ECLI:NL:PHR:2001:ZC8112
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt waarderingsmethode pensioenverplichtingen volgens algemeen aanvaarde actuariële grondslagen
Belanghebbende, een houdstermaatschappij met pensioenverplichtingen in eigen beheer voor haar bestuurders en hun echtgenoten, voerde een waarderingsmethode voor deze verplichtingen volgens de premie/koopsom-methode, waarbij rekening werd gehouden met een rekenrente van 4% en sterftecijfers. De Inspecteur was het hier niet mee eens en stelde dat deze methode niet in overeenstemming was met artikel 9b Wet IB 1964.
Het Hof 's-Hertogenbosch oordeelde dat de methode van belanghebbende niet in strijd was met artikel 9b en goed koopmansgebruik, omdat zij uitgaat van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen. De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad bevestigde dat artikel 9b Wet IB 1964 vereist dat pensioenverplichtingen worden gewaardeerd met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen, maar stelt dat dit niet betekent dat de waarderingsmethode beperkt is tot de lineaire methode. De Hoge Raad oordeelde dat de door belanghebbende gehanteerde methode, die rekening houdt met rente en sterftekansen, binnen de grenzen van goed koopmansgebruik valt.
Het cassatiemiddel werd verworpen omdat het Hof terecht had geoordeeld dat de methode niet in strijd was met artikel 9b en goed koopmansgebruik. Ook het verwijt dat het Hof was uitgegaan van niet bestaande rechten en verplichtingen werd ongegrond verklaard. De Hoge Raad verklaarde het beroep van de Staatssecretaris ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de waarderingsmethode van belanghebbende bevestigd.