ECLI:NL:PHR:2002:AD8191
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling omgangsregeling grootmoeder met kleinkind op grond van art. 8 EVRM
In deze zaak verzocht een grootmoeder om vaststelling van een omgangsregeling met haar kleinkind. De rechtbank en het hof verklaarden haar verzoek niet-ontvankelijk omdat onvoldoende concrete feiten waren gesteld waaruit een nauwe persoonlijke betrekking (family life) tussen grootmoeder en kleinkind bleek.
De Hoge Raad overwoog dat hoewel grootouders onder art. 8 EVRM Pro vallen en recht hebben op respect voor family life, voor de ontvankelijkheid van een omgangsverzoek strenge eisen gelden, met name als biologische verwantschap ontbreekt. De biologische grootouders hebben een voorsprong in het aantonen van family life, maar ook zij moeten feiten en omstandigheden stellen waaruit een nauwe persoonlijke betrekking blijkt.
De Hoge Raad verwees uitgebreid naar jurisprudentie van het EHRM en eerdere uitspraken van de Hoge Raad, waarin het belang van de bescherming van de band tussen grootouders en kleinkinderen werd bevestigd. Tevens werd geoordeeld dat het kind in deze zaak niet zelf gehoord hoefde te worden, gezien de leeftijd en de vertegenwoordiging door ouders en stichting.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het oordeel van het hof dat de gestelde feiten onvoldoende waren om ontvankelijkheid te verlenen, werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de grootmoeder wordt verworpen wegens onvoldoende aantoonbare nauwe persoonlijke betrekking met het kleinkind.