ECLI:NL:PHR:2004:AO6358
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing en formele vereisten van de bedrijfsfusievrijstelling in kapitaalsbelasting
In deze zaak staat centraal of de bedrijfsfusievrijstelling en de interne reorganisatievrijstelling van de kapitaalsbelasting van toepassing zijn op een kapitaalstorting van belanghebbende, en of het formele vereiste van artikel 10, aanhef en onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer in de weg staat aan de toepassing van deze vrijstellingen.
Belanghebbende had bij de aangifte kapitaalsbelasting geen beroep gedaan op de vrijstelling en ook niet de vereiste gegevens verstrekt. Pas bij bezwaar maakte zij alsnog aanspraak op de vrijstelling. Het hof oordeelde dat dit niet toelaatbaar was en dat het formele vereiste van tijdige aangifte binnen een maand bindend is, waardoor de vrijstelling niet kon worden toegepast.
De Hoge Raad toetste dit formele vereiste aan het nationale recht, met name artikel 24 AWR Pro, en aan het Europese recht, in het bijzonder de Richtlijn kapitaalsbelasting. Hoewel de richtlijn een verplichte vrijstelling voorschrijft, staat deze niet aan het stellen van formele voorwaarden door de lidstaten, mits deze niet de uitoefening van het recht op vrijstelling praktisch onmogelijk maken.
De conclusie van de Advocaat-Generaal benadrukt dat het formele vereiste van tijdige aangifte een beperking vormt, maar dat deze niet onverenigbaar is met de richtlijn, omdat het belang van een ordentelijke belastingheffing en controle zwaarder weegt dan de mogelijkheid om in bezwaar alsnog een beroep te doen. De zaak bevat tevens een prejudiciële vraag aan het HvJ EG over de verhouding tussen nationale formele vereisten en de richtlijn.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het formele vereiste van tijdige aangifte binnen één maand bindend is en dat het beroep op de vrijstelling niet in bezwaar kan worden hersteld, waardoor het beroep van belanghebbende wordt afgewezen.