ECLI:NL:PHR:2002:AE3360
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid van het opzettelijk niet doen van accijnsaangiften door vergunninghouder
In deze zaak stond centraal de vraag of de verplichting tot het doen van accijnsaangiften voor een vergunninghouder van een geregistreerd of niet-geregistreerd bedrijf ontstaat op het moment van ontvangst van accijnsgoederen, en of het opzettelijk niet doen van deze aangiften strafbaar is.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van de Wet op de accijns (WA) en de daarbij behorende bepalingen, zoals art. 2a, 51a, 52a en 53a WA, de aangifteplicht voor de vergunninghouder ontstaat bij ontvangst van de accijnsgoederen. Dit wijkt af van de algemene regels in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) waarbij de aangifteplicht pas ontstaat na een uitnodiging van de inspecteur.
Het hof had geoordeeld dat de verplichting tot het doen van aangifte telkens was ontstaan en dat de aangiften opzettelijk niet waren gedaan. De Hoge Raad verwierp het verweer dat de aangifteplicht pas zou ontstaan na een uitnodiging door de inspecteur en bevestigde dat de aangifte en betaling van accijns uiterlijk op de dag na ontvangst van de goederen moeten plaatsvinden.
De Hoge Raad zag geen reden om het vonnis te vernietigen en bevestigde de strafrechtelijke veroordeling van de verdachte voor het medeplegen van het opzettelijk niet doen van accijnsaangiften, waarbij een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf waren opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verdachte strafrechtelijk aansprakelijk is voor het opzettelijk niet doen van accijnsaangiften en handhaaft de opgelegde taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf.