Uitspraak
De Rechtbank heeft bij vonnis van 4 juni 1986 Amro veroordeeld om aan de Ontvanger af te geven:
Het onderdeel faalt.
De subonderdeel b en c miskennen eveneens dat de Ontvanger, naar het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft aangenomen, de door Amro gestelde aard van de tegenvordering niet heeft betwist. In het licht van de gedingstukken behoefden ’s Hofs oordelen op dit punt ook geen nadere motivering. Aantekening verdient daarbij dat in hoger beroep niet aan de orde was en het Hof dan ook geen oordeel heeft gegeven omtrent de vraag in hoeverre de strekking van art. 1:88 lid 1 onder Pro c in verbinding met art. 1:89 BW Pro eraan in de weg staat dat de schuldeiser jegens wie een echtgenoot zich borg gesteld heeft, na vernietiging van de borgtocht door de andere echtgenoot jegens de eerste een vordering kan instellen tot vergoeding van de schade die hij in verband met deze vernietiging lijdt.
Het onderdeel kan evenwel niet tot cassatie leiden.
verwerpt het beroep;
24 mei 1991.