ECLI:NL:PHR:2002:AE9479
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over vergoeding exploitatievoordeel bij onteigening bouwrijpe grond
Deze zaak betreft de hoogte van de schadevergoeding aan verweerder wegens onteigening van landbouwgrond voor de aanleg van de Hogesnelheidslijn-Zuid. De grond betrof bouwrijpe glastuinbouwgrond, waarvan verweerder aannemelijk maakte dat hij deze zelf zou ontwikkelen. De Rechtbank had de schadeloosstelling vastgesteld op basis van een top down methode, waarbij de waarde van de grond inclusief exploitatievoordeel werd berekend.
De Staat stelde cassatie in tegen het oordeel dat verweerder recht had op vergoeding van het exploitatievoordeel, omdat niet voldoende was gemotiveerd dat verweerder daadwerkelijk tot zelfontwikkeling zou zijn overgegaan. De Hoge Raad bevestigde het uitgangspunt dat alleen vergoeding van misgelopen toekomstige voordelen wordt toegekend indien op het moment van onteigening de bestemming aanwezig was en aannemelijk was dat de onteigende die bestemming zonder onteigening zou hebben verwezenlijkt.
De Hoge Raad oordeelde dat de Rechtbank onvoldoende had gemotiveerd dat verweerder voornemens was tot zelfontwikkeling over te gaan, omdat de waarde van de ruwe grond niet apart was vastgesteld. Hierdoor ontbrak inzicht in het daadwerkelijke voordeel van de ontwikkeling. De top down methode was daarom niet geschikt zonder afzonderlijke waardebepaling van de ruwe grond. De zaak werd vernietigd en verwezen naar het gerechtshof voor nader onderzoek naar de aannemelijkheid van de zelfontwikkeling door verweerder.
Uitkomst: Het vonnis wordt vernietigd en de zaak verwezen voor nader onderzoek naar de aannemelijkheid van zelfontwikkeling door verweerder.