ECLI:NL:HR:1995:AA3911
Hoge Raad
- Cassatie
- Snijders
- Roelvink
- Mijnssen
- Nieuwenhuis
- Swens-Donner
- Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling omgangsregeling en sociaal ouderschap bij LAT-relatie zonder biologische band
De zaak betreft een verzoek van een man tot vaststelling van een omgangsregeling met een minderjarige dochter uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en haar ex-man. De man had een LAT-relatie met de moeder en was niet de biologische vader van het kind. Tijdens de LAT-relatie bracht de dochter regelmatig tijd door bij de man. Na het verbreken van de relatie ontstond een geschil over de omgangsregeling.
De rechtbank verklaarde de man ontvankelijk in zijn verzoek maar wees het af vanwege bezwaren van de dochter. Het hof vernietigde deze beslissing en verklaarde de man niet ontvankelijk, omdat onvoldoende feiten en omstandigheden waren gesteld die duiden op een zodanige nauwe persoonlijke betrekking dat sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven en dat strenge eisen gelden bij het aannemen van sociaal ouderschap zonder biologische band. Het hof mocht ook betekenis toekennen aan de wijze waarop de dochter het contact met de man ervaart. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de man niet ontvankelijk is in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling.