ECLI:NL:PHR:2002:AD8831
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid van een vennootschap tot het verzoeken van een enquête bij zichzelf
In deze zaak staat centraal de vraag of de vennootschap De Vries Robbé Groep N.V. bevoegd is een enquête bij zichzelf te verzoeken. De vennootschap had een onderzoek aangevraagd naar haar eigen beleid en gang van zaken, wat door BTG Holdings B.V. werd bestreden wegens vermeende onbevoegdheid en misbruik van het enquêterecht.
De Hoge Raad analyseert de wettelijke bepalingen van het enquêterecht, met name de artikelen 2:345-347 BW, en concludeert dat de wetgever bewust de kring van enquêtegerechtigden beperkt heeft gehouden. De rechtspersoon zelf wordt niet expliciet genoemd als bevoegd tot het verzoeken van een enquête, tenzij zij voldoet aan de voorwaarden van voldoende aandelenbezit of statutaire bevoegdheid.
De Ondernemingskamer had De Vries Robbé ontvankelijk verklaard in haar verzoek, ondanks dat zij zelf onderwerp van het onderzoek was. De Hoge Raad stelt dat de Ondernemingskamer onvoldoende heeft gemotiveerd op grond waarvan zij deze bevoegdheid aan De Vries Robbé toekende. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen voor nadere beoordeling van de bevoegdheid en ontvankelijkheid.
De uitspraak benadrukt de restrictieve uitleg van het enquêterecht en bevestigt dat een vennootschap alleen een enquête bij zichzelf kan verzoeken indien zij aan de wettelijke vereisten voldoet, zoals het bezit van eigen aandelen of een statutaire bepaling die deze bevoegdheid toekent.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het bestreden oordeel en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van de bevoegdheid van De Vries Robbé tot het verzoeken van een enquête bij zichzelf.