ECLI:NL:PHR:2002:AD9600
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verjaring van schadevordering tegen de Staat na onrechtmatige besluitvorming en procedure bij het CBB
Eiser exploiteert een melkveehouderij en vroeg in 1986 een bijzonder melkquotum aan, dat werd afgewezen door de Minister en later door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) oordeelde in 1994 dat het CBB niet voldeed aan de eisen van een onafhankelijk gerecht volgens art. 6 EVRM Pro, waardoor eiser zich alsnog tot de burgerlijke rechter kon wenden.
Eiser startte in 1996 een civiele procedure tegen de Staat wegens onrechtmatige daad en schadevergoeding. De Staat voerde verjaring aan, stellende dat de verjaringstermijn begon te lopen na het besluit van de Minister of na de uitspraak van het CBB en dat eiser de termijn niet had gestuit. Rechtbank wees de vordering af, Hof verklaarde eiser niet-ontvankelijk wegens verjaring.
De Hoge Raad bevestigt dat de verjaringstermijn van vijf jaar volgens art. 3:310 BW Pro begon te lopen na de uitspraak van het CBB in maart 1989 en dat eiser zijn vordering pas in september 1996 instelde, ruim na het verstrijken van de termijn. Het arrest Van de Hurk van het EHRM leidt niet tot herleving van de verjaring. De Hoge Raad oordeelt dat eiser voldoende tijd had om zich tot de burgerlijke rechter te wenden en dat het beroep op verjaring niet onaanvaardbaar is. De vordering is daarom verjaard en niet-ontvankelijk.
Uitkomst: De vordering van eiser is verjaard en hij is niet-ontvankelijk verklaard in zijn schadevordering tegen de Staat.