Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop
Ontvankelijkheid
door Proma kan worden heen gekeken”.
aanwezige overtollige liquiditeit in de onderneming” ter beschikking wordt gesteld aan Safrec en Ecsa), hetgeen overigens de vraag oproept wat op dit punt de status is van de bewuste overeenkomst na de ontwikkelingen die zich sinds de ondertekening daarvan hebben voorgedaan (waaronder de verkoop van de aandelen Proma aan Chisinau in augustus 2012).
Artikel 2:344 BW Pro beperkt het enquêterecht immers tot de aldaar genoemde naar Nederlands recht opgerichte rechtspersonen.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
economisch is het de certificaathouder die deelneemt in het kapitaal van de vennootschap. Dit rechtvaardigt een wettelijke verhouding tussen n.v. en certificaathouder in dier voege dat certificaathouders wettelijk bepaalde bevoegdheden verkrijgen. (…). Voorts zou de commissie aan certificaathouders op gelijke voet als aan aandeelhouders de bevoegdheid willen toekennen tot het uitlokken van een onderzoek [curs. A-G].” [8]
a).” [9]
systeemvan de regeling op een ruimere
strekkingwijst [curs. in origineel, A-G].” [24]
bewustde beperking tot certificaten die met medewerking van de vennootschap zijn uitgegeven achterwege heeft gelaten. Pogingen om daarin verandering te brengen zijn, zowel ten tijde van de invoering van Boek 2 BW als meer recent bij de Wet aanpassing enquêterecht, gestrand. Gelet op deze in de wetgeschiedenis herhaald bevestigde keuze van de wetgever voor een ongeclausuleerde afbakening van de categorie ‘certificaten’ meen ik, met Van Schilfgaarde, dat er gelet op de strekking van het enquêterecht een zekere ruimte aan de rechter is gelaten om ‘economisch gerechtigden’ toe te laten tot het enquêterecht. [25]
Scheipar-beschikking uit 2003 invulling gegeven aan deze gedachte. De economisch rechthebbende op certificaten van aandelen werd op grond van de strekking van het enquêterecht voor de toepassing van art. 2:346 lid 1 aanhef Pro en onder b BW (oud) gelijkgesteld met de certificaathouder:
Scheipar-beschikking werden voor gelijkstelling van een economisch rechthebbende op de certificaten twee eisen gesteld: een zeggenschapsvereiste (“Indien aan de economische certificaathouder in zijn verhouding tot de juridische certificaathouder alle bevoegdheden toekomen met betrekking tot de zeggenschap (…)”) en een risicovereiste (“en de certificaten geheel en al voor rekening en risico van de economische certificaathouder worden gehouden, (…)”). Het zeggenschapsvereiste voor gelijkstelling werd door de Hoge Raad in de
Butôt-beschikking uit 2010 weer losgelaten:
Landis-beschikking geoordeeld dat aandeelhouders of certificaathouders van een moedermaatschappij bevoegd waren een enquêteverzoek in te dienen bij een dochtermaatschappij:
Scheipar-leer en de
Landis-leer, komen aan de orde in de
Bamford/TESN-beschikking van de Hoge Raad uit 2011. In deze beschikking stelde een
primary benificiary(Bamford) in een trust naar het recht van Bermuda (BTCL), welke trust de aandelen hield in twee Nederlands-Antilliaanse vennootschappen (Global en Castor), die op hun beurt weer de aandelen hielden in een Nederlandse B.V. waarop het enquêteverzoek betrekking had (TESN), zich op het standpunt dat hij, althans BTCL, naar de economische werkelijkheid gelijk te stellen was met een aandeelhouder of certificaathouder van TESN. De ondernemingskamer heeft die stelling verworpen en de Hoge Raad heeft dat oordeel in stand gelaten:
Landis-leer:
Landis-leer niet een afgeleid verzoek bij de dochter worden gedaan. [34]
Chinese Workers-zaak is evenals in
Bamford/TESNeen internationale groepsstructuur aan de orde. De ondernemingskamer heeft in die zaak geoordeeld dat gelet op de bij de beantwoording van de ontvankelijkheidsvraag in aanmerking te nemen economische werkelijkheid Yeh-Chiu, als aandeelhouder van de vennootschap naar Chinees recht Chinnede Ltd., welke op haar beurt de aandelen houdt in de Nederlandse vennootschap Chinese Workers B.V., bevoegd is een enquêteverzoek te doen. [35] De ondernemingskamer heeft de volgende feiten en omstandigheden in haar oordeel betrokken:
Chinese Workers-beschikking - een storm(pje) van kritiek losgebarsten over de, met een beroep op de economische werkelijkheid, potentieel verstrekkende uitbreiding van de toegang tot het enquêterecht in grensoverschrijdende groepsstructuren. [38] Ook door schrijvers die zich weliswaar in de uitkomst van de
Chinese Workers-beschikking kunnen vinden, wordt gewezen op de summiere motivering door de Hoge Raad. [39] Een ruime uitleg van
Chinese Workersis mijns inziens niet aan de orde. Het oordeel van de Hoge Raad is toegespitst op de bijzondere omstandigheden van het geval en de verwijzing naar zijn vaste rechtspraak brengt tot uitdrukking dat van een koerswijziging geen sprake is. [40] In cassatie oordeelt de Hoge Raad slechts of het oordeel van de ondernemingskamer over al dan niet gelijkstelling niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. [41]
Slotervaartziekenhuis-beschikking heeft de Hoge Raad de beperkte betekenis van de
Chinese Workers-beschikking kunnen verduidelijken. In die zaak werd geklaagd dat uit de
Chinese Workers-beschikking zou volgen dat indirect aandeelhouderschap waarmee meer dan 10% van het risicodragende kapitaal werd verschaft in de vennootschap ten aanzien waarvan een enquête werd verzocht zonder meer kwalificeert als economische gerechtigheid die op één lijn moet worden gesteld met het belang van een aandeelhouder of certificaathouder. De Hoge Raad wijst deze ruime uitleg van de
Chinese Workers-beschikking van de hand:
zonder meerkan worden gelijkgesteld met die van een aandeelhouder of certificaathouder. Een dergelijke gelijkstelling is volgens deze rechtspraak slechts mogelijk
indien en voor zoverop grond van de feiten en omstandigheden van het geval kan worden geoordeeld dat het eigen economisch belang van de verschaffer van risicodragend kapitaal in de vennootschap waarop het verzoek betrekking heeft, van dien aard is dat het op één lijn kan worden gesteld met het belang van een aandeelhouder of een certificaathouder van die vennootschap. De ondernemingskamer dient derhalve alle relevante feiten en omstandigheden te betrekken in haar oordeelsvorming ten aanzien van die mogelijke gelijkstelling [curs. A-G].” [42]
Slotervaartziekenhuis-zaak van belang heeft geacht bij zijn niet-ontvankelijkheidsoordeel. De Hoge Raad laat dat oordeel in stand:
Het oordeel van de ondernemingskamer is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.” [43]
Slotervaartziekenhuis-beschikking verduidelijkt dat het enkele feit dat iemand kan worden aangemerkt als een verschaffer van risicodragend kapitaal, die een eigen economisch belang heeft in de vennootschap, nog niet voldoende is om voor de toegang tot het enquêterecht gelijkgesteld te worden met een aandeelhouder of certificaathouder. [44] Voor haar oordeelsvorming over mogelijke gelijkstelling dient de ondernemingskamer alle relevante feiten en omstandigheden te betrekken. De werkelijke omstandigheden van het geval spelen hierbij - in de economische werkelijkheid - een belangrijke rol. [45]
Scheipar-leer als in de
Landis-leer duidelijk ingebed in de bedoeling van de wetgever. [52] Assink spreekt hier treffend van “een binnenwettelijke verfijning” in plaats van een “ontoelaatbare buitenwettelijke uitbreiding” van de enquêtebevoegdheid. [53]
Landis-beschikking, waar de Hoge Raad die vereenzelviging baseert op de economische werkelijkheid die in het onderhavige geval inhield dat moeder en dochter een economische en organisatorische eenheid onder gemeenschappelijke leiding vormden, dat sprake was van een vrijwel volledige personele unie in het bestuur van moeder en dochter en dat derhalve bij de dochter geen sprake was van enig zelfstandig bepaald en gevoerd bestuursbeleid ten opzichte van de moeder. Vereenzelvigingsdenken heeft ook zijn intrede gedaan in de gelijkstellingsleer in de
Bamford/TESN-beschikking. In die beschikking kwam aan de orde dat Global en Castor, anders dan Bamford betoogde, niet kunnen worden “weggedacht” bij de beantwoording van de ontvankelijkheidsvraag. Wegdenken is terminologie die gebruikt wordt bij vereenzelviging van rechtspersonen. [55] In de
Chinese Workers-beschikking is bij de ondernemingskamer door belanghebbenden Ding c.s. onder verwijzing naar de
Bamford/TESN-beschikking ook betoogd dat Chinnede bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van Yeh-Chiu niet kan worden weggedacht. [56] De ondernemingskamer spreekt in haar beoordeling van de ontvankelijkheidsvraag niet van “wegdenken”, maar somt in rov. 3.5 wel een aantal feiten en omstandigheden op die op “wegdenken” duiden en die als de in aanmerking te nemen “economische werkelijkheid” in rov. 3.6 leiden tot ontvankelijkheid van Yeh-Chiu. [57] In de literatuur is deze uitspraak ook in de sleutel van vereenzelviging geplaatst. [58] Het al dan niet kunnen “wegdenken” komt in de motivering van de beschikking van de Hoge Raad niet aan de orde. De “realiteit” van de tussenliggende entiteit is van belang voor de ontvankelijkheidsvraag. Dit blijkt mijns inziens ook uit de
Slotervaartziekenhuis-beschikking, waarin de Hoge Raad de
Chinese Workers-beschikking heeft verduidelijkt. In die zaak werd door de Hoge Raad, in navolging van de ondernemingskamer, onder meer relevant geacht dat Meromi niet alleen aandelen hield in Slotervaarziekenhuis, maar ook in andere vennootschappen. [59] Olden merkt daarover in zijn
JOR-noot onder de beschikking terecht op:
substance) heeft of dat die in de economische werkelijkheid kan worden “weggedacht” – laat zien dat voor gelijkstelling slechts in uitzonderlijke omstandigheden plaats is.
Interfisc-beschikking uit 2013 en de
FEIST-beschikking uit 2016. In de
Interfisc-beschikking zijn naar het oordeel van de ondernemingskamer door de partij die zich op gelijkstelling beriep onvoldoende omstandigheden gesteld en toegelicht die de gevolgtrekking rechtvaardigen dat voor de toepassing van het enquêterecht sprake is van een eigen economisch belang dat op één lijn kan worden gesteld met het belang van een aandeelhouder of certificaathouder in Interfisc. [62] In de
FEIST-beschikking is naar het oordeel van de ondernemingskamer wel voldoende gesteld en toegelicht om tot het oordeel van gelijkstelling te kunnen rechtvaardigen:
Einzelfallgerechtigkeit. Niettemin zijn uit de rechtspraak van de ondernemingskamer en de Hoge Raad relevante feiten en omstandigheden te herleiden. [65] Spruitenburg heeft een poging gedaan de gelijkstellingsleer terug te brengen tot twee
hard and fast rules:
FEIST-beschikking het al dan niet in dienst hebben van personeel en voeren van een eigen beleid en het al dan niet plaatsvinden van ondernemingsactiviteiten bij de tussenliggende vennootschap) acht zij “minder relevant” voor gelijkstelling van economische gerechtigden. Dergelijke omstandigheden kunnen volgens haar van belang zijn bij het aantonen van de aanwezigheid van de twee elementen weergegeven in de geciteerde passage hierboven onder (1) en (2). [67] Spruitenburg spreekt van een
gelijkstellingsbenadering– gebaseerd op de elementen (1) en (2) – en een
substance-benaderinggebaseerd op omstandigheden die zien op de functie of betekenis van de tussenliggende entiteit. [68] Zij concludeert: “De door mij bepleite
gelijkstellingsbenaderinglijkt het vooralsnog (…) te winnen van de
substance-benadering.” [69] Ik ben het met Spruitenburg eens dat beide benaderingen communicerende vaten kunnen zijn:
substancevan de tussenliggende entiteit(en) hangt als het ware samen met de vraag of de verzoeker economisch gerechtigd is. Hoe minder
substancedie entiteit heeft, hoe aannemelijker dat de tussenliggende entiteit de aandelen in de gerekwestreerde vennootschap voor rekening en risico van de verzoeker houdt en dus dat sprake is van economische gerechtigdheid. Andersom geldt hetzelfde. Hoe meer
substancede tussenliggende entiteit heeft, hoe aannemelijker dat die entiteit de aandelen in de gerekwestreerde vennootschap niet voor rekening en risico van de verzoeker houdt en dat geen sprake is van economische gerechtigdheid. De
Europa Leasing-beschikking, waarin de OK oordeelt dat de tussenliggende entiteit reële betekenis toekomt en geen sprake is van economische gerechtigdheid, vormt hiervan een voorbeeld.” [70]
substance-benadering echter onder omstandigheden een grotere betekenis worden toegekend dan zij het doet voorkomen. Ik acht althans niet uitgesloten dat, zoals Spruitenburg lijkt te menen, ondanks dat aan de elementen (1) en (2) is voldaan, gelijkstelling niet gerechtvaardigd wordt geacht, omdat de tussengeschoven vennootschap ook andere ondernemingsactiviteiten verricht, een eigen beleid voert en/of personeel in dienst heeft, etc. [71] De
substance-benadering zou in die zin een correctie kunnen vormen op de gelijkstellingsbenadering (zie ook nr. 3.19 hiervoor).
Scheipar-leer heeft gegeven. De ondernemingskamer overweegt in rov. 3.22 terecht en in cassatie onbestreden dat een concernenquête via Proma niet aan de orde is. De
Landis-leer kan onder omstandigheden een alternatief bieden voor een indirecte aandeelhouder of certificaathouder die niet aan de vereisten voor economische gerechtigheid voldoet. Een concernenquête is in de onderhavige casus echter niet mogelijk, omdat Proma een Luxemburgse vennootschap is. De ondernemingskamer kan hierin geen enquête gelasten, omdat art. 2:344 BW Pro het enquêterecht beperkt tot de aldaar genoemde naar Nederlands recht opgerichte rechtspersonen (nr. 3.13 hiervoor). [72]
substance-benadering). [76] Mijns inziens getuigt het oordeel van de ondernemingskamer, dat er in de kern op neerkomt dat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld om aan deze voorwaarden voor gelijkstelling te voldoen, niet van een onjuiste rechtsopvatting, is het niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Bamford/TESN-zaak. Daarin had de ondernemingskamer geoordeeld dat ook als de constructie uitsluitend om fiscale redenen is opgezet, de betekenis van de tussenliggende entiteiten Global en Castor in ieder geval (mede) is dat zij de aandelen in TESN houden. De Hoge Raad liet dat oordeel in stand. [78] Global en Castor konden dus niet worden “weggedacht” bij de beantwoording van de ontvankelijkheidsvraag, zoals in de onderhavige zaak Proma niet kan worden “weggedacht”. Verder is voor het aannemen van reële betekenis (
substance) van Proma van belang dat geen personele unie bestond tussen het bestuur van Proma en van Europa Leasing en dat de bestuurders van Proma een eigen rol wordt toegekend (rov. 3.18).
Chinese Workers-zaak. Het is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet te begrijpen waarom de ondernemingskamer niet tot hetzelfde oordeel is gekomen als in de
Chinese Workers-zaak.
Chinese Workers-zaak. [81] De feiten en omstandigheden waarop de ondernemingskamer haar oordeel in de
Chinese Workers-beschikking heeft gebaseerd, zijn aangehaald in nr. 3.14 hiervoor. In de
Chinese Workers-zaak negeerden aandeelhouders het bestaan van tussenhoudster Chinnede. In de onderhavige zaak heeft de ondernemingskamer geoordeeld dat Proma meer is dan slechts de formele beheerder van de aandelen Europa Leasing en dat het om fiscale redenen relevant is dat Proma de aandelen Europa Leasing houdt (rov. 3.16). In de
Chinese Workers-zaak werden voorts buiten tussenhoudster Chinnede om rechtstreeks betalingen verricht door Chinese Workers aan de aandeelhouders van Chinnede. In de onderhavige beschikking heeft de ondernemingskamer juist niet kunnen vaststellen dat [verzoeker] jegens Europa Leasing (via Proma) een rechtstreekse structurele aanspraak op dividenduitkeringen had (rov. 3.17). Het onderdeel gaat er voorts ten onrechte vanuit dat het bestaan van zo’n rechtstreekse aanspraak geen voorwaarde is voor het kunnen rechtvaardigen van gelijkstelling van een economisch belang met een aandeelhouder (nr. 3.21 hiervoor).
substance-benadering daarom aan als communicerende vaten (nr. 3.21 hiervoor).
Scheipar-beschikking aan bod zijn gekomen bij de beoordeling van de (niet-)ontvankelijkheid van het enquêteverzoek op grond van gelijkstelling met een aandeelhouder of certificaathouder. Daarbij komt nog dat de ondernemingskamer in rov. 3.13 heeft geoordeeld dat omtrent een veelheid van zaken onduidelijkheid bestaat. Een van die omstandigheden is dat niet duidelijk is geworden of [verweerster 2] slechts aandelen hield in GWW c.s., omdat het erop lijkt dat medio 2008 andere ondernemingen zijn verworven (waarop het enquêteverzoek geen betrekking heeft). [82] Als onduidelijkheid blijft bestaan over de feitelijke omstandigheden, past terughoudendheid bij het aannemen van enquêtebevoegdheid op grond van de gelijkstellingsleer. [83]
sub aklaagt dat onduidelijk is wat de ondernemingskamer precies verstaat onder ‘reële betekenis’ van Proma en haar bestuur. Volgens het subonderdeel valt niet in te zien waarom de omstandigheid dat Proma een daadwerkelijk bestaande vennootschap met een ‘eigen’ (trust)bestuur is en de omstandigheid dat niet is vastgesteld dat [verzoeker] buiten Proma om een structurele dividendaanspraak heeft jegens Europa Leasing meebrengt dat Proma een zodanige functie vervult of risico draagt, dat niet kan worden gezegd dat [verzoeker] een economisch belang heeft dat gelijk kan worden gesteld met het belang van een aandeelhouder of certificaathouder van Europa Leasing.
substance-benadering (nr. 3.21 hiervoor). Dat wil zeggen dat [verzoeker] naar het oordeel van de ondernemingskamer ook economisch gezien daadwerkelijk aandeelhouder is van Proma (en dus niet in werkelijkheid van Europa Leasing). Proma heeft zodanig zelfstandige functie dat het een eigen positie vervult tussen [verzoeker] en Europa Leasing c.s. [84] Deze
substance-benadering is ontleend aan de
Bamford/TESN-beschikking en komt erop neer dat Proma niet slechts als “doorgeefluik” fungeert en – anders dan Chinnede in de
Chinese Workers-beschikking – niet kan worden weggedacht. In de onderhavige zaak is door verweersters ook een beroep op deze
substance-benadering gedaan door te betogen dat het enquêteverzoek niet op Proma ziet, maar op Europa Leasing en niet “door Proma kan worden heen gekeken” (rov. 3.2). In rov. 3.5 maakt de ondernemingskamer ook nadrukkelijk de koppeling tussen de in aanmerking genomen omstandigheden en het niet-ontvankelijkheidsberoep als verwoord in rov. 3.2, slot (dat niet “door Proma kan worden heen gekeken”). Mijns inziens kunnen de overwegingen van de ondernemingskamer worden begrepen tegen de achtergrond van deze
substance-benadering en is het oordeel van de ondernemingskamer in zoverre niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
sub bklaagt dat de betekenis die de ondernemingskamer toekent aan de stellingen van [verzoeker] in § 63 van het verzoekschrift berust op een onbegrijpelijke uitleg van die passage in het verzoekschrift. De passage is volgens het subonderdeel moeilijk anders te begrijpen dan dat [verzoeker] er wel op vertrouwde dat de trustbestuurders [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de veilingopbrengst in overeenstemming met hun opdracht als bestuurders en de door [verzoeker] gestelde beheerfunctie van Proma zouden aanwenden, maar dat [verzoeker] die opbrengst niet vertrouwde in de handen van [belanghebbende 2] als middellijk bestuurder van Europa Leasing. Het subonderdeel klaagt dat uit de desbetreffende passage daarom niet steun kan worden gevonden voor het oordeel van de ondernemingskamer dat [verzoeker] geen voldoende economisch belang had in Europa Leasing.
sub cklaagt dat de relevantie van de omstandigheid dat Chisinau was ingebed in de constructie zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien. Omdat de ondernemingskamer ervan is uitgegaan dat in elk geval [verzoeker] 50% van de aandelen Proma hield, is volgens het subonderdeel de positie van Chisinau in de constructie niet van belang voor de beoordeling van het economische belang van [verzoeker] in Europa Leasing via zijn 50%-belang in Proma.
Bamford/TESN-beschikking, waarin de Hoge Raad de overweging van de ondernemingskamer dat ook indien de onderhavige constructie uitsluitende om fiscale redenen is opgezet, de betekenis van Global en Castor in ieder geval – mede – is dat zij, en niet Bamford of BTCL, de aandelen in TESN houden alsmede dat de onderscheiden vennootschappen telkens zijn gevestigd in een andere staat, in stand liet (nr. 3.14 hiervoor). De ondernemingskamer heeft geen zelfstandige betekenis toegekend aan het feit dat ook Chisinau van die constructie deel uitmaakt.