ECLI:NL:PHR:2002:AE8474
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Smartengeld valt niet buiten faillissementsboedel na vaststellingsovereenkomst
De zaak betreft de vraag of het recht op vergoeding van immateriële schade, oftewel smartengeld, dat aan een failliet is toegekend, buiten de faillissementsboedel valt. De verzoeker liep ernstig letsel op bij een verkeersongeval en was aansprakelijkheidsgeschil met de verzekeraar hangende toen hij failliet werd verklaard. Na faillissement werd een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin het smartengeld werd vastgesteld. De verzoeker wilde dat dit bedrag buiten de boedel bleef, maar de curator en rechter-commissaris wezen dit af, wat door de rechtbank werd bekrachtigd.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de achterliggende overwegingen van uitzonderingen op het faillissementsvermogen en concludeert dat het recht op smartengeld een vermogensrecht wordt zodra het in een overeenkomst is vastgelegd. Hoewel smartengeld een hoogstpersoonlijk karakter heeft en normaal gesproken niet vatbaar is voor beslag, vervalt deze uitzonderingspositie zodra het recht concreet is gemaakt in een vordering of overeenkomst.
De Hoge Raad benadrukt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze afbakening en dat het belang van de faillissementscrediteuren om verhaal te kunnen nemen op dit recht zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van de gefailleerde. Argumenten voor een ruimere uitzonderingspositie worden afgewezen. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee bevestigd wordt dat het smartengeld na vaststellingsovereenkomst tot de faillissementsboedel behoort.
Uitkomst: Het recht op smartengeld na vaststellingsovereenkomst behoort tot de faillissementsboedel en valt niet buiten faillissement.