Conclusie
1.Het cassatieberoep
“opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven”en (onder 2) het
“ingevolge de belastingwet verplicht zijnde tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, en een zodanige administratie opzettelijk niet voeren, terwijl het feit ertoe strekt dat er weinig belasting wordt geheven”, veroordeeld tot een geldboete van € 48.500,00.
eerstemiddel wordt geklaagd over de bij tussen- en eindarrest afgewezen verzoeken tot oproeping van [getuige 2] (projectleider Opsporing van de Belastingdienst/FIOD).
tweedemiddel wordt geklaagd over de verwerping van het verweer van de verdediging dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, althans over het oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging, nu de belastinginspecteur voorafgaand aan de vervolging geen informatiebeschikking als bedoeld in art. 52a AWR heeft genomen.
derdemiddel wordt geklaagd over de bewezenverklaring van feit 1 (het
nietdoen van aangiften vennootschapsbelasting), “omdat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of de bewijsvoering niet redengevend is voor het oordeel dat die aangiften niet zijn ingediend en/of is verzuimd van de bewijsmiddelen (meer in het bijzonder bewijsmiddel 2) de inhoud weer te geven van de geschriften waarnaar die bewijsmiddelen verwijzen.
vierdemiddel wordt geklaagd over het bewezen verklaarde opzet.
vijfdemiddel wordt geklaagd over de strafoplegging, meer in het bijzonder over de maximum op te leggen geldboete en de draagkracht van de verdachte in het kader van deze opgelegde geldboete.
zesdemiddel wordt geklaagd over de overschrijding van de inzendtermijn.
De tenlastelegging, de overwegingen van het hof over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, de bewezenverklaring en de bewijsvoering
het jaar 2011 en/of
het jaar 2012 en/of
het jaar 2013 en/of
het jaar 2015 en/of
het jaar 2016 en/of
het jaar 2017,
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
kanopleggen. Een vereiste voor vervolging is de afgifte van een informatiebeschikking derhalve niet.
“Ik wil niet gaan gissen maar als ik het in de tijd plaats dan was het zo dat ik de hele tijd de hoop heb gehouden dat verdachte mee zou werken en dat het uiteindelijk goed zou gaan. Ik ben zoals gezegd heel lang met verdachte bezig ben geweest om dit op te lossen. Verdachte bleef mij ook hoop geven. Daarin ben ik lange tijd meegegaan. Het is om die reden toen niet bij mij opgekomen om alsnog een informatiebeschikking af te geven."Het hof leidt hier uit af dat de werkwijze van de Belastingdienst vooral was gericht op het volbrengen van het verzamelen van informatie door verdachte die vanuit zijn achtergrond en mededelingen ingevoerd leek in het voeren van een administratie. Het hof acht het in de gegeven situatie destijds plausibel dat de inspecteur geen informatiebeschikking heeft opgelegd na de diverse uitnodigingen, onderlinge communicatie en ook verschillende malen uitstel te hebben verleend. Nu ook overigens niet in strijd met enige formele fiscaalrechtelijke bepaling werd gehandeld stond het openbaar ministerie vrij te vervolgen. Er is geen strijd met de beginselen van een goede procesorde noch met de beginselen van een redelijke en billijke belangenafweging. Of de administratie voldoet aan de eisen van artikel 52 AWR Pro zal verderop in dit arrest worden geoordeeld.
dezelfdepersoon voor
hetzelfdefeit opnieuw in rechte wordt betrokken. [2]
opzettelijkniet doen van aangifte vennootschapsbelasting. [3]
het jaar 2011 en/of
het jaar 2012 en/of
het jaar 2013 en/of
het jaar 2015 en/of
het jaar 2016 en/of
het jaar 2017,
“1.
Een geschrift, te weten een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK-nummer 06071373), DOC-002-01, p. 151-154, inhoudende – zakelijk weergegeven:
[A-G: stukken]kunnen bekijken. Hieruit bleek dat er in het geheel geen administratie is bijgehouden. Wel was er sprake van veel losse documenten zonder enige ordening. Er was geen sprake van financiële administratie. Er waren geen audit-files. Alles was ongeordend. Ik heb in die stukken geen financiële
(het hof begrijpt: financiële administratie)kunnen ontdekken.”
Overweging met betrekking tot het bewijs
nietdoen van aangiften kan worden gekomen. Verdachte heeft inmiddels alle ten laste gelegde aangiften ingediend en wel (ruim) voor het nemen van de vervolgingsbeslissing door het openbaar ministerie.
overall fairnessvan de strafprocedure als geheel.
nietin zijn stelling dat de uitnodigingen en aanmaningen verdachte niet hebben bereikt. Het overzicht van FIOD-ambtenaar [verbalisant] op pagina 55 van het dossier bevat de concrete gegevens uit het digitale systeem van de Belastingdienst over de verzonden stukken en bijbehorende termijnen. Het hof heeft in deze zaak geen aanleiding daar aan te twijfelen. Daaruit volgt dat ten aanzien van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte voor de jaren 2011 tot en met 2016 uitnodigingen zijn verzonden, termijnen zijn gesteld en aanmaningen zijn verzonden. Bij de doorzoeking is daadwerkelijk een groot aantal ongeopende blauwe enveloppen aangetroffen. Eén daarvan – zo bleek na opening met toestemming van de rechter-commissaris – betrof een aanmaning over het jaar 2014 gericht aan verdachte. Het hof gaat er onder die omstandigheden van uit dat de overige stukken eveneens naar hetzelfde – en enige bij de Belastingdienst bekende – adres van verdachte zijn verzonden. Het niet openen van de post komt in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van het hof voor rekening en risico van verdachte.
"Over de RC hebben wij gesproken, de huidige positie is niet helder".Inspecteur [getuige 1] heeft op dit punt bij de raadsheer-commissaris duidelijk verklaard:
"Ik heb inderdaad aangegeven dat de administratie niet voldeed aan art. 52 AWR Pro. Want ik heb de administratie nooit van verdachte overgelegd gekregen. Ik heb alleen alle door de FIOD in beslag genomen kunnen bekijken. Hieruit bleek dat er in het geheel geen administratie is bijgehouden. Wel was er sprake van veel losse documenten zonder enige ordening. Er was geen sprake van financiële administratie."
3.Het eerste middel
[A-G: ik begrijp 2023]tot afwijzing van het verzoek tot oproeping van de [getuige 2] onbegrijpelijk zijn en/of het hof deze beslissingen onvoldoende met redenen heeft omkleed en/of doordat het oordeel van het hof dat door het tot bewijs bezigen van de verklaringen van voornoemde getuigen
[A-G: ik begrijp getuige]de procedure in haar geheel nog voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed, en/of doordat het hof in strijd met art. 344, eerste lid aanhef en onder 2 Sv telkens heeft verzuimd om bij de in de aanvulling op het verkort arrest tot bewijs gebezigde processen-verbaal te vermelden door welke opsporingsambtenaren die zijn opgemaakt en of zulks op ambtseed is geschied, als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld dat de betreffende opsporingsambtenaren bevoegd waren tot het opmaken van deze processen-verbaal en/of het opsporen van de overtredingen waarover het in de onderhavige zaak gaat als gevolg waarvan het arrest van het hof onvoldoende met redenen is omkleed”.
, projectleider Opsporing van de Belastingdienst/FIOD te Almelo. [getuige 2] is zeer nauw betrokken geweest bij de samenstelling van het proces-verbaal. Het dossier bevat diverse processen-verbaal opgemaakt door [getuige 2] die ten laste van verdachten zijn gebruikt.”
'documentary evidence'daaronder begrepen
'reports prepared by an arresting officer'(vergelijk Butkevich v. Russia, Application no. 5865/07, 13 februari 2018).
verklaarthij daarnaast nadrukkelijk op ambtsbelofte. [getuige 1] heeft als getuige een nadeelberekening opgesteld. Daarenboven is hij betrokken geweest bij het boekenonderzoek en heeft hij veelvuldig contact gehad met de verdachten. De processen-verbaal hebben een belastende strekking en dienen als zodanig als a charge te worden beschouwd.
ten nadelevan verdachte. De verdediging heeft gerechtvaardigde vragen over deze afspraken. Aan alle betrokkene dat wil zeggen getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [medeverdachte 1] zelf. Ook over de tijdigheid van de aangiften.
[A-G: ik begrijp dat het hof bedoelt: de vertegenwoordiger van de verdachte]de verzoeken tot het horen van belastingambtenaar [getuige 2] en het horen van zijn voormalige raadsman, mr. [getuige 3] , nader kan toelichten.
(bijlage).”
Verzoek horen [getuige 2]
4.Het tweede middel
3. Primair: niet-ontvankelijkheid
verdachteverklaart op vragen van de voorzitter:
advocaat-generaalvoert als volgt het woord tot repliek:
raadsmanvoert als volgt het woord tot dupliek:
kanopleggen. Een vereiste voor vervolging is de afgifte van een informatiebeschikking derhalve niet.
“Ik wil niet gaan gissen maar als ik het in de tijd plaats dan was het zo dat ik de hele tijd de hoop heb gehouden dat verdachte mee zou werken en dat het uiteindelijk goed zou gaan. Ik ben zoals gezegd heel lang met verdachte bezig ben geweest om dit op te lossen. Verdachte bleef mij ook hoop geven. Daarin ben ik lange tijd meegegaan. Het is om die reden toen niet bij mij opgekomen om alsnog een informatiebeschikking af te geven.”Het hof leidt hier uit af dat de werkwijze van de Belastingdienst vooral was gericht op het volbrengen van het verzamelen van informatie door verdachte die vanuit zijn achtergrond en mededelingen ingevoerd leek in het voeren van een administratie. Het hof acht het in de gegeven situatie destijds plausibel dat de inspecteur geen informatiebeschikking heeft opgelegd na de diverse uitnodigingen, onderlinge communicatie en ook verschillende malen uitstel te hebben verleend.
“ofwel geen toereikende rechtsgrond bestond voor het verzoek, dat afdoende aan het verzoek tegemoet is gekomen of dat de inspecteur bij nader inzien de informatie toch niet echt nodig heeft”, zodat het vervolgens rauwelijks vervolgen in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Tot slot benoemt de steller van het middel dat bezwaarlijk kan worden gezegd dat [getuige 1] ‘attent’ is geweest, erop neerkomende dat in een situatie waarin de inspecteur ‘onbewust geen beschikking heeft genomen’ het voor rekening van de inspecteur komt als hij een dergelijke beschikking niet neemt.
kanhij op grond van art. 52a lid 1 AWR ter zake van die weigering door middel van een informatiebeschikking vaststellen dat niet aan de verplichting is voldaan. Het gaat bij dat weigeren om het niet, niet tijdig dan wel niet volledig voldoen aan de verplichting. In een informatiebeschikking dient duidelijk te zijn vastgesteld op welk punt en in hoeverre de informatie- of administratieplichtige in gebreke is gebleven bij de nakoming van zijn verplichtingen. De informatiebeschikking is vatbaar voor bezwaar en beroep. Wanneer deze beschikking onherroepelijk komt vast te staan, is in fiscalibus in beginsel de omkering en verzwaring van de bewijslast van art. 25 lid 3 en Pro art. 27e lid 1 AWR van toepassing. [13]
5.Het derde middel
nietdoen van de daarin vermelde aangiften vennootschapsbelasting ten name van [verdachte] B.V. heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en/of is de bewijsvoering niet redengevend voor het oordeel dat die aangiften niet zijn ingediend, en/of is verzuimd van de bewijsmiddelen, meer in het bijzonder bewijsmiddel 3
[A-G: ik begrijp bewijsmiddel 2], de inhoud weer te geven van de geschriften waarnaar die bewijsmiddelen verwijzen”.
4. Subsidiair: vrijspraak
nietdoen van aangifte, strafbaar gesteld in artikel 69 lid 1 AWR Pro. Daarnaast heeft de wetgever strafbaar gesteld het opzettelijk niet
tijdigdoen van de aangifte. Ofschoon in de tenlastelegging beide feiten zijn vervat is dat laatste een ander feit. Daar heeft de wetgever bewust voor gekozen bij de implementatie van het huidige art. 69 AWR Pro dat is ingevoerd bij de Wetten van 18 december 1997, respectievelijk tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van de Invorderingswet 1990 in verband met de herziening van het stelsel van administratieve boeten en van het fiscale strafrecht (wetsontwerp 23 470, Stb. 1997, 738) en tot wijziging van enkele wetten in verband met de herziening van het stelsel van bestuurlijke boeten en van het fiscale strafrecht (invoeringswet bestuurlijke boeten) (wetsontwerp 24 800, Stb 1997, 737). Terecht, want feitelijk is er natuurlijk ook een verschil. Immers, bij het niet tijdig doen van een aangifte zijn er uiteindelijk wel middels een aangifte gegevens verstrekt aan de Belastingdienst.
bewezenkan worden dat verdachten op een juiste wijze zijn herinnerd en aangemaand, kan hen pas een strafrechtelijk verwijt worden gemaakt.
Niet doen (tijdig) van aangiften
nietin zijn stelling dat de uitnodigingen en aanmaningen verdachte niet hebben bereikt. Het overzicht van FIOD-ambtenaar [verbalisant] op pagina 55 van het dossier bevat de concrete gegevens uit het digitale systeem van de Belastingdienst over de verzonden stukken en bijbehorende termijnen. Het hof heeft in deze zaak geen aanleiding daar aan te twijfelen. Daaruit volgt dat ten aanzien van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte voor de jaren 2011 tot en met 2016 uitnodigingen zijn verzonden, termijnen zijn gesteld en aanmaningen zijn verzonden. Bij de doorzoeking is daadwerkelijk een groot aantal ongeopende blauwe enveloppen aangetroffen. Eén daarvan – zo bleek na opening met toestemming van de rechter-commissaris – betrof een aanmaning over het jaar 2014 gericht aan verdachte. Het hof gaat er onder die omstandigheden van uit dat de overige stukken eveneens naar hetzelfde – en enige bij de Belastingdienst bekende – adres van verdachte zijn verzonden. Het niet openen van de post komt in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van het hof voor rekening en risico van verdachte.
nietdoen van een ‘bij de belastingwet voorziene aangifte’ in de zin van art. 69 lid 1 AWR Pro. Daarvoor zijn mijns inziens enkele omstandigheden van belang. Allereerst betreft dat het moment waarop de aanslag wordt opgelegd. Mocht de verdachte daaraan voorafgaand, maar na het verstrijken van de termijn als bedoeld in art. 9 AWR Pro, alsnog een (juiste en volledige) aangifte indienen, dan is sprake van het niet tijdig – in plaats van het niet – indienen van een ‘bij de belastingwet voorziene aangifte’ in de zin van art. 69 lid 1 AWR Pro aangezien de inspecteur met deze aangifte bij de aanslagoplegging nog rekening heeft kunnen houden. [25] Een andere uitleg zou met zich meebrengen dat na het verstrijken van de termijnen van art. 9 AWR Pro zowel sprake is van het niet als het niet tijdig doen van een aangifte, zodat geen goede reden zou bestaan voor dit door de wetgever gecreëerde onderscheid in art. 69 lid 1 AWR Pro. [26] In het geval de aangifte na de oplegging van de (ambtshalve) aanslag wordt ingediend is echter geen sprake meer van een ‘bij de belastingwet voorziene aangifte’ en daarmee van het niet doen van een dergelijke aangifte in de zin van art. 69 lid 1 AWR Pro. [27] Een andere relevante omstandigheid betreft de ten laste gelegde (en bewezen verklaarde) periode. In de situatie dat deze periode eindigt op enig moment na het verstrijken van de in art. 9 AWR Pro genoemde termijn maar vóór de oplegging van de aanslag en de aangifte in de periode tussen het einde van de termijn van art. 9 AWR Pro en het einde van de ten laste gelegde (en bewezen verklaarde) periode wordt gedaan, is naar het mij voorkomt sprake van het niet tijdig doen van een aangifte. Mocht de aangifte worden gedaan na het einde van de ten laste gelegde (en bewezen verklaarde) periode, maar voorafgaand aan de aanslagoplegging, dan brengt het voorgaande met zich dat in de bewezen verklaarde periode sprake is van het niet doen van een aangifte. De keuze voor de ten laste gelegde (en bewezen verklaarde) periode is daarmee bepalend bij de beoordeling of sprake is van het niet dan wel niet tijdig doen van een ‘bij de belastingwet voorziene aangifte’. Dat lijkt mij echter geenszins bezwaarlijk gelet op dezelfde strafbedreiging voor beide gedragingen.
6.Het vierde middel
“niet echt een reden”had en dat het is ontstaan vanuit een situatie in een periode waarin hij zakelijk en privé veel heeft meegemaakt (bewijsmiddel 6). Daaruit heeft het hof naar mijn mening kunnen afleiden dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het niet doen van de aangiften vennootschapsbelasting en het niet voeren van een administratie. Ik neem daarbij in aanmerking dat uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de [medeverdachte 1] (bewijsmiddel 6) kan worden afgeleid dat hij (ook) in de bewezen verklaarde periode op de hoogte was van de hier centraal staande verplichtingen en dat hij het niet voldoen hieraan, ondanks zijn persoonlijke situatie, heeft aanvaard.
7.Het vijfde middel
verdachteverklaart op vragen van de voorzitter:
verdachteverklaart over zijn persoonlijke omstandigheden:
advocaat-generaalvoert het woord tot requisitoir conform haar op schrift gestelde aantekeningen die aan dit proces-verbaal zijn gehecht. In aanvulling daarop deelt zij mee:
advocaat-generaallegt de vordering aan het hof over.
raadsmanvoert het woord tot verdediging conform zijn pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht. (…).”
5. Enige opmerkingen over strafsoort en strafmaat
Oplegging van straf en/of maatregel
BESLISSING
geldboetevan
€ 48.500,00 (achtenveertigduizend vijfhonderd euro).”
Verder heb ik het door de commissie gekozen criterium voor de overgang, te weten: «de grote omvang van het door de rechtspersoon uitgeoefende bedrijf» niet overgenomen.
«Grote omvang» is niet alleen een al te vage aanduiding, zij kan vanuit bedrijfseconomisch oogpunt op uiteenlopende wijzen worden beoordeeld, met telkens verschillende, soms tegengestelde, uitkomsten. Zo kan de omvang van een onderneming worden gemeten naar het geplaatste aandelenkapitaal, het aantal werknemers, de investeringscapaciteit, de gedane investeringen, de omzet, de gemaakte winst enz. Ook wordt de grootte van een onderneming niet altijd bepaald door de mate waarin zij winst behaalt of verlies lijdt. De omvang van het bedrijf kan derhalve bezwaarlijk als leidraad dienen voor de rechter. Omdat ook bij de oplegging van een geldboete aan de rechtspersoon de rechter gehouden is het draagkrachtbeginsel toe te passen, kan het aan hem worden overgelaten om te beoordelen wanneer de voor het strafbare feit bepaalde categorie geen passende bestraffing toelaat.” [31]