ECLI:NL:PHR:2002:AE7707
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over vermindering ontnemingsbedrag wegens vorderingen van benadeelde derden
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin de veroordeelde werd veroordeeld tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel en subsidiair vervangende hechtenis. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank Rotterdam.
De veroordeelde stelde vier middelen van cassatie voor, waaronder schending van de redelijke termijn en het niet in mindering brengen van vorderingen van benadeelde derden op het ontnemingsbedrag. De Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, wat compensatie vereist door vermindering van het ontnemingsbedrag en de duur van de hechtenis.
Verder wordt besproken dat alleen vorderingen van rechtstreeks benadeelde derden in mindering mogen worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De vordering van Stad Rotterdam N.V. is terecht niet in mindering gebracht omdat zij niet benadeeld was door de feiten waarop het voordeel is gebaseerd.
De Hoge Raad stelt dat het hof had moeten reageren op het verweer dat het ontnemingsbedrag verminderd moest worden met een terugvordering van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid, maar dat het niet reageren daarop niet tot cassatie leidt omdat het verweer ongegrond is. De terugvordering betreft onterecht verstrekte uitkeringen en is geen dubbele inning van het verzekeringsgeld.
De Hoge Raad vernietigt het arrest uitsluitend voor zover het ontnemingsbedrag en de duur van de vervangende hechtenis betreft en vermindert deze, terwijl het cassatieberoep voor het overige wordt verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vermindert ontnemingsbedrag en duur vervangende hechtenis, bevestigt verder veroordeling.