ECLI:NL:PHR:2002:AE3222
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verliesvaststellingsbeschikking en verliesverrekening vennootschapsbelasting 1995-1996
Belanghebbende diende de aangifte vennootschapsbelasting 1995 te laat in en verzocht om vaststelling van voorwaarts verrekenbare verliezen uit 1990-1994. De inspecteur verklaarde dit verzoek niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn en stelde de aanslag ambtshalve vast zonder verliesvaststellingsbeschikking. Het Hof oordeelde dat ondanks het ontbreken van een tijdige beschikking de verliezen alsnog verrekend moesten worden met de winst over 1996. De staatssecretaris stelde cassatie in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad bevestigt dat de wetgever een systeem heeft gekozen waarin verliezen bij voor bezwaar vatbare beschikking moeten worden vastgesteld om verrekening mogelijk te maken. Het verzoek om verliesvaststelling moet tijdig zijn ingediend, uiterlijk vóór het onherroepelijk worden van de aanslag. Verzoeken na deze termijn behoeven niet in behandeling te worden genomen. De Hoge Raad wijst het beroep op het gelijkheidsbeginsel (art. 26 IVBPR Pro) af, omdat de verschillen tussen IB-ondernemers en vennootschapsbelastingplichtigen rechtvaardigen dat het verliesverrekeningssysteem niet volledig gelijk is.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bevestigt de inspecteursuitspraak dat de verliezen uit 1990-1994 zonder tijdige verliesvaststellingsbeschikking niet kunnen worden verrekend met de winst over 1996. De formele vereisten en termijnen zijn bindend, ook als materiële gevolgen nadelig zijn. Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en het Hofs arrest vernietigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verliezen zonder tijdige verliesvaststellingsbeschikking niet verrekend kunnen worden en vernietigt het arrest van het Hof.