Conclusie
Nummer20/02879
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof de betekening, althans de dagvaarding in hoger beroep ten onrechte niet nietig heeft verklaard, althans ten onrechte (ongemotiveerd) verstek heeft verleend en/of ten onrechte niet de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting heeft bevolen, althans de verstekverlening niet voldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd.
(…)
is niet ter terechtzitting verschenen.
De raadsvrouw van de verdachte (…) is evenmin ter terechtzitting aanwezig.
De raadsvrouw heeft per e-mail van 21 juli 2020 laten weten dat zij en haar cliënt niet aanwezig kunnen zijn bij de zitting (…).
De voorzitter deelt mede dat op voorhand is medegedeeld dat de zaak heden onmiddellijk zal worden aangehouden.
Gehoord de advocaat-generaal deelt de voorzitter vervolgens als beslissing van het hof mede dat het onderzoek wordt geschorst tot de terechtzitting van
18 augustus 2020 te 9.00 uur(…).’
(…)
(…)
nadat het arrest door de voorzitter is uitgesproken is de verdachte alsnog ter terechtzitting verschenen. De voorzitter heeft de verdachte medegedeeld dat hij zojuist bij arrest van het hof in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard, nu hij niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn hoger beroep heeft ingesteld. De verdachte heeft daarop kenbaar gemaakt dat hij cassatieberoep wenst in te stellen tegen het arrest van het hof. De voorzitter heeft de verdachte daartoe verwezen naar de Centrale Balie van het hof.’
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Regelgeving en rechtspraak inzake betekening
Artikel 590
(nietigheid van de dagvaarding en uitstel van het onderzoek)
kanleiden indien de verdachte niet is verschenen op de terechtzitting. Dat laat ruimte voor het achterwege laten van nietigverklaring in andere gevallen. Uit het overzichtsarrest volgt voorts dat bij het bepalen van de rechtsgevolgen van niet-naleving van betekeningsvoorschriften betekenis toekomt aan de procesopstelling van de verdachte en de raadsman, en dat die rechtsgevolgen mede afhangen van de vraag of het aanwezigheidsrecht is geschonden.
geldigebetekening op het GBA-adres ter zitting blijkt dat de verdachte feitelijk op een ander adres verblijft. Voorgesteld wordt aan dit artikel een lid toe te voegen dat het rechtsgevolg regelt van niet-naleving van de verzendplicht ingevolge het nieuwe artikel 588a: schorsing van het onderzoek. Dit is in lijn met de huidige jurisprudentie. Op advies van het OM en de NVvR is de eerder, naast de aanhouding, voorziene mogelijkheid van nietigverklaring van de betekening geschrapt. Dit past bij het onderscheid tussen de voorschriften met betrekking tot de betekening c.q. uitreiking, zoals neergelegd in de artikelen 587, 588 en 590, enerzijds – welker schending met nietigheid kan worden gesanctioneerd – en het
aanvullendevoorschrift van artikel 588a anderzijds.
kan(curs. BFK) worden gesanctioneerd. Dat is een aanvullend argument om deze regeling (en niet art. 278 Sv Pro) tot leidraad te nemen bij het bepalen van de rechtsgevolgen van schending van betekeningsvoorschriften.
vague and informal knowledgeover de inhoud van een bericht ter ore zijn gekomen, is niet sprake van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat het bericht de verdachte tijdig bekend was. Wat de eis van tijdigheid inhoudt, wordt daarbij telkens door de bijzondere regeling bepaald waarmee het bericht samenhangt dat aan de betrokkene wordt betekend.’
vague and informal knowledge’ niet volstaat, heeft de concept-memorie van toelichting onder meer kunnen afleiden uit Sejdovic v. Italië. Het EHRM overwoog daarin als volgt: [37]
in absentia, the Court has held that to inform someone of a prosecution brought against him is a legal act of such importance that it must be carried out in accordance with procedural and substantive requirements capable of guaranteeing the effective exercise of the accused's rights; vague and informal knowledge cannot suffice (…). The Court cannot, however, rule out the possibility that certain established facts might provide an unequivocal indication that the accused is aware of the existence of the criminal proceedings against him and of the nature and the cause of the accusation and does not intend to take part in the trial or wishes to escape prosecution. This may be the case, for example, where the accused states publicly or in writing that he does not intend to respond to summonses of which he has become aware through sources other than the authorities, or succeeds in evading an attempted arrest (…), or when materials are brought to the attention of the authorities which unequivocally show that he is aware of the proceedings pending against him and of the charges he faces.’
Regelgeving en rechtspraak inzake onderbreking en schorsing
Artikelen 312-317.
aangezegd, waarop zij opnieuw ter terechtzitting aanwezig moeten zijn: artikel 312. Ten aanzien der getuigen, deskundigen en tolken geldt deze aanzegging als dagvaarding. (…) De niet aanwezige getuigen, deskundigen en tolken ontvangen in geval van schorsing eene dagvaarding of oproeping tegen de nadere behandeling. Bij onderbreking, in den regel van korter duur en van minder belang (…), wordt dit niet noodig geacht. De niet aanwezige
verdachteontvangt noch bij onderbreking noch bij schorsing eene oproeping.’
derde lid.'
Bespreking van de middelen
eerstemiddel bevat in de eerste plaats de klacht dat het hof de betekening, althans de dagvaarding in hoger beroep ten onrechte niet nietig heeft verklaard.
kanverklaren indien de uitreiking niet is geschied overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling. Deze op de Wet vormverzuimen terug te leiden formulering geeft de rechter een zekere ruimte bij de beslissing om de betekening van een oproeping of dagvaarding nietig te verklaren. Uit een eerdere wijziging van art. 590 (oud) Sv kan worden afgeleid dat het in de rede ligt (nietigverklaring en) schorsing van het onderzoek ter terechtzitting achterwege te laten als zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de (nadere) terechtzitting de verdachte vóór het begin van de door de wet voorgeschreven termijn van dagvaarding, oproeping of aanzegging bekend was. [56]
tweedemiddel bevat de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep, althans ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, althans ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het in het schrijven van 21 november 2019 neergelegde verweer dat sprake is van de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. In ieder geval zou moeten worden geconcludeerd dat de niet-ontvankelijkheid onvoldoende met redenen is omkleed.