel op te leggen.
Dit creëert geen nieuwe wettelijke sanctiemogelijkheden, maar het expliciet opnemen van de mogelijkheid tot het opleggen van een dwangmiddel kan er wel aan bijdragen dat de zorg- of omgangsregeling in meer gevallen wordt nageleefd.
Het wetsvoorstel beoogt primair te voorkomen dat er problemen na de scheiding ontstaan door ouders vroegtijdig te laten nadenken over hoe zij het ouderschap willen invullen na de scheiding. Hiertoe wordt een aantal minimumeisen gesteld. De onderwerpen van het ouderschapsplan (artikel 815 Rv Pro (nieuw)) zijn gekozen omdat dit de essentiële punten zijn bij de uitoefening van het gezamenlijk gezag. Maar ook omdat zij in de praktijk, zoals uit de jurisprudentie blijkt, kunnen leiden tot een conflict dat dan weer door de rechter moet worden beslecht. Ik verwacht[ing] dat door vroegtijdig vastleggen van afspraken op in ieder geval deze punten, conflicten in veel gevallen kunnen worden voorkomen. Mochten er nadien toch conflicten ontstaan en kunnen mediation en jeugdzorg geen oplossing bieden, dan is en blijft het mogelijk om de rechter te verzoeken een regeling te treffen. Deze mogelijkheden zijn uitdrukkelijk opgenomen in artikel 1:253a BW (nieuw) en nu bij nota van wijziging nog aangevuld met de verduidelijking dat het mogelijk is om bij niet-nakoming van de beschikking een dwangmiddel in te zetten.
een door de wet toegelaten dwangmiddelopleggen, dan wel bepalen dat de beschikking of onderdelen daarvan met toepassing van artikel 812, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer kunnen worden gelegd.”
dwangsomgenoemd. Het enige door de minister genoemde voorbeeld van het ingevolge art. 1:253a lid 5 BW ambtshalve inzetten van een dwangmiddel betreft het ambtshalve door de rechter kunnen bepalen dat een beschikking of onderdelen daarvan met toepassing van (het destijds ook voorgestelde) tweede lid van art. 812 Rv Pro ten uitvoer kunnen worden gelegd (zijnde het met de sterke arm doen uitvoeren van een beschikking). In paragraaf 4 ‘Verantwoordelijkheid overheid en een effectief sanctiebeleid’ van genoemde nota naar aanleiding van het verslag schrijft de minister over art. 812 Rv Pro onder meer het volgende (onderstreping A-G): [219]
Om te verduidelijken in welke situaties de mogelijkheid bestaat om een beschikking met de sterke arm te doen uitvoeren, stel ik voor om artikel 812 Rv Pro in samenhang met artikel 253a te wijzigen. De wijziging die is opgenomen in de bijgevoegde nota van wijziging houdt in dat de rechter op verzoek van een ouder
maar ook ambtshalvekan bepalen dat de beschikking of onderdelen daarvan met toepassing van artikel 812, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer kunnen worden gelegd. De rechter mag dit uitsluitend doen indien medewerking aan de tenuitvoerlegging van de beschikking niet verzekerd is en het belang van het kind zich niet verzet tegen afgifte zonodig met behulp van de sterke arm. Dit zal niet in veel gevallen aan de orde zijn omdat het ophalen van een kind door de politie alleen in uiterste gevallen een passende aanpak zal zijn. Door toevoeging van een nieuw lid aan artikel 812 Rv Pro wordt dus tevens verduidelijkt dat beschikkingen op grond van artikel 253a of 377a niet onder het van rechtswege bestaande recht van artikel 812, eerste lid (nieuw) vallen.”
ambtshalveeen dwangsom op te leggen tijdens de algemene beraadslagingen over het wetsvoorstel niet aan bod. Uiteraard gaat het wel over de handhaving van zorg- en omgangsregelingen en sancties bij niet-nakoming daarvan. [220] Ik laat ter illustratie minister Hirsch Ballin in debat met Kamerlid Agema (PVV) aan het woord (de minister spreekt overigens ook uitsluitend over een gevorderde dwangsom): [221]
Hirsch Ballin: (…) Mevrouw Agema sprak over alternatieven. Zij noemde een bedrag van € 1000 als richtsnoer voor de dwangsom, waarschijnlijk vanuit de gedachtegang dat die een zekere indruk moet maken. Ik weet niet of dat met dit bedrag in alle situaties het geval is. Een van de middelen om de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak te bewerkstelligen is het in kort geding
vorderen van een dwangsom. De hoogte ervan is ook afhankelijk van inkomen en vermogen van degene die de dwangsom moet betalen. Dat is nodig om de dwangsom zo effectief te doen zijn als mevrouw Agema kennelijk voor ogen stond. Voor de een zal zo’n bedrag extreem hoog zijn, terwijl de ander het er misschien graag voor over heeft, om een rechterlijke uitspraak te kunnen negeren. De rechter zal ter zake vrijheid bij het bepalen van de parameters moeten behouden.
Agema(PVV): Ik heb geen duidelijk antwoord gekregen op de vraag of de minister mijn standpunt wilde overnemen. Ik wil een minimumsanctie van ten minste € 1000, voor het geval een ouder bij herhaling de omgangsregeling frustreert.
Hirsch Ballin: Daar geldt hetzelfde voor. De criteria moeten op de gebruikelijke manier worden gehanteerd door de rechter.
Agema(PVV): Ik vind dit niet echt bevredigend. In de praktijk gaat het voortdurend mis. Mevrouw Halsema zei in eerste termijn al dat in 40% van de gevallen het contact met de vader verbroken wordt. Blijkbaar zijn op dit moment de mogelijkheden om te voorkomen dat de omgangsregelingen zo vaak worden gefrustreerd ontoereikend. Ik hoop dat de minister het in het leven roepen van een minimumsanctie in overweging wil nemen.
Hirsch Ballin: Mevrouw Agema veronderstelt, als ik haar goed begrijp, dat de rechter in een situatie van frustratie van de rechterlijke uitspraak niet in staat of bereid zou zijn om een dwangsom op te leggen die voldoende indruk maakt. Ik kan dat zonder nadere gegevens of concrete voorbeelden niet beoordelen.
Bovendien moet ik in acht nemen dat de rechter daarover moet beslissen aan de hand van de wettelijke criteria. Ik denk niet dat een minimumbedrag ongeacht aspecten als inkomen en vermogen op dit specifieke terrein zou moeten worden ingevoerd. Wij moeten dat doen via het algemene richtsnoer van het burgerlijke procesrecht.”
artikel 611a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)kan de rechter
op vordering van een partijde wederpartij veroordelen tot betaling van een dwangsom voor het geval aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan;
moet hier wel uitdrukkelijk om verzoeken. De rechter kan niet zelf (ambtshalve) een dwangsom opleggen. De aan artikel 611a ten grondslag liggende Benelux-regeling sluit dit uit.”
3.6 Handhaving
Tussenconclusie (III): parlementaire geschiedenis Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding en nadien
12.Rechtspraak Hoge Raad over aan nakoming omgangsregeling verbonden dwangsommen
NJ1996, 355).
However, the situation in the present case does not concern a situation in which the authorities have barred the applicant from having access to his children. The domestic courts did in fact determine an access arrangement for the applicant including the determination of a penalty for non-compliance by Ms H. The applicant does not, as such, complain that the Netherlands judicial authorities failed to recognise his right to enjoy family life with his children. His complaint is that, under Dutch law, he cannot off set the penalties due by Ms H. against the child maintenance that he has to pay.
Van de rechter kan temeer een actieve opstelling worden verlangd naarmate voor de weigering van de met het gezag belaste ouder minder — of zelfs geen — goede en voldoende aannemelijk gemaakte gronden worden aangevoerd.
De moeder is in hoger beroep gegaan van deze beschikking. Het hof heeft geoordeeld dat op korte termijn een begeleide omgangsregeling tot stand dient te komen. Het hof verwijst partijen daarom opnieuw naar het Omgangshuis en verbindt aan de medewerking door de moeder een dwangsom. De moeder heeft cassatieberoep ingesteld.
reformatio in peiusten aanzien van de door het hof opgelegde dwangsomsanctie was geschonden. [259] Ik vermoed dat A-G Langemeijer hiertoe kwam doordat in middelonderdeel I – in een ander verband – wordt opgemerkt dat het hof, met te beslissen als het heeft gedaan, tevens het verbod van reformatio in peius heeft overtreden: de vrouw mag er door het instellen van het hoger beroep niet slechter voor komen te staan dan het geval was voordat zij dit beroep instelde. De door het hof vastgestelde omgangsregeling zou volgens middelonderdeel I een (door de vrouw uitdrukkelijk niet gewenste) uitbreiding van de omgangsregeling kunnen inhouden, waarna onderdeel I eindigt met de constatering dat zulks ook geldt voor middelonderdeel II. Hoe het ook zij, ik laat de A-G aan het woord over onderdeel II en de schending van het verbod van reformatio in peius: [260]
reformatio in peiusten aanzien van de opgelegde dwangsomsanctie komt erop neer dat het appelrechter ten onrechte, buiten de grieven om, een dwangsom aan de appellante heeft opgelegd. Deze klacht acht ik gegrond. De rechtbank had in haar beschikking van 19 september 2012 geen dwangsomsanctie opgelegd; in haar beschikking van 11 januari 2012 had zij overwogen dat de ‘huidige ontwikkelingen’ haar aanleiding gaven de beslissing over het opleggen van een dwangsom aan te houden. Het hoger beroep van de moeder bood voor de appelrechter geen grondslag om, buiten de daardoor bepaalde grenzen van de rechtsstrijd, alsnog een dwangsom op te leggen. Uit de bestreden beschikking blijkt evenmin dat het hof in de stellingen van de vader ten aanzien van een aan de omgangsregeling te verbinden dwangsomsanctie een incidenteel hoger beroep heeft gelezen. Integendeel, de vader had in appel geconcludeerd tot bekrachtiging van de beschikking in eerste aanleg (zie rov. 3.3). De bestreden beschikking kan op dit punt niet in stand blijven. Het valt ook op dat het hof, anders dan eerder de voorzieningenrechter, geen woord heeft gewijd aan de mogelijkheid een bedrag te bepalen waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd (art. 611b Rv).”
Trb. 1974/6) is een discussie waard, maar kan in deze zaak onbesproken blijven. [266]
13.Tussenconclusie (IV): rechtspraak Hoge Raad
Trb. 1974/6) strookt, een discussie waard is. [270]
14.Feitenrechtspraak over ambtshalve dwangsom ter nakoming van een omgangsregeling
Dwangsom
aan de GI(ondanks dat dit niet tijdens de mondelinge behandeling is besproken) om de omgangsregeling te bevorderen omdat er sprake is van niet nakomen van contacten tussen de ouders en de minderjarige door een verzuimende gezaghebbende instantie. [291] De rechtbank verwijst voor het ambtshalve opleggen van een dwangsom in een art. 1:377a BW-situatie eveneens naar de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 21 april 2020 [292] en naar rov. 12.5.6 van de hier voor cassatie in het belang der wet voorgedragen beschikking van het hof Den Bosch van 20 januari 2022. [293] De rechtbank overweegt hiertoe onder meer het volgende: [294]
15.Tussenconclusie (V): feitenrechtspraak
16.Literatuur over ambtshalve dwangsom ter nakoming van een omgangsregeling
FJRin 2014 naar aanleiding van de beschikking van de Hoge Raad van 28 maart 2014 (zie ook hiervoor onder par. 12.10-12.19) ingegaan op de mogelijkheden die de rechter heeft om een dwangsomsanctie te verbinden aan de veroordeling tot medewerking aan de uitvoering van een omgangsregeling (of de totstandkoming daarvan). Na te hebben geconstateerd dat art. 611a lid 1 Rv (art. 1 lid 1 van Pro de Eenvormige Wet betreffende dwangsom) bepaalt dat de rechter op vordering van een der partijen de wederpartij kan veroordelen tot betaling van een dwangsom voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan, en dat art. 1:253a lid 5 BW de rechter de mogelijkheid biedt ambtshalve of op verzoek een dwangmiddel op te leggen als tussen de ouders geen overeenstemming wordt bereikt en het belang van het kind zich daartegen niet verzet, vraagt zij zich af art. 1:253a BW strookt met de Benelux-Overeenkomst houdende de eenvormige wet betreffende de dwangsom (
Trb.1974/6). Zij haalt daartoe art. 1 lid 1 van Pro de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom (dat letterlijk is overgenomen in art. 611a Rv) en een daarbij horende passage uit de wetsgeschiedenis (de gemeenschappelijke memorie van toelichting) [302] aan en schrijft dan het volgende: [303]
Praktijktips
Asser Procesrecht/Asser 32023/204a wordt het opvallend genoemd dat art. 162 lid 3 Rv Pro uitdrukkelijk toelaat dat de rechter aan een ambtshalve gegeven bevel een dwangsom kan verbinden maar wordt vervolgens slechts geconstateerd dat dit dus een uitzondering op art. 611a Rv is dat immers het ambtshalve opleggen van een dwangsom niet kent. Opgemerkt wordt nog in
Asser Procesrecht/Asser 32023/204a dat “[v]erder mag worden aangenomen dat het in beginsel strijdig zou zijn met de goede procesorde indien de rechter partijen met de ambtshalve opgelegde dwangsom overvalt en hen niet van tevoren in de gelegenheid heeft gesteld zich over zijn voornemen daartoe uit te laten. Ook hier past prudent gedrag met het oog op de (processuele) belangen van partijen.”
EB2022/31 de aandacht. Zij betogen namelijk waarom de rechter in het geval van niet-nakoming van een
omgangsregeling ex art. 1:377a BW (dus in het geval van eenhoofdig gezag) ambtshalve dwangmiddelen op zou moeten kunnen leggen, ondanks dat de wet de rechter deze bevoegdheid in dat geval niet expliciet verleent. De vraag is volgens hen of de strikte uitleg (waarvan bijvoorbeeld Stein en Westenberg uitgaan) dat op basis van de Eenvormige Wet de familierechter niet ambtshalve mag overgaan tot het opleggen van een dwangsom en dat art. 1:253a lid 5 BW in strijd is met de Eenvormige Wet, nog passend is in het huidige maatschappelijke en juridische landschap. Brouwer-van de Put en Verbruggen-van Heijst bepleiten een nieuwe afweging van de Hoge Raad over deze kwestie en mogelijk zelfs een hernieuwde afweging van het Benelux-Gerechtshof en zetten – in hun woorden – de strike leer omtrent de ambtshalve dwangsom af tegen de bedoelingen van de wetgever, de (Europese) ontwikkelingen in het familierecht en de hedendaagse rol en verantwoordelijkheden van de familierechter in omgangskwesties, alsmede de unieke aard van de familierechtelijke procedure. [321]
ondanksalle hiervoor beschreven ontwikkelingen. Al met al kan ons inziens vooralsnog geconcludeerd worden dat het ambtshalve opleggen van een dwangsom op de nakoming van een omgangsregeling in het belang van het kind mogelijk is.”
Uit art. 8 EVRM Pro voortvloeiende positieve verplichtingen voor nationale autoriteiten ter effectuering van een omgangsregeling; rechtspraak EHRM en Hoge Raad
Manic/Letland) onder meer het volgende overwogen:
Hokkanen v. Finland, 23 September 1994, § 58, Series A no. 299A). The child’s best interests must be the primary consideration and may, depending on their nature and seriousness, override those of the parents (see
Płaza v. Poland, no. 18830/07, § 71, 25 January 2011).”
Maire/Portugal) werd in een geval van kinderontvoering over dwangmiddelen onder meer het volgende overwogen:
Pascal/Roemenië) en EHRM 11 juni 2013, nr. 20255/12 (
Prizzia/Hongarije) heeft het EHRM een aantal algemene uitgangspunten geformuleerd inzake de positieve verplichtingen die op de nationale autoriteiten rusten om omgangsregelingen te effectueren. [328] In rov. 33-38 van de zaak
Prizzia/Hongarijeoverweegt het EHRM het volgende:
General principles
Monory v. Romania and Hungary, no. 71099/01, § 70, 5 April 2005).
Keegan v. Ireland, 26 May 1994, § 49, Series A no. 290). In cases of this type, the child’s interest must come before all other considerations (see
Płaza v. Poland, no. 18830/07, § 71, 25 January 2011).
Pascal v. Romania, no. 805/09, § 69, 17 April 2012).
Ignaccolo-Zenide v. Romania, no. 31679/96, § 102, ECHR 2000‑I).
Shaw v. Hungary, no. 6457/09, § 67, 26 July 2011).
Glaser v. the United Kingdom, no. 32346/96, § 70, 19 September 2000).
Pascal/Roemenië) – benadrukt dat de rechter gehouden is passende maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder te bewegen mee te werken aan een omgangsregeling. [331]
E.K./Letland). [333] Van belang is nog dat de vader de omgangsregeling probeerde te effectueren middels de inschakeling van een gerechtsdeurwaarder.
I.M. e.a./Italië) [335] geeft hiervan een illustratie. In die zaak oordeelde het EHRM dat sprake was van schendingen van art. 8 EVRM Pro omdat – zakelijk weergegeven – de staat had gefaald in zijn verplichting om moeder en kinderen te beschermen en bij te staan tijdens de omgang met vader. Een door de rechter vastgestelde omgangsregeling werd namelijk niet uitgevoerd in een voor de moeder en kinderen veilige en beschermde omgeving. De omgangsmomenten voldeden volgens het EHRM al vanaf het begin niet aan de vereisten die daaraan waren gesteld door de rechtbank. Ondanks verschillende rapportages waaruit bleek dat de veiligheid en het welzijn van de kinderen tijdens de omgang niet gegarandeerd konden worden, bleef de rechtbank de omgangsregeling enige jaren in stand houden. Op geen enkel moment werd door de rechtbank het risico voor de kinderen beoordeeld en afgewogen tegen de andere belangen in deze zaak. De omgangsmomenten hebben de psychologische en emotionele balans van de kinderen verstoord, aldus het EHRM. Volgens het hof is er dan ook sprake van een schending van art. 8 EVRM Pro nu de kinderen gedwongen werden om contact te hebben met hun vader in een voor hen onveilige situatie. [336] Daarnaast hadden de nationale gerechten naar het oordeel van het EHRM nagelaten om de situatie van de moeder te onderzoeken en besloten zij het gezag van moeder te schorsen (waarbij moeder – die twee sessies niet was nagekomen – werd weggezet als een niet-meewerkende ouder) zonder daarbij alle relevante aspecten van de zaak te betrekken. Bij de beslissing om het gezag te schorsen was namelijk niet gekeken naar de omgangsproblemen, de onveilige omstandigheden die door verschillende instanties werden aangekaart, het ernstige geweld waaraan moeder is blootgesteld door vader en de tegen vader aanhangige strafrechtelijke procedure vanwege mishandeling. Kortom: de Italiaanse instanties hadden geen relevante en voldoende redenen aangedragen ter rechtvaardiging van de beslissing om het gezag van moeder voor drie jaar te schorsen. [337]
18.Middel van cassatie
NJ1983/613). Eveneens wordt art. 611a Rv in dit verband aangehaald, waarbij in meerdere parlementaire stukken letterlijk wordt aangehaald dat ingevolge dat artikel de rechter op vordering van een partij de wederpartij kan veroordelen tot betaling van een dwangsom voor het geval aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan.
Valois/Elit). Het is voldoende als de eiser (of verzoeker) in een procedure aan de door hem gewenste veroordeling van de gedaagde een niet nader gespecificeerde dwangsomveroordeling heeft gevorderd. Bij het voorgaande dient tevens bedacht te worden dat zelfs in het geval de eiser de gevorderde dwangsomveroordeling wel gespecificeerd heeft, de rechter daaraan echter niet gehouden is. [343] De rechter heeft namelijk nagenoeg onbeperkte vrijheid bij het opleggen van een dwangsom mits de oplegging van een dwangsom in een procedure wordt gevorderd/verzocht.
desverlangdis. Daarbij wordt door de Hoge Raad voor een aantal mogelijkheden verwezen naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.9 en 2.10. [348] Door A-G Langemeijer wordt op die plek onder meer de ‘veroordeling tot medewerking aan de uitvoering van een omgangsregeling op straffe van een dwangsom (art. 611 Rv Pro)’ genoemd onder verwijzing naar BenGH 11 mei 1982,
NJ1983/613. Indien de rechter de gronden welke de met het gezag belaste ouder aanvoert om geen medewerking te verlenen aan de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling ongenoegzaam acht, is de rechter volgens de Hoge Raad gehouden op korte termijn alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen daaraan alsnog medewerking te verlenen. [349]