ECLI:NL:PHR:2001:AB2566
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over onrechtmatige heffing omzetbelasting in prostitutiebranche en formele rechtskracht
De zaak betreft een exploitant van een relaxhuis annex sauna-instituut waar ook prostitutie plaatsvond. De Staat had over de jaren 1978-1990 omzetbelasting geheven over vergoedingen die deels betrekking hadden op het gelegenheid geven tot prostitutie. Een resolutie van 1978, die aanvankelijk geheim was gehouden, bepaalde dat niet alle ondernemers in deze branche omzetbelasting hoefden te betalen, maar dit beleid werd later gewijzigd.
De exploitant vorderde teruggave van de onterecht geheven omzetbelasting en stelde dat de Staat onrechtmatig had gehandeld door haar ongelijk te behandelen ten opzichte van andere ondernemers. De rechtbank verklaarde de vordering deels verjaard en wees deze af. Het hof vernietigde dit oordeel en veroordeelde de Staat tot schadevergoeding, waarbij het verweer van verjaring en formele rechtskracht werd verworpen.
De Hoge Raad oordeelt dat de leer van de formele rechtskracht ook geldt voor heffingen op aangifte en dat de exploitant vanaf maart 1988 geacht moet worden kennis te hebben kunnen nemen van de resolutie. De verjaring is slechts gestuit vanaf de brief van oktober 1990, waardoor de vordering verjaard is voor de periode 1978-1984. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling. Tevens wordt de exploitant in de proceskosten veroordeeld.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug, waarbij de verjaring en formele rechtskracht centraal staan.