ECLI:NL:PHR:2001:AB2924
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Waardering pensioenverplichting bij zetelverplaatsing directiepensioenlichaam naar Nederlandse Antillen
De zaak betreft de fiscale waardering van pensioenverplichtingen van X N.V., een directiepensioenlichaam dat in 1994 haar feitelijke zetel van Nederland naar de Nederlandse Antillen verplaatste. Belanghebbende stelde dat per 6 april 1994 de pensioenverplichting materieel was kwijtgescholden of dat dit binnen afzienbare tijd zou gebeuren, waardoor de waarde van de verplichting aanzienlijk lager was dan de boekwaarde.
Het Hof Arnhem oordeelde dat de feitelijke leiding inderdaad was verplaatst en dat het vrijwel zeker was dat de pensioenrechten kort na die datum zouden worden prijsgegeven. Daarom waardeerde het Hof de pensioenverplichting op 10% van de boekwaarde, wat leidde tot een hogere belastbare winst. De Inspecteur had primair betoogd dat de belastingplicht niet was geëindigd, subsidiair dat de pensioenverplichting geen waarde meer had.
In cassatie werd het oordeel van het Hof over de zetelverplaatsing niet bestreden, maar wel de waardering van de pensioenverplichting. De Hoge Raad stelt dat bij de waardering van de schuld de kans op een toekomstige kwijtschelding op niet-zakelijke gronden (informele kapitaalstorting) buiten beschouwing moet blijven. Omdat de pensioenrechten pas na 6 april 1994 zijn prijsgegeven, mag het vooruitzicht daarvan niet in de waardering per 6 april 1994 worden betrokken.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en vermindert de aanslag tot een belastbaar bedrag van ƒ 34.780, zijnde de winst tot de datum van zetelverplaatsing zonder correctie voor de voorziening pensioenverplichtingen. Hiermee wordt bevestigd dat de waardering van schulden in de fiscale balans moet plaatsvinden zonder rekening te houden met toekomstige niet-zakelijke kwijtscheldingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en vermindert de aanslag tot de winst zonder correctie voor de pensioenvoorziening.