ECLI:NL:PHR:2022:239

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 2022
Publicatiedatum
14 maart 2022
Zaaknummer
20/02879
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 265 SvArt. 278 SvArt. 282 SvArt. 284–300 SvArt. 315 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over nietigheid betekening oproeping en schorsing onderzoek ter terechtzitting

In deze zaak staat centraal of het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte voor de nadere terechtzitting in hoger beroep juist is opgeroepen, terwijl de betekeningstukken ontbreken. De verdachte was veroordeeld voor mishandeling en stelde cassatie in tegen het arrest waarbij hij niet-ontvankelijk werd verklaard wegens termijnoverschrijding.

De Hoge Raad analyseert de wettelijke voorschriften en jurisprudentie omtrent betekening, onderbreking en schorsing van het onderzoek ter terechtzitting. De Raad benadrukt dat nietigheid van betekening doorgaans wordt gedekt door vrijwillige verschijning of door omstandigheden waaruit blijkt dat de verdachte tijdig op de hoogte was van de zittingsdatum.

In deze zaak was de dagvaarding in hoger beroep in persoon betekend, en was er e-mailcorrespondentie waaruit blijkt dat de datum van de nadere terechtzitting met de verdediging was afgestemd. De verdachte was op de hoogte en wenste zelf te verschijnen. De Raad oordeelt dat het hof terecht verstek verleende en niet tot schorsing hoefde over te gaan.

Ook het verweer dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar was, wordt verworpen omdat geen omstandigheden zijn aangevoerd die dat rechtvaardigen. De Hoge Raad bevestigt dat het hof de niet-ontvankelijkverklaring voldoende heeft gemotiveerd en dat het cassatieberoep moet worden verworpen.

De conclusie van de AG benadrukt de nuances in de wet- en regelgeving en jurisprudentie over betekening en oproeping na schorsing, en stelt dat nietigheid niet altijd tot cassatie hoeft te leiden als de verdachte bekend was met de zittingsdatum.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in hoger beroep wegens termijnoverschrijding en gegronde verstekverlening.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/02879

Zitting15 maart 2022
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 18 augustus 2020 door het Gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de Rechtbank Amsterdam van 28 augustus 2019, waarbij de verdachte wegens ‘mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot’ werd veroordeeld tot 60 uren taakstraf, subsidiair 30 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts werd in dit vonnis de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. C. Grijsen, advocaat te Almere, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof de betekening, althans de dagvaarding in hoger beroep ten onrechte niet nietig heeft verklaard, althans ten onrechte (ongemotiveerd) verstek heeft verleend en/of ten onrechte niet de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting heeft bevolen, althans de verstekverlening niet voldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd.
Onder de gedingstukken bevinden zich onder meer:
(i) Een akte instellen rechtsmiddel, inhoudende dat de verdachte op 21 november 2019 beroep heeft ingesteld tegen het op 28 augustus 2019 door de politierechter in de Rechtbank Amsterdam gewezen vonnis. Aan deze akte zit een schrijven van de verdachte gehecht, onder meer inhoudende:
‘Op de dag van zitting 28 Aug 2019 na het mondelijk uitspraak van de Recher heb ik gelijk aan mijn advocaat gevraagd dat ik niet eens ben met dit beslissing en dat ik in hogere beroep wil gaan, maar mij advocaat weigerde dat te doen.
Ik heb het beslissing van de zitting van 28 Aug 2019 op 14 Nov 2019 op papier ontvangen van ([betrokkene 1]) van Reclaciring bureau Amsterdam.
op 11 Sep 2019 om 14:30u heb ik mijn Email geopend en zag ik een Email van mijn Advocaat ( Dhr C.van Oppen ) die op 10 Sep 2019 om 18:50u verstuurd was, en hij schreef dat hij gaat GEEN hogere beroep indinnen voor deze zaak, en de beroeptiid eindigt op 11 Sep 2019 om 17:00u. Zie bijlage a.u.b.
Ik heb NIET de mogelijkheid gehad om binnen 2 uur tijd een beroep te stellen en op tijd indinnen.
Als kwestie van een strafzaak, volgens de "Grond Wet" heb ik recht op een gratig advocaat,
maar die is mij niet aangeboden en niet gekregen tot nu toe.’
(ii) De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om op 4 augustus 2020 te verschijnen ter terechtzitting van het hof. De dagvaarding is blijkens een aan het dubbel daarvan gehechte akte op 11 juni 2020 aan de verdachte in persoon uitgereikt aan het op de ‘akte instellen rechtsmiddel’ opgegeven adres. Uit een ‘Aanvulling op de akte van uitreiking’ blijkt dat de gerechtelijke mededeling fysiek aan de ontvanger is overhandigd.
(iii) Een e-mail van 21 juli 2020 van de raadsvrouw van de verdachte aan de strafgriffie van het hof onder meer inhoudende een verzoek tot aanhouding van de zaak omdat zij en haar cliënt niet aanwezig kunnen zijn bij de zitting. Aan deze e-mail zit een e-mailwisseling van 22 juli 2020 gehecht, waaronder een bericht van de voorzitter van het hof, gestuurd om 11:54 uur naar onder meer [betrokkene 2] (administratief medewerkster), inhoudende: ‘Dan gaan we hem aanhouden naar 18/8 om 09.00 uur (…). Misschien even vragen of de raadsman en verdachte dan kunnen’, waarop de betreffende medewerkster om 13:25 uur het bericht stuurt: ‘18/8 om 09.00u is akkoord’.
(iv) Een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 augustus 2020, onder meer inhoudende:
‘De verdachte, opgeroepen als
(…)
is niet ter terechtzitting verschenen.
De raadsvrouw van de verdachte (…) is evenmin ter terechtzitting aanwezig.
De raadsvrouw heeft per e-mail van 21 juli 2020 laten weten dat zij en haar cliënt niet aanwezig kunnen zijn bij de zitting (…).
De voorzitter deelt mede dat op voorhand is medegedeeld dat de zaak heden onmiddellijk zal worden aangehouden.
Gehoord de advocaat-generaal deelt de voorzitter vervolgens als beslissing van het hof mede dat het onderzoek wordt geschorst tot de terechtzitting van
18 augustus 2020 te 9.00 uur(…).’
(v) Een oproeping van verdachte in hoger beroep om op 18 augustus 2020 om 9:00 uur te verschijnen ter terechtzitting van het hof.
(vi) Een e-mailbericht van 17 augustus 2020 van de raadsvrouw van de verdachte aan de strafgriffie van het hof waarin zij bericht dat zij ‘morgenochtend niet ter zitting zal verschijnen. Na bestudering van de stukken heb ik geconcludeerd dat mijn aanwezigheid geen meerwaarde heeft nu het hoger beroep ver buiten de daarvoor gestelde termijn werd ingesteld. Cliënt heb ik hiervan op de hoogte gebracht en wenst alsnog zelf wel ter zitting te verschijnen.’
(vii) Een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 augustus 2020, onder meer inhoudende:
‘De verdachte, hoewel behoorlijk opgeroepen als:
(…)
is niet ter terechtzitting verschenen.
De raadsvrouw van de-verdachte (…) is evenmin ter terechtzitting aanwezig.
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de strafzaak zal worden voortgegaan.
De voorzitter maakt melding van een e-mailbericht van 17 augustus 2020 van de raadsvrouw van de verdachte, waarin zij onder meer kenbaar heeft gemaakt dat zij niet ter terechtzitting van heden zal verschijnen nu het hoger beroep van de verdachte ver buiten de daarvoor gestelde termijn is ingesteld.
De voorzitter verzoekt de advocaat-generaal zich uit te laten over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de verdachte.
De advocaat-generaal voert het woord, leest haar vordering voor en legt die aan het gerechtshof over. Zij deelt mede dat de verdachte op 28 augustus 2019 ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam is verschenen en dat de verdachte bij vonnis van 28 augustus 2019 is veroordeeld. Tegen dit vonnis heeft de verdachte niet binnen veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar eerst op 21 november 2019. Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld dient de verdachte daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Na beraad sluit de voorzitter het onderzoek ter terechtzitting en deelt mede dat terstond uitspraak zal worden gedaan.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
(…)
Noot:
nadat het arrest door de voorzitter is uitgesproken is de verdachte alsnog ter terechtzitting verschenen. De voorzitter heeft de verdachte medegedeeld dat hij zojuist bij arrest van het hof in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard, nu hij niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn hoger beroep heeft ingesteld. De verdachte heeft daarop kenbaar gemaakt dat hij cassatieberoep wenst in te stellen tegen het arrest van het hof. De voorzitter heeft de verdachte daartoe verwezen naar de Centrale Balie van het hof.’
(viii) Het bestreden arrest van het hof van 18 augustus 2020, onder meer inhoudende:

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is op 28 augustus 2019 ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam verschenen.
De verdachte is bij vonnis van 28 augustus 2019 veroordeeld.
Tegen dit vonnis heeft de verdachte niet binnen veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar eerst op 21 november 2019.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.’
5. Uit middel en toelichting volgt dat de klacht ziet op de (betekening van de) oproeping voor de (nadere) terechtzitting in hoger beroep van 18 augustus 2020 en de gang van zaken op die zitting. Het hof zou ten onrechte tot het oordeel zijn gekomen dat de verdachte voor deze zitting juist is opgeroepen en de betekening, althans de oproeping, ten onrechte niet nietig hebben verklaard, althans ten onrechte (ongemotiveerd) verstek hebben verleend.
6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 augustus 2020 vermeldt dat de verdachte ‘behoorlijk (is) opgeroepen’. Bij de aan Uw Raad gezonden stukken bevinden zich echter geen betekeningstukken waaruit volgt dat de oproeping voor deze zitting (op welke wijze dan ook) aan de verdachte is betekend. De raadsvrouw van de verdachte heeft bij schrijven van 3 mei 2021 in aanvulling op de aan haar reeds toegestuurde stukken onder meer om deze betekeningstukken verzocht. Bij schrijven van 21 december 2021 heeft een medewerker dossierbehandeling van de Hoge Raad bij het hof de betekeningsakte van de oproeping voor de zitting van 18 augustus 2020 opgevraagd. Mr. M. Senden, raadsheer bij het hof, heeft bij schrijven van 8 februari 2022 laten weten dat het opgevraagde stuk niet meer voorhanden is.
7. De vaststelling van het hof dat de verdachte voor de zitting van 18 augustus 2020 behoorlijk is opgeroepen kan derhalve in cassatie niet worden gecontroleerd. In dat geval moet het ervoor worden gehouden dat de oproeping om op de (nadere) terechtzitting in hoger beroep te verschijnen niet op de bij de wet voorgeschreven wijze is betekend. [1]
8. De vraag rijst evenwel of de gang van zaken die uit de onder randnummer 4 geciteerde stukken blijkt, maakt dat het hof een nietige betekening van de oproeping voor gedekt had kunnen houden. Ik wijs op de onder (iii) vermelde e-mailcorrespondentie, waaruit lijkt te volgen dat de zittingsdatum en het tijdstip vooraf met de verdediging is afgestemd. En op de onder (vi) vermelde e-mail van de raadsvrouw van verdachte die een dag voor de nadere terechtzitting is verstuurd, waarin zij mededeelt dat zij de volgende dag niet ter zitting zal verschijnen, dat zij de verdachte daarvan op de hoogte heeft gebracht en dat hij zelf wel wenst te verschijnen. Hieruit volgt dat de raadsvrouw van de verdachte met de datum van de nadere terechtzitting op de hoogte was en dat zij over die terechtzitting contact heeft gehad met de verdachte. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 augustus 2020 is de verdachte ook daadwerkelijk op die datum bij het hof verschenen, echter pas nadat het arrest door de voorzitter was uitgesproken.
9. De vraag rijst voorts of een nietige betekening van de oproeping van de verdachte na schorsing voor bepaalde tijd in alle gevallen tot cassatie dient te leiden. In geval van onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting behoeft de bij de eerdere terechtzitting afwezige verdachte niet voor de volgende terechtzitting te worden opgeroepen. Een onderbreking mag, zo kan uit rechtspraak van Uw Raad worden afgeleid, ook twee maanden duren. [2] In deze zaak is sprake van een schorsing voor bepaalde tijd van twee weken, nadat de dagvaarding voor de eerste zitting in persoon was betekend.
10. Alvorens deze vragen te beantwoorden zal ik eerst ingaan op (ontwikkelingen in) de regelgeving en rechtspraak inzake (1) betekening en (2) onderbreking en schorsing voor (on)bepaalde tijd.

Regelgeving en rechtspraak inzake betekening

11. Aan het begin van de jaren ’80 werd de regeling van de betekening in strafzaken gewijzigd. [3] De relevante artikel(led)en kwamen dientengevolge als volgt te luiden:
Artikel 586 Sv Pro
‘In alle gevallen waarin een gerechtelijke mededeling moet worden betekend, geschiedt de betekening door uitreiking van een gerechtelijk schrijven.’
Artikel 589
‘1. Van iedere uitreiking als bedoeld in artikel 586 wordt Pro een akte opgemaakt, waarin zijn vermeld:
1°. de autoriteit van welke het gerechtelijk schrijven uitgaat;
2°. het nummer van het schrijven;
3°. de persoon voor wie het schrijven bestemd is;
4°. de persoon aan wie het is uitgereikt;
5°. de plaats van uitreiking;
6°. de dag en het uur van uitreiking.
2. Vond de uitreiking plaats overeenkomstig artikel 588, tweede of derde lid, dan wordt in de akte eveneens vermeld, dat uitreiking overeenkomstig het eerste lid van artikel 588 niet Pro mogelijk was;
3. De akte wordt door hem die de uitreiking bewerkstelligde ter plaatse en in persoon opgemaakt op de eed afgelegd bij de aanvaarding van zijn bediening en terstond ondertekend.’
Artikel 590
‘1. De betekening is nietig, indien de uitreiking niet heeft plaats gehad overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 588, eerste, tweede en derde lid, en 589.
2. De nietigheid wordt gedekt door vrijwillige verschijning ter zitting van degene voor wie het schrijven bestemd was.’
12. Deze regeling werd enkele jaren later gewijzigd. [4] De systematiek van art. 590 Sv Pro bleef daarbij evenwel in de kern ongewijzigd. Alleen vrijwillige verschijning ter zitting van degene voor wie het schrijven bestemd was, dekte de nietigheid van de betekening.
13. Dat veranderde in 1992. [5] Art. 590, tweede lid, Sv kwam als volgt te luiden:
‘2. De nietigheid wordt voor gedekt gehouden, indien de verdachte vrijwillig ter terechtzitting is verschenen, of indien zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting hem vóór het begin van de door de wet voorgeschreven termijn van dagvaarding, oproeping of aanzegging bekend was.’
14. Deze wijziging werd als volgt toegelicht: [6]
‘De delegatie van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak heeft tijdens het mondeling overleg over het onderhavige wetsvoorstel bepleit om de nietigheid van de dagvaarding, de oproeping en de aanzegging ook voor gedekt te houden «indien zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting hem bekend was». Op deze wijze zou het aantal nietigverklaringen van de dagvaarding, de oproeping en de aanzegging wegens een foutieve betekening kunnen worden beperkt. Het komt immers nogal eens voor dat de verdachte op de hoogte blijkt te zijn van de terechtzitting of de nadere terechtzitting. Hij vraagt bij voorbeeld al dan niet via zijn raadsman, telefonisch of schriftelijk, om aanhouding. Geen enkel processueel belang vordert dat in die situatie de dagvaarding of de oproeping of de aanzegging wegens een foutieve betekening wordt nietig verklaard.
In dat geval dient echter wél vast te staan dat de verdachte tijdig, dat wil zeggen met inachtneming van de voorgeschreven termijn van dagvaarding, oproeping of aanzegging, op de hoogte is geweest van de terechtzitting of de nadere terechtzitting.’
15. In verband met de voorgeschreven termijn van dagvaarding is van belang dat deze wet ook art. 265 Sv Pro aanpaste. Het eerste lid schreef voortaan voor dat tussen ‘de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting’ een termijn van tenminste tien dagen moest verlopen. Ingevolge het derde lid diende de rechtbank het onderzoek bij gebreke van het een of ander te schorsen, tenzij de verdachte was verschenen. Indien de verdachte was verschenen en in het belang van zijn verdediging uitstel verzocht, diende de rechtbank het onderzoek voor bepaalde tijd te schorsen, ‘tenzij zij bij met redenen omklede beslissing van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad wanneer het onderzoek wordt voortgezet’. Voordien schreef het artikel voor dat de dagvaarding nietig werd verklaard indien de voorgeschreven termijn niet in acht was genomen en de verdachte niet was verschenen.
16. Art. 590 Sv Pro werd in 1994 weer aangepast [7] en kwam vervolgens in 1996 geheel te vervallen als gevolg van de Wet vormverzuimen. [8] Deze wetswijziging hing samen met de aan het wetsvoorstel ten grondslag gelegde gedachte dat alleen ‘die vormvoorschriften waarvan schending in alle gevallen tot nietigheid moet leiden omdat geen geval denkbaar is waarin deze sanctie te zwaar is’ met formele nietigheid dienden te worden bedreigd. [9] Deze specifieke wijziging werd als volgt toegelicht: [10]
‘4.1.4. Mededelingen betreffende de terechtzitting
Een aparte categorie nietigheden betreft mededelingen aangaande de datum van de terechtzitting en hiermee samenhangende voorschriften. Doorgaans geldt het vereiste dat deze mededelingen aan de betrokkene worden betekend.
De nietigheid van een onjuiste betekening is nooit absoluut geweest. De nietigheid wordt immers al gedekt door de vrijwillige verschijning van de betrokkene. In de zojuist genoemde Wet van 27 november 1991 is artikel 590, tweede lid, zodanig aangevuld dat de nietigheid van de betekening ook voor gedekt wordt gehouden, indien zich een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tijdig bekend was. Deze aanvulling is een reactie op de onvrede met nietigverklaringen in gevallen waarin het evident was dat de verdachte wel op de hoogte was van de - voortzetting van de - behandeling. Gelet op deze herhaalde relativering van de sanctie door de wetgever is er alle reden de beoordeling van de gevolgen van het niet in acht nemen van de betekeningsvoorschriften in het algemeen over te laten aan de rechter.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de sanctie van nietigheid uit de volgende wettelijke bepalingen kan worden geschrapt:
a. Artikel 385, eerste, derde, vijfde en zesde lid in combinatie met artikel 386, eerste, derde, vijfde jo. zevende lid: vormvereisten aan de kennisgeving van de oproeping voor de kantonrechter;
b. (…);
c. (…);
d. Artikel 588, zesde lid: artikel 590, eerste lid: nietige betekening aan natuurlijke personen.’
17. De toepassing van de wet zoals deze na de inwerkingtreding van de Wet vormverzuimen luidde, was aan de orde in een arrest van Uw Raad van 17 maart 1998. [11] Uw Raad stelde vast dat zich bij de stukken een akte van uitreiking bevond gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter te Groningen van 5 november 1996. Die akte hield in dat de dagvaarding op 27 november 1996 aan de verdachte in persoon was uitgereikt. Tevens bevond zich bij de stukken een mede door de verdachte ondertekende brief, gedateerd 30 oktober 1996, betreffende de zitting van de Kantonrechter van 5 november 1996. Die brief was blijkens het daarop geplaatste stempel op 4 november 1996 ter griffie van het Kantongerecht te Groningen ingekomen. De aantekening van het mondeling vonnis van de Kantonrechter hield onder meer in dat tegen de verdachte verstek was verleend. Uw Raad stelde vast dat volgens het vermelde in de akte van uitreiking de inleidende dagvaarding eerst ná de terechtzitting van de Kantonrechter aan de verdachte in persoon was uitgereikt. Aangezien de verdachte ‘geacht moet worden bekend te zijn geweest met de dag van de terechtzitting’ was de ‘in de uitspraak besloten liggende beslissing van de Kantonrechter tot het achterwege laten van de nietigverklaring van de inleidende dagvaarding’ evenwel niet onbegrijpelijk. Wel had de Kantonrechter volgens Uw Raad op grond van art. 265, derde lid, Sv jo. art. 398 Sv Pro ‘het onderzoek ter terechtzitting moeten schorsen teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn’.
18. A-G Van Dorst had erop gewezen dat art. 590, tweede lid, Sv tot 2 november 1996, drie dagen voor de zitting van de Kantonrechter, bepaalde ‘dat de nietigheid der dagvaarding welke voortvloeide uit een betekeningsdefect, onder meer voor gedekt moest worden gehouden indien zich een omstandigheid voordeed waaruit voortvloeide dat de verdachte bekend was met de zitting. Het verbond daaraan wel de voorwaarde dat die bekendheid aanwezig moest zijn vóór het begin van de dagvaardingstermijn’. Die termijn bedroeg, zo vermeldde Van Dorst, in casu tien dagen. Uit de brief van 30 oktober 1996 kon niet worden afgeleid dat de verdachte tien dagen voor de zitting daarvan op de hoogte was. Daarom had de kantonrechter de inleidende dagvaarding volgens Van Dorst nietig moeten verklaren als de behandeling van de zaak had plaatsgevonden vóór 2 november 1996. Nu de wet ten tijde van de behandeling van de zaak in eerste aanleg geen sanctie meer stelde ‘op enig betekeningsverzuim in de zin van de artt. 588-589 Sv’, stond het de kantonrechter evenwel ‘vrij de nietigverklaring van de inleidende dagvaarding achterwege te laten’.
19. Al vrij snel na de inwerkingtreding van de Wet vormverzuimen heeft de Minister van Justitie voorgesteld art. 590 Sv Pro, in gewijzigde redactie, opnieuw in te voeren. [12] Het artikel kwam als volgt te luiden:

Artikel 590
1. De rechter kan, indien de uitreiking niet heeft plaats gehad overeenkomstig het bepaalde in artikel 588, eerste en derde lid, en 589, de betekening nietig verklaren.
2. Indien de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, doch ter terechtzitting blijkt dat hij feitelijk op een ander adres verblijft, kan de rechter de oproeping van de niet verschenen verdachte bevelen.’
20. Deze wijziging werd als volgt toegelicht: [13]
‘Het betreft hier een reparatie van de wet van 14 september 1995, Stb. 441 (in werking getreden op 2 november 1996, Stb. 522). Ingevolge die wet is het gehele artikel 590 Sv Pro. vervallen. Twee leden van dat artikel dienen echter te worden gehandhaafd en worden hierbij opnieuw ingevoegd.’
21. De wet waarin deze wijziging was opgenomen trad in 1998 in werking. [14]
22. Verwarrend is dat in een andere wet die in dezelfde periode tot stand kwam en een dag eerder in werking trad, een bepaling was opgenomen waaruit een andere benadering spreekt. [15] Een nieuw art. 278, eerste lid, Sv luidde als volgt:
‘De rechtbank onderzoekt de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding aan de niet verschenen verdachte. Indien blijkt dat deze niet op geldige wijze is uitgereikt, spreekt zij de nietigheid van de dagvaarding uit.’
23. De voorgestelde bepaling werd als volgt toegelicht: [16]
‘Artikel 278
(nietigheid van de dagvaarding en uitstel van het onderzoek)
Indien niet blijkt dat de dagvaarding op een geldige wijze is betekend, dient de nietigheid van de dagvaarding te worden uitgesproken. Het is dan immers onzeker of de verdachte van de datum van de terechtzitting op de hoogte kon zijn, zodat de dagvaarding in haar oproepingsfunctie heeft gefaald. In dit geval behoeft geen verstek te worden verleend tegen de niet verschenen verdachte; met een nieuwe dagvaarding kan de zaak geheel opnieuw beginnen, zonder dat het op de eerdere terechtzitting verleende verstek vervallen moet worden verklaard.’
24. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg signaleerde dat in deze memorie van toelichting geen afstand werd genomen van het doel van de Wet vormverzuimen. In dat licht lijkt volgens haar aan de gesignaleerde discrepantie ‘geen bewuste keuze ten grondslag te liggen. Waarschijnlijker is dat de Minister het overzicht in het woud van nieuwe wetsvoorstellen enigszins is kwijtgeraakt’. [17] Ik meen dat het tegen deze achtergrond in de rede ligt het nieuwe art. 590, eerste lid, Sv, dat voortbouwde op de rechtsontwikkeling van de voorgaande jaren, tot leidraad te nemen en er niet vanuit te gaan dat de wetgever met art. 278 Sv Pro heeft willen terugkeren naar de situatie van voor 1992. Daarbij kan ook het karakter van beide wetswijzigingen worden betrokken. Bij de herziening van het onderzoek ter terechtzitting werd onder meer beoogd ‘de bepalingen die betrekking hebben op de voorschriften die van toepassing zijn vóór de aanvang van het eigenlijke onderzoek in de zaak zelf (artikelen 268–283) en de regels die betrekking hebben op de waarheidsvinding omtrent het telastegelegde feit en de gang van het onderzoek te dien einde (artikelen 284–300) duidelijker te groeperen’. [18] Het lijkt de wetgever te zijn ontgaan dat de klok bij deze hergroepering op dit punt enkele jaren werd teruggedraaid.
25. De formulering van het nieuwe art. 590 Sv Pro en de toelichting daarop wijzen er niet op dat de mogelijkheid tot relativering van betekeningsgebreken die voor 1996 bestond en door de Wet vormverzuimen met een andere benadering in zeker opzicht was bevestigd, achterhaald is. Toch werd de rechtsregel die uit het arrest van 1998 kan worden gehaald door Uw Raad in het overzichtsarrest inzake betekening en aanwezigheidsrecht uit 2002 niet vermeld. [19] Uw Raad overwoog:
‘II. De rechtsgevolgen van niet-naleving van de betekeningsvoorschriften
3.26. Niet-naleving van de betekeningsvoorschriften kan alleen dan tot nietigverklaring van de dagvaarding leiden indien de verdachte niet is verschenen ter terechtzitting. Op grond van art. 278, eerste lid, Sv dient de rechter immers slechts in dat geval de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding te onderzoeken en de nietigheid van de dagvaarding uit te spreken indien zij niet op geldige wijze is uitgereikt. Nietigverklaring blijft dus achterwege indien de verdachte is verschenen ter terechtzitting. Dit geldt eveneens indien ter terechtzitting de raadsman van de aldaar niet aanwezige verdachte is verschenen en deze niet heeft geklaagd over een betekeningsverzuim. Uit het achterwege blijven van zo een klacht moet worden afgeleid dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
3.27. Hetzelfde geldt indien het onderzoek ter terechtzitting is geschorst en de oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is betekend dan wel op die nadere terechtzitting door de aldaar aanwezige verdachte of - bij zijn afwezigheid - door zijn raadsman geen beroep is gedaan op de nietigheid van de betekening van de dagvaarding of oproeping(en) voor de eerdere terechtzitting(en).
3.28. In hoger beroep dient niet alleen de geldigheid van de appèldagvaarding te worden onderzocht, maar ook de geldigheid van de inleidende dagvaarding. Daarbij past de volgende opmerking.
3.29. Wanneer de betekening van de inleidende dagvaarding niet op wettige wijze is geschied en de verdachte noch zijn raadsman is verschenen op de terechtzitting in eerste aanleg, dient de appèlrechter deze dagvaarding in beginsel nietig te verklaren, behoudens indien hij op de voet van art. 422a Sv de zaak aan zich houdt.
Nietigverklaring van de inleidende dagvaarding blijft echter achterwege wanneer de appèldagvaarding aan de verdachte in persoon is betekend en de verdachte of zijn raadsman niet is verschenen op de terechtzitting in hoger beroep of wanneer daar niet is geklaagd over de betekening van de inleidende dagvaarding. Uit de omstandigheid dat door of namens de verdachte in hoger beroep geen gebruik is gemaakt van de gelegenheid te klagen over het betekeningsverzuim in eerste aanleg, moet immers worden afgeleid dat de verdachte alsnog vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht in eerste aanleg.’
26. Het is niet geheel duidelijk hoe het niet vermelden van de rechtsregel uit het arrest van 1998 moet worden geduid. Mogelijk heeft de onduidelijkheid die door het nieuwe art. 278, eerste lid, Sv was ontstaan ertoe geleid dat Uw Raad deze rechtsregel terzijde liet. Dat de rechtsregel niet is vermeld behoeft niet te betekenen dat Uw Raad van opvatting is veranderd. [20] Uw Raad geeft in de eerste zin van rov. 3.26 aan dat niet-naleving van de betekeningsvoorschriften alleen tot nietigverklaring van de dagvaarding
kanleiden indien de verdachte niet is verschenen op de terechtzitting. Dat laat ruimte voor het achterwege laten van nietigverklaring in andere gevallen. Uit het overzichtsarrest volgt voorts dat bij het bepalen van de rechtsgevolgen van niet-naleving van betekeningsvoorschriften betekenis toekomt aan de procesopstelling van de verdachte en de raadsman, en dat die rechtsgevolgen mede afhangen van de vraag of het aanwezigheidsrecht is geschonden.
27. De wettelijke regeling werd vervolgens gewijzigd in 2005. [21] Bij deze wetswijziging werd onder meer een nieuw art. 588a Sv ingevoegd, dat in een aantal gevallen voorschreef dat ‘een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen (wordt) toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres’. In aansluiting daarop werd aan art. 590 Sv Pro een lid toegevoegd, luidend:
‘3. Indien aan de verzendplicht ingevolge artikel 588a niet of niet tijdig is voldaan, beveelt de rechter de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting tenzij:
a. zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, dan wel
b. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte kennelijk geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid.’
28. Deze regeling werd als volgt toegelicht: [22]
Artikel 590 Sv Pro, zoals het thans luidt, regelt in het eerste lid het rechtsgevolg dat de rechter kan verbinden aan de niet-naleving van voorschriften die voor de uitreiking van een gerechtelijk schrijven gelden, namelijk de nietigverklaring van de betekening. Het tweede lid regelt de mogelijkheid van een bevel tot oproeping van de afwezige verdachte, indien bij een
geldigebetekening op het GBA-adres ter zitting blijkt dat de verdachte feitelijk op een ander adres verblijft. Voorgesteld wordt aan dit artikel een lid toe te voegen dat het rechtsgevolg regelt van niet-naleving van de verzendplicht ingevolge het nieuwe artikel 588a: schorsing van het onderzoek. Dit is in lijn met de huidige jurisprudentie. Op advies van het OM en de NVvR is de eerder, naast de aanhouding, voorziene mogelijkheid van nietigverklaring van de betekening geschrapt. Dit past bij het onderscheid tussen de voorschriften met betrekking tot de betekening c.q. uitreiking, zoals neergelegd in de artikelen 587, 588 en 590, enerzijds – welker schending met nietigheid kan worden gesanctioneerd – en het
aanvullendevoorschrift van artikel 588a anderzijds.
Schorsing van het onderzoek kan geschieden voor bepaalde of voor onbepaalde tijd. Tegenwoordig worden vaak speciale zittingen vooruit gepland voor aan te houden zaken, zodat de rechter op het moment van aanhouding al weet op welke datum het onderzoek kan worden hervat. Dit kan dan ook op redelijk korte termijn geschieden. Of het onderzoek nu voor bepaalde of voor onbepaalde tijd wordt aangehouden, de niet op de terechtzitting aanwezige verdachte dient opnieuw te worden opgeroepen (zie artikel 319, tweede lid, en 320, eerste lid, Sv). Op deze oproeping voor de nadere terechtzitting is artikel 588a Sv weer van toepassing.
In twee gevallen behoeft de niet-naleving van de verzendplicht van artikel 588a geen consequenties te hebben en kan de behandeling in afwezigheid van de verdachte worden voortgezet. Dit is allereerst het geval dat op de zitting blijkt dat de verdachte langs andere weg tevoren op de hoogte was van de dag van de terechtzitting. Voorts is dit het geval indien zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte – ondanks bekendheid met de terechtzitting – kennelijk geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid. Dit criterium is ontleend aan de rechtspraak van de Hoge Raad, waaruit voortvloeit dat aanhouding van de zaak niet behoeft plaats te vinden wanneer de rechter aannemelijk oordeelt dat de verdachte geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid en dus (alsnog) vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht (zie het arrest van 12 maart 2002, overweging 40, die specifiek betrekking heeft op de behandeling in appèl).’
29. In deze toelichting ontbreekt een verwijzing naar art. 278 Sv Pro. De rechtsgevolgen van het niet naleven van het aanvullende voorschrift van art. 588a Sv worden vergeleken met de regeling van de artikelen 587, 588 en 590 Sv; overwogen wordt dat schending van voorschriften met betrekking tot de uitreiking met nietigheid
kan(curs. BFK) worden gesanctioneerd. Dat is een aanvullend argument om deze regeling (en niet art. 278 Sv Pro) tot leidraad te nemen bij het bepalen van de rechtsgevolgen van schending van betekeningsvoorschriften.
30. Gevolg van de wetswijziging was dat de rechtsgevolgen van het niet naleven van betekeningsvoorschriften en het niet naleven van de verzendplicht verschillend waren geregeld. Art. 590 (oud) Sv liet de rechter vrij bij de beslissing om de betekening nietig te verklaren indien ‘de uitreiking niet heeft plaats gehad overeenkomstig het bepaalde in artikel 588, eerste en derde lid, en 589’ Sv. Indien de verzendplicht niet was nageleefd, was schorsing aangewezen tenzij zich een omstandigheid had voorgedaan waaruit voortvloeide ‘dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was’, dan wel zich anderszins een omstandigheid had voorgedaan waaruit voortvloeide ‘dat de verdachte kennelijk geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid’. De regeling eiste niet dat de verdachte een nader omschreven aantal dagen voordien met de dag van de terechtzitting op de hoogte was. Dat sluit in zeker opzicht aan op het arrest uit 1998; daaruit vloeit voort dat nietigverklaring van de dagvaarding eveneens achterwege kan blijven als de verdachte (kort voordien) met de dag van de terechtzitting op de hoogte is geraakt. In dat geval dient echter wel schorsing van het onderzoek ter terechtzitting te volgen. Schorsing van het onderzoek ter terechtzitting is bij het niet naleven van de verzendplicht niet wettelijk voorgeschreven als de verdachte pas kort voordien met de dag van de terechtzitting op de hoogte is geraakt.
31. De toepassing van de aldus gewijzigde wettelijke regeling was aan de orde in een arrest van Uw Raad van 29 maart 2011. [23] In deze zaak was ter terechtzitting in hoger beroep door de uitdrukkelijk gemachtigde raadsman een beroep gedaan op nietigheid van de uitreiking van de dagvaarding in eerste aanleg. Het hof oordeelde ‘dat de dagvaarding in eerste aanleg weliswaar onjuist is betekend, maar dat hieraan geen consequenties dienen te worden verbonden, nu de verdachte via zijn raadsman op de hoogte is gesteld van datum en tijdstip van de zitting, hetgeen ook de ratio is van de voorschriften betreffende de wijze van betekenen’. In cassatie werd geklaagd dat het hof de nietigheid van de inleidende dagvaarding ten onrechte voor gedekt had gehouden. A-G Vegter meende dat het middel faalde. De rechter kon volgens hem nietigverklaring van een gebrekkig betekende dagvaarding achterwege laten ‘als zich een omstandigheid voordoet waaruit blijkt dat de niet verschenen verdachte tijdig van de terechtzitting op de hoogte was’. Uw Raad casseerde evenwel en overwoog in dat verband als volgt:
‘2.3. Vooropgesteld moet worden dat de betekeningsvoorschriften strekken tot bescherming van het belang dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat een verdachte buiten zijn schuld onbekend blijft met het feit dat een tegen hem lopende strafzaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, dientengevolge niet verschijnt en daardoor in zijn verdediging kan worden benadeeld. De nietigheid van de dagvaarding wegens een betekeningsgebrek wordt niet gedekt doordat ter terechtzitting een op de voet van art. 279 Sv Pro tot de verdediging gemachtigde raadsman is verschenen (vgl. HR 11 februari 2003, LJN AE9649, NJ 2003/390, rov. 3.5.1 en 3.5.5).
Niet-naleving van de betekeningsvoorschriften leidt in de regel tot nietigverklaring van de dagvaarding, ook al volgt dat niet dwingend uit art. 590 Sv Pro. Nietigverklaring blijft evenwel achterwege indien de verdachte ondanks het betekeningsgebrek ter terechtzitting is verschenen. Dit geldt eveneens indien ter terechtzitting de raadsman van de aldaar niet aanwezige verdachte is verschenen en deze niet heeft geklaagd over het betekeningsgebrek (vgl. HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.5 en 3.26).
2.4. Onjuist is de aan de verwerping van het gevoerde verweer ten grondslag liggende opvatting van het Hof dat de nietigheid van de dagvaarding wordt gedekt ingeval de verdachte via zijn raadsman op de hoogte is gesteld van de terechtzitting. Gelet hierop en op hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is de verwerping van het beroep op de nietigheid van de inleidende dagvaarding niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
2.5. Het middel is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen de inleidende dagvaarding nietig verklaren.’
32. Annotator Schalken achtte het mogelijk dat Uw Raad zich had laten overtuigen door de toelichting bij het cassatiemiddel, waarin werd betoogd ‘dat de enkele omstandigheid dat de raadsman zijn cliënt van de zitting op de hoogte heeft gebracht, nog niet betekent dat deze daarmee ook bekend is’. Hij merkte voorts op dat Uw Raad mogelijk ook in zijn overwegingen had betrokken dat de verdachte ten tijde van de zitting naar het buitenland was uitgezet. Aangezien een gedekte nietigheid neer zou komen op afstand van het aanwezigheidsrecht, terwijl de verdachte feitelijk niet in staat was ter zitting te verschijnen, zou dat naar zijn mening wellicht de doorslag hebben kunnen geven. Schalken zocht het kortom in de bijzonderheden van het geval. De overweging van Uw Raad is evenwel heel algemeen geformuleerd, en lijkt over de hele linie uit te sluiten dat ‘de nietigheid van de dagvaarding wordt gedekt ingeval de verdachte via zijn raadsman op de hoogte is gesteld van de terechtzitting’.
33. Bij die lezing kan evenwel de vraag rijzen hoe zij zich verhoudt tot de wetsgeschiedenis van het destijds geldende art. 590 Sv Pro zoals deze in het voorgaande is uiteengezet. Bij de wijziging in 1992, die het mogelijk maakte nietigverklaring achterwege te laten indien zich een omstandigheid had voorgedaan waaruit voortvloeide dat de dag van de (nadere) terechtzitting de verdachte vóór het begin van de door de wet voorgeschreven termijn van dagvaarding, oproeping of aanzegging bekend was, werd in de memorie van toelichting gewezen op het geval waarin de verdachte ‘al dan niet via zijn raadsman, telefonisch of schriftelijk, om aanhouding’ verzocht. Een verzoek om aanhouding kan ook worden gedaan nadat de verdachte door zijn raadsman van de terechtzitting op de hoogte is gesteld. Uit de inhoud en de parlementaire behandeling van de Wet vormverzuimen kan worden afgeleid dat de wetgever de rechter alleen maar meer armslag heeft willen bieden. En die armslag is met de later tot stand gekomen redactie waarin de rechter de bevoegdheid (‘kan’) heeft gekregen om de betekening nietig te verklaren, niet verkleind. En ook uit de inhoud en parlementaire behandeling van de wetswijziging in 2005 blijkt niet dat informatie die door de raadsman aan de verdachte is verstrekt niet in aanmerking mag worden genomen.
34. Een en ander kan wellicht verklaren waarom onduidelijkheid bestaat over de betekenis die aan het arrest uit 2011 toekomt. Borgers en Kooijmans stellen dat Uw Raad ‘zeer terughoudend (is) met relativeringen van gebreken bij de betekening van de dagvaarding’ en verwijzen daarbij in een noot onder meer naar dit arrest. [24] In de volgende zin geven zij evenwel aan dat de nietigheid niet zal behoeven te worden uitgesproken ‘als de verdachte vrijwillig ter terechtzitting is verschenen of anderszins blijkt dat de dag van de (nadere) terechtzitting hem voorafgaand aan het begin van de wettelijke dagvaardingstermijn bekend was’. Reijntjes signaleert dat het wetboek vroeger bepaalde ‘dat nietigverklaring van de dagvaarding – ondanks afwezigheid van de verdachte – achterwege bleef als zich een omstandigheid voordeed waaruit voortvloeide dat de dag van de terechtzitting hem bekend was’ en meent dat dit voorschrift nu in art. 278, eerste lid, Sv ‘ingelezen’ moet worden. [25] In een noot vermeldt hij vervolgens dat het arrest van Uw Raad van 29 maart 2011 van het in de tekst gestelde afwijkt. Keulen en Knigge menen dat er wat voor te zeggen valt ‘dat de rechter de nietigheid in beginsel nog steeds voor ‘gedekt’ mag houden als op de zitting blijkt dat de niet verschenen verdachte met de zittingsdatum bekend is’. [26] Maar zij wijzen in een voetnoot eveneens op het arrest uit 2011 en menen dat onduidelijk is of het oordeel van Uw Raad ‘op de bijzonderheden van het geval teruggevoerd kan worden’.
35. Mogelijk speelt bij het arrest uit 2011 een rol dat de informatie over de zitting door de raadsman van de verdachte was verstrekt. In ander verband heeft Uw Raad echter wel betekenis gehecht aan informatie die de raadsman aan de verdachte verstrekt over de zitting. In een arrest van 8 oktober 2019 was de oproeping voor de terechtzitting in eerste aanleg in persoon aan de verdachte betekend. [27] De verdachte had niet binnen veertien dagen na het vonnis in eerste aanleg hoger beroep ingesteld. Namens de verdachte was aangevoerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was nu aan de verdachte geen schriftelijke vertaling van de oproeping in de Roemeense taal was verstrekt. Het hof had dit verweer verworpen nu volgens het hof uit een faxbericht van de advocaat, die de Roemeense taal beheerste, kon worden afgeleid dat de verdachte op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg. ‘s Hofs oordeel was volgens Uw Raad niet onbegrijpelijk. [28]
36. Ik merk voorts nog op dat blijkens rechtspraak van Uw Raad uit informatie die de raadsman of een (andere) derde heeft verstrekt kan worden afgeleid dat de verdachte (op enig moment) met de terechtzitting of het vonnis op de hoogte was. [29] In verband met de eisen aan informatie over het aanvangstijdstip van de terechtzitting verdient vermelding hetgeen Uw Raad recentelijk heeft overwogen in een zaak waarin de verdachte bij gewone brief was geïnformeerd over een vervroeging van dat tijdstip met tien minuten. [30]
37. Enkele jaren na 2011 werd art. 590 Sv Pro wederom gewijzigd. [31] Daarbij werd de ‘basisadministratie persoonsgegevens’ vervangen door ‘basisregistratie personen’. Een grotere wijziging vond plaats in 2020, door de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen. [32] Van dit wetsvoorstel is een concept in internetconsultatie gegeven. [33] Dat bevatte een aantal voorstellen die het uiteindelijke wetsvoorstel niet hebben gehaald. Zo werd in het concept van art. 36e Sv (de opvolger van art. 588 Sv Pro) voorgesteld om in gevallen waarin de geadresseerde niet als ingezetene was ingeschreven in de BRP en geen bekende woon- of verblijfplaats had, betekening aan het adres van de raadsman dan wel, bij het ontbreken van rechtsbijstand, het adres van de hem bekende feitelijke werkgever mogelijk te maken. Die betekening aan de raadsman werd als betekening in persoon aangemerkt. In het concept van art. 36n Sv werd de inhoud van het geldende art. 590 Sv Pro min of meer overgenomen.
38. De wettelijke regeling die uiteindelijk is ingevoerd bepaalt dat betekening van een gerechtelijke mededeling ‘geschiedt door middel van uitreiking of elektronische overdracht, op de bij de wet voorziene wijze’ (art. 36b, tweede lid, Sv). Zowel de uitreiking als de elektronische overdracht is in de volgende artikelen uitgewerkt. Art. 36n Sv, dat voortbouwt op art. 590 (oud) Sv, luidt als volgt:
‘1. De rechter kan, indien de uitreiking niet is geschied overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling, de betekening nietig verklaren.
2. Indien de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, doch ter terechtzitting blijkt dat hij feitelijk op een ander adres verblijft, kan de rechter de oproeping van de niet verschenen verdachte bevelen.
3. Indien aan de verzendplicht ingevolge artikel 36g niet of niet tijdig is voldaan, beveelt de rechter de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting tenzij:
a. zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, dan wel
b. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte kennelijk geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid.’
39. De memorie van toelichting merkt op dat in dit artikel enkel wordt gecorrigeerd voor verwijzingen naar verplaatste en hernummerde artikelen. [34] Van een gewijzigd inzicht is in zoverre derhalve geen sprake. De wet voorziet niet in een regeling voor gevallen waarin de betekening door elektronische overdracht mis is gelopen. Vastgelegd is wel dat betekening door uitreiking geschiedt indien betekening door elektronische overdracht niet of niet binnen een redelijke termijn mogelijk is (art. 36b, tweede lid, Sv). Voor het geval iets mis is gegaan met de elektronische overdracht maar betekening door uitreiking is nagelaten zou het voor gedekt houden van een nietige betekening in geval van bekendheid met de zitting ook betekenis kunnen hebben.
40. Het ambtelijk concept van het nieuwe Wetboek van Strafvordering bevat in Boek 1 een afzonderlijk hoofdstuk over ‘Overdracht van berichten en het indienen van stukken’. [35] De tweede titel van dat hoofdstuk ziet op betekening. Ook die regeling voorziet in de mogelijkheden van betekening door elektronische overdracht en door uitreiking (concept-art. 1.9.10). Concept-art. 1.9.17, dat ziet op de materie die in art. 36n Sv en eerder in art. 590 Sv Pro is geregeld, luidt als volgt:
‘1. De rechter kan, indien het bericht niet is uitgereikt overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk, de betekening nietig verklaren.
2. Nietigverklaring kan achterwege blijven als zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het bericht degene voor wie het bestemd was tijdig bekend was.’
41. Het concept van de memorie van toelichting merkt over het tweede lid van deze bepaling op: [36]
‘Anders dan in het huidige artikel 36n wordt echter ook een geval genoemd waarin nietigverklaring achterwege kan blijven. Dat is het geval indien zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het bericht ondanks het niet volgen van de voorgeschreven betekeningsprocedure tijdig bekend was bij degene voor wie het bestemd was. Voorstelbaar is bijvoorbeeld dat een verdachte van wie niet bekend is of hij kennis heeft genomen van een bericht dat op een ander dan het opgegeven adres aan zijn levensgezel is uitgereikt, aan de rechtbank om aanhouding verzoekt. In dat geval is duidelijk dat hij van de dag van de terechtzitting op de hoogte is. Het nietig verklaren van de betekening die hem met dag en plaats van die terechtzitting op de hoogte wilde brengen, ligt dan niet in de rede.
Dat nietigverklaring van de betekening achterwege kan blijven als langs andere weg duidelijk wordt dat de betrokkene met het bericht op de hoogte is, brengt ook mee dat het zin kan hebben de betrokkene langs andere dan de in het voorgaande beschreven weg met dat bericht op de hoogte te brengen. Wel dient daarbij de ondergrens in acht genomen te worden die uit rechtspraak van het EHRM naar voren komt. Als de verdachte slechts
vague and informal knowledgeover de inhoud van een bericht ter ore zijn gekomen, is niet sprake van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat het bericht de verdachte tijdig bekend was. Wat de eis van tijdigheid inhoudt, wordt daarbij telkens door de bijzondere regeling bepaald waarmee het bericht samenhangt dat aan de betrokkene wordt betekend.’
42. Deze concept-bepaling en de toelichting daarop kunnen geen reden vormen het geldend recht anders uit te leggen dan op grond van bewoordingen, wetsgeschiedenis en wetssystematiek aangewezen is. Geconstateerd kan wel worden dat een interpretatie die betekenis toekent aan bekendheid van de betrokkene met de inhoud van het bericht, niet haaks staat op de rechtsontwikkeling voor zover deze zich uit dit concept laat afleiden.
43. Dat ‘
vague and informal knowledge’ niet volstaat, heeft de concept-memorie van toelichting onder meer kunnen afleiden uit Sejdovic v. Italië. Het EHRM overwoog daarin als volgt: [37]
‘99. In previous cases concerning convictions
in absentia, the Court has held that to inform someone of a prosecution brought against him is a legal act of such importance that it must be carried out in accordance with procedural and substantive requirements capable of guaranteeing the effective exercise of the accused's rights; vague and informal knowledge cannot suffice (…). The Court cannot, however, rule out the possibility that certain established facts might provide an unequivocal indication that the accused is aware of the existence of the criminal proceedings against him and of the nature and the cause of the accusation and does not intend to take part in the trial or wishes to escape prosecution. This may be the case, for example, where the accused states publicly or in writing that he does not intend to respond to summonses of which he has become aware through sources other than the authorities, or succeeds in evading an attempted arrest (…), or when materials are brought to the attention of the authorities which unequivocally show that he is aware of the proceedings pending against him and of the charges he faces.’
44. Uit deze overweging kan worden afgeleid dat zij ziet op het informeren van de verdachte over de vervolging. Vage en informele kennis van de verdachte over een tegen hem lopende vervolging is geen basis om de verdachte de verdedigingsrechten te ontzeggen die art. 6 EVRM Pro hem toekent. Het EHRM laat evenwel de mogelijkheid open dat vaststaande feiten een onweerlegbare aanwijzing vormen dat de betrokkene met de beschuldiging op de hoogte is. In het onderhavige geval was de verdachte op de hoogte met het vonnis, en (daarmee) ook van de beschuldiging. De overweging staat er naar het mij voorkomt niet aan in de weg dat bekendheid van de verdachte met de zittingsdatum in hoger beroep uit mededelingen van zijn raadsman en andere aanwijzingen wordt afgeleid.
45. Vermelding verdient nog dat Uw Raad niet in alle gevallen gevolgen verbindt aan de omstandigheid dat op de betekening betrekking hebbende stukken in het ongerede zijn geraakt. In HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1113 was twee dagen voor de terechtzitting in hoger beroep een afstandsverklaring van de in België gedetineerde verdachte bij het hof binnengekomen. Het hof wees het door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting gedane aanhoudingsverzoek af en overwoog onder meer dat het geen redenen had om aan te nemen dat de door de verdachte ondertekende afstandsverklaring geen authentiek document van de gevangenis in Gent betrof en dat het evenmin redenen had om aan te nemen dat de verdachte niet welbewust afstand had gedaan van zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep aanwezig te zijn. In cassatie bleek de bij de appeldagvaarding behorende akte van uitreiking in het ongerede te zijn geraakt. Uw Raad overwoog:
‘2.4. De in de art. 585-589 Sv neergelegde regeling met betrekking tot de betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken – waaronder dagvaardingen en oproepingen – strekt ertoe te verzekeren dat degene voor wie een dergelijke gerechtelijke mededeling is bestemd – in de regel de verdachte – daarvan zo enigszins mogelijk op de hoogte komt.
2.5. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen het Hof heeft overwogen met betrekking tot de afstandsverklaring door de verdachte terwijl blijkens de mededeling van de raadsman ter terechtzitting van het Hof de verdachte op de hoogte was van die terechtzitting, is het belang van de verdachte bij de enkele klacht dat de bij de appeldagvaarding behorende akte van uitreiking in het ongerede is geraakt, niet evident. Nu de subsidiaire klacht van het middel evenmin behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden, zal de Hoge Raad het beroep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk verklaren.’
46. De afstandsverklaring was in deze zaak naar het mij voorkomt de centrale reden om aan het in het ongerede raken van de akte van uitreiking geen rechtsgevolgen te verbinden. Dat doet er evenwel niet aan af dat Uw Raad ook melding maakt van de mededeling van de raadsman dat de verdachte op de hoogte was van de terechtzitting als grond voor die beslissing.

Regelgeving en rechtspraak inzake onderbreking en schorsing

47. In het Wetboek van Strafvordering zoals dat in 1926 in werking trad, luidden de artikelen 319 en 320 Sv, destijds genummerd als de artikelen 315 en 316, als volgt: [38]
Artikel 315
‘In alle gevallen waarin het onderzoek wordt onderbroken of voor een bepaalden tijd geschorst, wordt door den voorzitter aan den aanwezigen verdachte en aan de aanwezige getuigen, deskundigen en tolken mondeling het tijdstip aangezegd, waarop zij op de terechtzitting zullen moeten aanwezig zijn. Die aanzegging geldt als dagvaarding. Bij niet-verschijning van getuigen, deskundigen of tolken op het aangewezen tijdstip is artikel 282 van Pro toepassing.
De getuigen, deskundigen en tolken, die bij de in het eerste lid bedoelde aanzegging niet op de terechtzitting aanwezig zijn, worden, in geval van schorsing, voor de nadere behandeling opnieuw gedagvaard of opgeroepen.
Met toestemming van den officier van justitie en den verdachte kunnen door de rechtbank bepaalde getuigen, deskundigen en tolken worden aangewezen, wier tegenwoordigheid bij de nadere behandeling niet meer wordt vereischt.’
Artikel 316
‘In alle gevallen waarin het onderzoek voor eenen onbepaalden tijd is geschorst, wordt, zoodra de oorzaak der schorsing is vervallen, de verdachte opgeroepen en worden de getuigen, deskundigen en tolken opnieuw ter terechtzitting voor de nadere behandeling bepaald, gedagvaard of opgeroepen.
Artikel 315, laatste lid, is van toepassing.
Hetgeen bij artikel 265 ten Pro opzichte van de dagvaarding van den verdachte is bepaald, geldt hier ten aanzien van de oproeping van den verdachte.’
48. In de memorie van toelichting werd over deze artikelen (in het ORO genummerd als artikelen 312 en 313) onder meer het volgende opgemerkt: [39]

Artikelen 312-317.
Ten aanzien van deze artikelen, handelende over de gevolgen der door de rechtbank bevolen schorsing of onderbreking van het onderzoek, (…) zij opgemerkt, dat het Ontwerp de gevallen, waarin het onderzoek hetzij wordt onderbroken, hetzij voor een bepaalden tijd wordt geschorst, en die, waarin de schorsing voor onbepaalden tijd plaats heeft, scherp tegenover elkander stelt.
In het eerste geval worden de aanwezige verdachten, getuigen, deskundigen en tolken niet opnieuw gedagvaard of opgeroepen, doch wordt hun eenvoudig het tijdstip
aangezegd, waarop zij opnieuw ter terechtzitting aanwezig moeten zijn: artikel 312. Ten aanzien der getuigen, deskundigen en tolken geldt deze aanzegging als dagvaarding. (…) De niet aanwezige getuigen, deskundigen en tolken ontvangen in geval van schorsing eene dagvaarding of oproeping tegen de nadere behandeling. Bij onderbreking, in den regel van korter duur en van minder belang (…), wordt dit niet noodig geacht. De niet aanwezige
verdachteontvangt noch bij onderbreking noch bij schorsing eene oproeping.’
Artikel 313.
In het tweede geval, dus bij schorsing voor onbepaalden tijd, ontvangen na het vervallen der oorzaak voor de schorsing niet alleen alle getuigen, deskundigen en tolken eene nieuwe dagvaarding of oproeping, doch wordt ook de bij de schorsing niet aanwezige verdachte opnieuw opgeroepen: artikel 313. Bij onderbreking of schorsing voor bepaalden tijd komt dit onnoodig voor, daar verwacht mag worden dat in dat geval de reden, waarom de verdachte bij de eerste behandeling der zaak niet verscheen, ook bij de hervatting van het onderzoek wel niet zal zijn opgeheven. Bovendien kan de verdachte, indien hij het gewenscht acht het tegen hem verleend verstek te doen vervallen verklaren, bij de hervatting van het onderzoek ook zonder te zijn opgeroepen verschijnen (art. 316) en staat hem in ieder geval na afloop der geheele behandeling het middel van verzet open.
(…)
Voor den verdachte is hier de uitdrukking „oproepen" gekozen, wijl onder dagvaarding alleen het bij art. 262 bedoelde Pro stuk, vermeldende het telastegelegde feit, mag worden verstaan. Dat op zoodanige oproeping het bij art. 266 bepaalde Pro omtrent den in acht te nemen termijn ook hier van toepassing is, volgt uit art. 313,
derde lid.'
49. In de zestiger jaren is in art. 319, tweede lid, Sv ‘verdachte’ ingevoegd. [40] Die wijziging is als volgt toegelicht: [41]
‘Wanneer het onderzoek ter terechtzitting voor een bepaalde tijd wordt geschorst, ontvangen ingevolge artikel 319, tweede lid, de niet-aanwezige getuigen, deskundigen en tolken officieel bericht omtrent de aanvang der nadere behandeling. De niet-aanwezige verdachte wordt verondersteld zich daarvan eigener beweging tijdig op de hoogte te stellen. Het komt de ondergetekende gewenst voor, dit onderscheid te doen vervallen. Het gaat er kennelijk van uit dat de afwezige verdachte altijd uit gebrek aan voldoende belangstelling voor zijn eigen strafzaak wegblijft en daarvan bij het verdere verloop dan ook maar de consequenties moet dragen. In verkeerszaken b.v., die vaak dienen in een plaats, ver verwijderd van verdachtes woonplaats, kan hem zijn afwezigheid echter zeker niet in alle gevallen worden verweten.’
50. De wetgever had er in verband met deze wijziging ook nog op kunnen wijzen dat voor de verdachte die in eerste aanleg verstek liet gaan inmiddels – behoudens in uitzonderingsgevallen – niet meer het rechtsmiddel verzet openstond.
51. In de tachtiger jaren werd art. 319, derde lid, Sv gewijzigd. [42] In de negentiger jaren werd de tolk uit de laatste volzin van art. 319, eerste lid, Sv verwijderd [43] en werden aan art. 319, eerste en tweede lid, Sv en artikel 320, eerste lid, Sv zinnen toegevoegd die betrekking hebben op de benadeelde partij. [44] Voorts is artikel 320, derde lid, Sv nog in die zin gewijzigd dat naast artikel 265 Sv Pro ook artikel 370, eerste lid, Sv werd genoemd. [45] Deze wijzigingen zijn in dit verband niet van belang.
52. Aan het eind van de negentiger jaren werden de artikelen 319 en 320 Sv opnieuw geredigeerd door de Wet herziening onderzoek ter terechtzitting. [46] Zij kwamen daardoor als volgt te luiden:
Artikel 319
‘1. In alle gevallen waarin het onderzoek wordt onderbroken of voor een bepaalde tijd geschorst, wordt door de voorzitter aan de verdachte, diens raadsman, en aan de tolken, getuigen en deskundigen voor zover zij nog niet op de terechtzitting zijn gehoord, het tijdstip aangezegd, waarop zij bij de hervatting van het onderzoek op de terechtzitting aanwezig moeten zijn. Aan de aanwezige benadeelde partij wordt door de voorzitter het tijdstip aangezegd waarop het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat. De aanzegging geldt als oproeping.
2. De verdachte, raadsman, getuigen, deskundigen en tolken die bij de in het eerste lid bedoelde aanzegging niet op de terechtzitting aanwezig zijn, worden in het geval van schorsing voor de nadere terechtzitting opnieuw opgeroepen. De benadeelde partij die niet bij de aanzegging aanwezig is, wordt eveneens opgeroepen indien de rechtbank daartoe termen aanwezig acht.
3. De rechtbank kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte, getuigen en deskundigen die reeds op de terechtzitting zijn gehoord, en tolken aanwijzen wier tegenwoordigheid bij de nadere behandeling wordt vereist. De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie, gehoord de verdachte, toe en willigt het verzoek van de verdachte, gehoord de officier van justitie, in, tenzij zij van oordeel is dat door het afwijzen van de vordering of het niet inwilligen van het verzoek redelijkerwijs noch het openbaar ministerie in de vervolging, noch de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad.’
Artikel 320
‘1. In alle gevallen waarin het onderzoek voor een onbepaalde tijd is geschorst, worden, zodra de oorzaak der schorsing is vervallen, de verdachte, de getuigen, deskundigen en tolken, voor zover zij nog niet ter terechtzitting zijn gehoord, opnieuw opgeroepen. De ter terechtzitting verschenen benadeelde partij wordt eveneens opgeroepen indien de rechtbank daartoe termen aanwezig acht.
2. Artikel 319, derde lid, is van toepassing.
3. Met betrekking tot de oproeping van de verdachte is artikel 265 van Pro overeenkomstige toepassing.’
53. De artikelen 319 en 320 Sv werden als volgt toegelicht: [47]
‘In de artikelen 319–321 wordt verder uitvoering gegeven aan de voorstellen van de commissie Moons. Deze artikelen regelen het oproepen van de verdachte en het oproepen en horen van personen die voor de schorsing van het onderzoek als getuige of deskundige zijn opgeroepen, al dan niet verschenen of al dan niet gehoord, tegen de hervatting van het onderzoek.
Artikel 319, eerste lid, regelt het aanzeggen van het tijdstip waarop het onderzoek zal worden hervat in het geval dat het onderzoek voor bepaalde tijd is geschorst. Die aanzegging geldt de verdachte die ter terechtzitting is verschenen, zijn raadsman en de tolk. In de tweede plaats geldt de aanzegging de getuigen en deskundigen die ter terechtzitting aanwezig zijn en nog niet gehoord. In de derde plaats wordt de aanzegging gedaan aan de benadeelde partij. Het toezenden van een schriftelijke oproeping kan in dit geval achterwege blijven.
In het tweede lid is bepaald dat degenen die niet op de terechtzitting aanwezig zijn andermaal worden opgeroepen voor de nadere terechtzitting.
In het derde lid is geregeld dat de rechtbank getuigen, deskundigen en tolken kan aanwijzen die op de terechtzitting reeds zijn gehoord en wier verdere aanwezigheid ook bij de hervatting is vereist. De rechtbank kan deze selectie ambtshalve maken, doch ook op vordering van de officier van justitie of verzoek van de verdachte. De regel is dat de vordering van de officier van justitie en het verzoek van de verdachte worden ingewilligd, tenzij de rechtbank van oordeel is dat door het achterwege blijven van oproeping de verdachte niet in zijn verdediging of het openbaar ministerie in zijn vervolging wordt geschaad.
Uit het eerste en derde lid te zamen kan worden afgeleid dat getuigen en deskundigen die reeds voor de schorsing zijn gehoord en wier aanwezigheid niet meer bij de hervatting van het onderzoek wordt vereist, niet meer behoeven te worden opgeroepen. Deze opzet sluit beter aan bij de praktijk waaruit blijkt dat het merendeel van de getuigen en deskundigen hun taak heeft vervuld als zij hun verklaring hebben afgelegd en als zij daarover zijn ondervraagd. Het nadeel van de bestaande regeling is dat de hernieuwde oproeping van getuigen en deskundigen voor de hervatting na de schorsing wel wordt vergeten. Uit de rechtspraak blijkt dat in hoger beroep of cassatie de rechter dan langs allerlei omwegen moet vaststellen dat van het opnieuw oproepen met instemming van betrokkenen is afgezien.
Het voornaamste verschil met de regeling van de hervatting na schorsing van het onderzoek voor onbepaalde tijd is dat de kennisgeving van de datum van de hervatting aan alle betrokkenen altijd met behulp van een oproeping moet geschieden (artikel 320, eerste lid). Over dat tijdstip mag immers, zeker niet bij de verdachte, onduidelijkheid bestaan. Om deze reden is in het derde lid, een extra waarborg ten aanzien van de termijn binnen welke de verdachte moet worden opgeroepen, opgenomen.’
54. Uit de tekst van en de toelichting op de nieuwe bepalingen blijkt dat er wat betreft de oproeping van de verdachte niets veranderde. De memorie van toelichting maakte ook duidelijk dat de ‘extra waarborg’ die in art. 320, derde lid, Sv is opgenomen alleen bij de schorsing voor onbepaalde tijd is opgenomen. [48]
55. Nadien is in art. 319, eerste en tweede lid, Sv en artikel 320, eerste lid, Sv nog ‘het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van artikel 51e, zesde of zevende lid, of de nabestaande’ opgenomen. [49] Ook deze wijziging is in dit verband niet van belang.
56. In de zaak die ten grondslag lag aan het eerder aangestipte arrest van 13 februari 1990 had op 6 januari 1989 in hoger beroep een zitting plaatsgevonden. [50] Uit het proces-verbaal blijkt dat de raadsman op enig moment aangaf nog geruime tijd nodig te hebben voor zijn pleidooi. Het proces-verbaal houdt vervolgens in: ‘Vervolgens schorst de voorzitter namens het hof het onderzoek ter terechtzitting wegens de uitgebreidheid en de duur daarvan tot de terechtzitting van 10 maart 1989 te 14.30 uur, dit laatste in verband met de klemmende reden dat het zittingsrooster van het hof een eerdere behandeling niet toelaat, met aanzegging aan de verdachte alsdan zonder nadere oproeping wederom ter terechtzitting te verschijnen’. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 1989 houdt in dat het hof verzoeken tot het horen van getuigen afwees, ‘nu het onderzoek van 6 jan. 1989 op de voet van het bepaalde in art. 277 lid 2 Sv Pro slechts is onderbroken en gelet op het p.-v. van 6 jan. 1989 geen noodzaak is om de vermelde getuigen wederom te horen of door de R–C te doen horen’. In cassatie werd geklaagd dat het verzoek was afgewezen op gronden die de afwijzing niet konden dragen. Uw Raad overwoog:
‘4.3.1 's Hofs afwijzing van het verzoek stoelt kennelijk op het uitgangspunt dat – in weerwil van het gebruik van de term 'schorsing' in het p.-v. van de terechtzitting van 6 jan. 1989 – het onderzoek te dier terechtzitting is onderbroken in de zin van het tweede lid van art. 277 Sv Pro, dat in hoger beroep van toepassing is.
In aanmerking genomen:
a. de gang van zaken ter terechtzitting van 6 jan. 1989 als hiervoren onder 4.1 weergegeven;
b. het bepaalde bij het tweede lid van art. 277 Sv Pro; is dit uitgangspunt juist.
Dit brengt met zich mee dat – anders dan in het geval het onderzoek zou zijn geschorst – ingevolge het bepaalde in het tweede lid van art. 319 Sv Pro de toen niet ter terechtzitting aanwezige getuigen en deskundigen niet voor de nadere behandeling behoefden te worden gedagvaard of opgeroepen.
4.3.2 In het middel, dat berust op de opvatting dat het hof bij zijn afwijzing van het verzoek heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in art. 280 Sv Pro in verbinding met art. 415 Sv Pro, wordt miskend dat in geval van onderbreking van het onderzoek eerstvermelde bepaling niet van toepassing is.’ [51]
57. A-G Fokkens ging in 2002 in op (dit arrest en) het verschil tussen onderbreking en schorsing voor bepaalde tijd (met weglating van een voetnoot): [52]
‘5. (…) De wet maakt een onderscheid in onderbreking van het onderzoek - tot een later tijdstip op dezelfde dag of tot een latere zittingsdag (HR 13 februari 1990, NJ 1990, 436) - en schorsing voor bepaalde of onbepaalde tijd, waarbij het - gelet op de gronden voor schorsing - buiten de wraking altijd gaat om een schorsing van het onderzoek tot een latere zittingsdag. In het laatste geval schrijft de wet dan ook voor dat de verdachte hetzij moet worden opgeroepen voor die nadere zitting dan wel dat hem, indien hij aanwezig is en de aanhouding voor bepaalde tijd is, moet worden aangezegd wanneer het onderzoek ter terechtzitting wordt hervat. In geval van onderbreking van het onderzoek moet het tijdstip van hervatting de verdachte die aanwezig is, worden aangezegd. Art. 319 schrijft Pro niet voor dat de niet aanwezige verdachte in geval van een onderbreking van het onderzoek moet worden opgeroepen. Dat is vanzelfsprekend als het onderzoek op dezelfde zittingsdag wordt voortgezet, maar is dat niet voor het geval de hervatting op een latere zittingsdag plaatsvindt.’
58. Met Fokkens kan – vooruitlopend op de bespreking van het middel – worden geconstateerd dat het verschil in benadering tussen onderbreking en schorsing voor bepaalde tijd dat uit de wet volgt vragen oproept. Het spreekt niet vanzelf dat de verdachte na een onderbreking van twee maanden niet behoeft te worden opgeroepen, maar na een schorsing voor bepaalde tijd die (veel) korter duurt wel. In herinnering kan worden geroepen dat het Wetboek van 1926 geen verschil maakte. De onderbreking en de schorsing voor bepaalde tijd waren daarin wat hun rechtsgevolgen betreft gelijkgeschakeld. De wetgever heeft daar in de zestiger jaren wijziging in gebracht zonder in een nadere afgrenzing van de toepasselijkheid van beide modaliteiten te voorzien. In de voorwaarden voor een onderbreking ligt slechts in beperkte mate een begrenzing besloten: onderbrekingen van het onderzoek kunnen ‘wegens de uitgebreidheid of de duur daarvan of voor het nemen van rust’ door de rechter worden bevolen (art. 277, tweede lid, Sv). In welke gevallen onderbroken wordt voor een aantal weken en in welke gevallen wordt geschorst voor een aantal weken is met andere woorden in veel gevallen een keuze die niet door het recht wordt begrensd.
59. Denkbaar lijkt mij in dat licht, niet in alle gevallen rechtsgevolgen te verbinden aan gebreken bij de betekening van de oproeping. Uit de toelichting op de wetswijziging in de zestiger jaren kan worden afgeleid dat de wetgever bij de introductie van de oproeping ingeval van schorsing voor bepaalde tijd vooral dacht aan de verdachte die afwezig was terwijl hem in dat verband niets te verwijten viel. Die verdachte diende, na een schorsing voor bepaalde tijd, via een oproeping de kans geboden te worden bij het vervolg van de berechting aanwezig te zijn. Daarbij zou kunnen passen dat gebreken bij de betekening van de oproeping in het geval van schorsing voor bepaalde tijd niet (altijd) tot cassatie behoeven te leiden als de dagvaarding in persoon is betekend.
60. Het ambtelijk concept van het nieuwe Wetboek van Strafvordering brengt op dit punt in de regeling van de berechting in Boek 4 geen nieuws. [53] De aandacht trekt wel dat in de algemene regeling voor verwijzing naar een andere rechter in Boek 1 onderbreking mogelijk is gemaakt. [54] Wel vestig ik er de aandacht op dat in dat concept bepalingen zijn opgenomen die ruimte creëren voor overleg tussen de voorzitter en procespartijen als waarvan ook in deze zaak sprake is geweest. [55]

Bespreking van de middelen

61. Het
eerstemiddel bevat in de eerste plaats de klacht dat het hof de betekening, althans de dagvaarding in hoger beroep ten onrechte niet nietig heeft verklaard.
62. De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om op 4 augustus 2020 ter terechtzitting te verschijnen is in persoon betekend door deze aan de verdachte te overhandigen. De klacht dat het hof de (betekening van de) dagvaarding ten onrechte niet nietig heeft verklaard, faalt.
63. Het middel bevat voorts de klacht dat het hof ten onrechte (ongemotiveerd) verstek heeft verleend en/of ten onrechte niet de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting heeft bevolen.
64. Op 18 augustus 2020 is blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte. De stukken die betrekking hebben op de oproeping van de verdachte voor die zitting zijn in het ongerede geraakt. Dat brengt mee – zo bleek reeds – dat het ervoor moet worden gehouden dat de oproeping om op de (nadere) terechtzitting in hoger beroep te verschijnen niet op de bij de wet voorgeschreven wijze is betekend.
65. Dat brengt naar het mij voorkomt evenwel nog niet mee dat het hof geen verstek kon verlenen en tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting gehouden was. Nietigverklaring van de oproeping en schorsing van het onderzoek ter terechtzitting kunnen achterwege blijven indien de verdachte tijdig met plaats en tijd van de nadere terechtzitting op de hoogte is. Ik wijs er daarbij in de eerste plaats op dat uit art. 36n, eerste lid, Sv volgt dat de rechter de betekening nietig
kanverklaren indien de uitreiking niet is geschied overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling. Deze op de Wet vormverzuimen terug te leiden formulering geeft de rechter een zekere ruimte bij de beslissing om de betekening van een oproeping of dagvaarding nietig te verklaren. Uit een eerdere wijziging van art. 590 (oud) Sv kan worden afgeleid dat het in de rede ligt (nietigverklaring en) schorsing van het onderzoek ter terechtzitting achterwege te laten als zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de (nadere) terechtzitting de verdachte vóór het begin van de door de wet voorgeschreven termijn van dagvaarding, oproeping of aanzegging bekend was. [56]
66. In verband met de eis dat de dag van de (nadere) terechtzitting de verdachte bekend was vóór het begin van de wettelijk voorgeschreven termijn, is van belang dat de wet in het geval van schorsing voor bepaalde tijd geen termijn voorschrijft. Bij dagvaarding geldt in eerste aanleg een termijn van tien dagen voor de meervoudige kamer (art. 265 Sv Pro) en van drie dagen voor de politierechter (art. 370 Sv Pro). In hoger beroep geldt voor de appeldagvaarding een termijn van tien dagen (art. 413 Sv Pro). Bij de schorsing voor onbepaalde tijd is de termijn van art. 265 Sv Pro van overeenkomstige toepassing verklaard (art. 320, derde lid, Sv). Dat bij de schorsing voor bepaalde tijd geen termijn is voorgeschreven, kan niet zonder meer als een omissie worden aangemerkt. Het Wetboek van Strafvordering van 1926 stelde de schorsing voor bepaalde tijd wat betreft de noodzaak om de verdachte te informeren over de volgende terechtzitting gelijk aan de onderbreking. Dat later de verplichting is geïntroduceerd om de verdachte bij een schorsing voor bepaalde tijd op te roepen, kan zijn gezien als een extra service voor de verdachte, waarbij een – ingeval van schorsing voor korte tijd ook problematische – termijnstelling bewust achterwege is gelaten. Zoals gezegd wijst ook de onder randnummer 53 geciteerde passage uit de wetgeschiedenis in die richting. Ik wijs in dit verband nog op art. 36g Sv (de opvolger van art. 588a (oud) Sv), dat verplicht tot het toezenden van een afschrift van de dagvaarding of oproeping zonder een termijn te stellen. Art. 36n, derde lid, Sv, spreekt slechts over het niet ‘tijdig’ aan de verzendplicht voldoen.
67. Waar het zo bezien om gaat is of met de vereiste zekerheid vaststaat dat de dag en het tijdstip van de nadere terechtzitting de verdachte voordien bekend was. Uit het genoemde arrest van 29 maart 2011 kan worden afgeleid dat de enkele mededeling van de raadsman dat hij de verdachte op de hoogte heeft gesteld van de terechtzitting niet volstaat. Dat lijkt mij onverminderd juist voor zover daarmee (vgl. de noot van Schalken) tot uitdrukking is gebracht dat de term ‘op de hoogte stellen’ niet impliceert dat de verdachte daadwerkelijk op de hoogte is geraakt. In de onderhavige zaak doet zich evenwel een samenstel van omstandigheden voor. De dagvaarding voor de eerste terechtzitting, op 4 augustus 2020, is in persoon betekend. De raadsvrouw heeft op 21 juli 2020 per e-mail om aanhouding verzocht omdat zij en de verdachte die dag niet aanwezig konden zijn. De volgende dag heeft een administratief medewerkster op verzoek van de voorzitter nagevraagd of de raadsvrouw en de verdachte op 18 augustus 2020 kunnen. Op diezelfde dag heeft zij aan de voorzitter bericht: ‘18/8 om 09.00u is akkoord’. Vervolgens heeft de raadsvrouw op 17 augustus 2020, een dag voor de nadere terechtzitting, een bericht gestuurd waarin zij aankondigt niet te zullen verschijnen. Zij vermeldt daarbij: ‘Cliënt heb ik hiervan op de hoogte gebracht en wenst alsnog zelf wel ter zitting te verschijnen’. Uit deze mededeling kan worden afgeleid dat de raadsvrouw (kort) voor de terechtzitting nog met de verdachte heeft gesproken en dat deze in dat gesprek heeft aangegeven zelf op de terechtzitting te willen verschijnen. Uit dit samenstel van gegevens kan naar het mij voorkomt met toereikende zekerheid worden afgeleid dat de dag en het tijdstip van de (tweede) terechtzitting de verdachte voordien bekend waren. [57] Ik wijs er voorts nog op dat de verdachte bij het instellen van hoger beroep een schrijven heeft ingeleverd waarin hij is ingegaan op het tijdstip van aanwenden van het hoger beroep, dat de eerdere zitting op 4 augustus 2020 gepland stond, en dat de verdachte voorafgaand aan de zitting van 18 augustus contact heeft gehad met zijn raadsvrouw. De verdachte heeft zich derhalve kunnen voorbereiden.
68. Ten overvloede wijs ik in dit verband nog op de zaak waarin de verdachte bij gewone brief was geïnformeerd over een vervroeging van het tijdstip van de terechtzitting met tien minuten. [58] Uw Raad achtte ’s hofs oordeel dat tegen de verdachte verstek kon worden verleend niet onbegrijpelijk en nam daarbij onder meer in aanmerking dat de griffier na aanvang van de terechtzitting nog telefonisch contact met de raadsman had opgenomen en ‘dat in cassatie niet is gesteld dat de verdachte op de oorspronkelijke aanvangstijd in het gerechtsgebouw van het hof aanwezig was’. In de onderhavige zaak blijkt uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting dat de verdachte (kort) nadat het arrest door de voorzitter is uitgesproken alsnog is verschenen. En in cassatie wordt niet aangevoerd dat de verdachte niet met het (juiste) tijdstip van de zitting op de hoogte was.
69. Al met al meen ik dat de klacht dat het hof ten onrechte verstek heeft verleend en ten onrechte niet de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting heeft bevolen faalt omdat uit de stukken van het geding volgt dat de verdachte met plaats en tijd van de nadere terechtzitting op de hoogte was.
70. Voor het geval Uw Raad daar anders over denkt, wijs ik nog op het volgende.
71. Het hof heeft op de terechtzitting van 4 augustus 2020 het onderzoek geschorst tot de terechtzitting van 18 augustus 2020. Daarmee is sprake van een schorsing voor bepaalde termijn. Het Wetboek van Strafvordering schreef in 1926 noch bij de onderbreking, noch bij de schorsing voor bepaalde tijd oproeping van de verdachte voor de nadere terechtzitting voor. Tussen deze beide figuren zag de wetgever – zo lijkt het – vooral overeenkomsten; ‘scherp tegenover’ deze figuren werd de schorsing voor onbepaalde tijd gesteld.
72. In de zestiger jaren werd bij de schorsing voor bepaalde tijd ook de oproeping van de verdachte voorgeschreven. Daarbij werd aangevoerd dat ‘zijn afwezigheid (de verdachte) zeker niet in alle gevallen (kan) worden verweten’. Gedacht werd kennelijk vooral aan oproeping van de verdachte die afwezig was terwijl hem in dat verband niets te verwijten viel. In een heldere afgrenzing van de gevallen waarin de zitting kan worden onderbroken en de gevallen waarin schorsing voor bepaalde tijd aangewezen is werd bij deze wetswijziging niet voorzien. De enkele omstandigheid dat het tijdsverloop meer dan enkele dagen is brengt niet mee dat een onderbreking niet mogelijk is. Uit een arrest uit 1990 kan worden afgeleid dat zelfs een onderbreking van enkele maanden mogelijk is.
73. Bij deze stand van zaken ligt het naar het mij voorkomt niet in de rede aan het niet naleven van de verplichting om de verdachte bij een schorsing voor bepaalde tijd op te roepen altijd nietigheid te verbinden. In de onderhavige zaak blijkt uit de stukken van het geding dat de dagvaarding in hoger beroep in persoon is betekend. Het gaat derhalve niet om een zaak waarin de verdachte door betekening van de oproeping alsnog met de berechting in hoger beroep op de hoogte kan raken. De behandeling van de zaak is op verzoek van de verdachte en de raadsvrouw uitgesteld tot een datum; daarover is contact geweest. En dat uitstel bedraagt slechts twee weken. Dat is een termijn waarvan de lengte, op zichzelf genomen, een kwalificatie als onderbreking toelaat. De raadsvrouw heeft tenslotte aangegeven dat de verdachte haar heeft gezegd dat hij de volgende dag ter terechtzitting wil verschijnen.
74. In dit licht meen ik dat de klacht dat het hof ten onrechte verstek heeft verleend en ten onrechte niet de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting heeft bevolen ook faalt omdat aan het niet naleven van de verplichting om de verdachte op te roepen bij schorsing van het onderzoek ter terechtzitting voor bepaalde tijd gelet op de omstandigheden van het geval geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden.
75. De steller van het middel klaagt voorts dat het hof de verstekverlening niet voldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. In dat verband is van belang dat in de toelichting wordt aangevoerd dat het hof er via de raadsvrouw van op de hoogte was dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wenste te maken.
76. A-G Knigge heeft eerder uit rechtspraak van Uw Raad afgeleid dat de rechter afstand van recht mag aannemen als de verdachte van de zitting op de hoogte is en zonder opgave van reden wegblijft. Een door de wel verschenen raadsman gedaan verzoek om aanhouding maakt in een dergelijke situatie doorgaans weinig kans van slagen. [59] Een arrest van 30 juni 2020 is daarmee in lijn. [60] Dat brengt mee dat de rechter in het onderhavige geval – waarin, zoals aangekondigd, de raadsvrouw niet was verschenen – evenmin tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting met het oog op het aanwezigheidsrecht gehouden was. Temeer niet daar voorstelbaar was dat de mededeling van de raadsvrouw dat zij niet zou komen (met toelichting) de verdachte bij nader inzien op andere gedachten had gebracht.
77. Een en ander in aanmerking genomen meen ik dat het hof niet gehouden was de beslissing om verstek te verlenen nader te motiveren (vgl. art. 280 Sv Pro in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv). Ik wijs er in dit verband nog op dat het hof op 4 augustus 2020 reeds verstek had kunnen verlenen tegen de niet verschenen verdachte en dat in dat geval op 18 augustus 2020 geen nadere beslissing inzake het verleende verstek noodzakelijk was geweest.
78. De steller van het middel klaagt tenslotte dat het hof toen de verdachte alsnog ter zitting verscheen het verstek ten onrechte niet vervallen heeft verklaard en het onderzoek ten onrechte niet opnieuw heeft aangevangen.
79. Deze klacht faalt eveneens. Toen de verdachte ter zitting verscheen had het hof de verdachte reeds niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Het stond het hof bij die stand van zaken niet vrij het onderzoek ter terechtzitting te heropenen. Voor zover in de toelichting op het middel de vraag wordt gesteld of het hof te voortvarend is geweest, en de verdachte gewoon op tijd was, meen ik anders dan de steller van het middel dat het proces-verbaal van de terechtzitting deze mogelijkheid niet open laat. Zonder nadere onderbouwing van het tegendeel, die ontbreekt, mag ervan worden uitgegaan dat het onderzoek ter terechtzitting op de daarvoor vastgestelde tijd is aangevangen.
80. Het eerste middel faalt.
81. Het
tweedemiddel bevat de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep, althans ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, althans ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het in het schrijven van 21 november 2019 neergelegde verweer dat sprake is van de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. In ieder geval zou moeten worden geconcludeerd dat de niet-ontvankelijkheid onvoldoende met redenen is omkleed.
82. Het hof heeft in het bestreden arrest vastgesteld dat de verdachte op 28 augustus 2019 ter terechtzitting van de politierechter in de Rechtbank Amsterdam is verschenen. De verdachte is bij vonnis van de politierechter dat die dag is gewezen veroordeeld. De verdachte heeft vervolgens pas op 21 november 2019 hoger beroep ingesteld.
83. Het hof was in beginsel niet gehouden te responderen op de inhoud van het schrijven van de verdachte van 21 november 2019. Dat kan anders liggen indien de inhoud van een dergelijk schrijven het ernstig vermoeden wekt dat de uitspraak van het hof niet juist is (dubia-rechtspraak). [61] Van een dergelijk ernstig vermoeden is in deze zaak geen sprake. Ik neem daarbij in aanmerking dat Uw Raad de mogelijkheid dat een termijnoverschrijding verontschuldigbaar kan zijn slechts in een aantal situaties heeft aangenomen (kort gezegd: ambtelijke informatie, een psychische stoornis, het ontbreken van een vertaling). [62] Fouten van de raadsman en (mis)communicatie tussen de verdachte en de raadsman leiden niet tot verontschuldigbaarheid van termijnoverschrijding. Daar komt bij dat na 11 september 2019 meer dan twee maanden zijn verstreken voor de verdachte alsnog hoger beroep heeft ingesteld. In het schrijven worden geen redenen opgegeven die meebrengen dat de overschrijding van de termijn met een zo lange periode verontschuldigbaar zou kunnen zijn. Ik merk in dit verband voorts nog op dat de verdachte in zijn schrijven vermeldt dat zijn raadsman op de dag van de uitspraak al aangaf dat hij geen hoger beroep wilde instellen.
84. Tegen die achtergrond was het hof niet gehouden op het schrijven van de verdachte in te gaan en is de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde hoger beroep toereikend met redenen omkleed.
85. Het tweede middel faalt.
86. Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
87. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie in verband met het in het ongerede raken van de akte van uitreiking van de appeldagvaarding HR 1 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5727 en HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3318.
2.HR 13 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8484,
3.Wet van 11 december 1980, houdende nieuwe voorschriften omtrent de wijze van kennisgeving van gerechtelijke mededelingen in strafzaken,
4.Wet van 24 april 1985, houdende nadere wijziging van de voorschriften omtrent de wijze van kennisgeving van gerechtelijke mededelingen in strafzaken,
5.Wet van 27 november 1991, houdende enkele wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in het bijzonder betreffende bepalingen houdende termijnen,
7.Wet van 7 juli 1994 tot aanpassing van een aantal wetten in verband met de intrekking van de Wet bevolkings- en verblijfregisters en de invoering van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens,
8.Wet van 14 september 1995 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering (vormverzuimen),
11.HR 17 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0974,
14.Zie de Wet van 15 januari 1998 tot wijziging van enige bepalingen in het Wetboek van Strafvordering onder andere inzake het rechtsgeding voor de politierechter en de mededeling van vonnissen en arresten met het oog op het instellen van een rechtsmiddel en van de bepalingen in het Wetboek van Strafrecht betreffende het kennisgeven en het ingaan van de proeftijd bij een voorwaardelijke veroordeling,
15.Wet van 15 januari 1998 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering betreffende het aanhangig maken van de zaak en de regeling van het onderzoek ter terechtzitting (herziening onderzoek ter terechtzitting),
17.Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg,
19.HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163,
20.In die zin ook A-G Machielse, conclusie voor HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9649,
21.Wet van 23 maart 2005 tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot de betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken,
23.HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4064,
24.G.J.M. Corstens,
25.J. Reijntjes,
26.B.F. Keulen en G. Knigge, S
27.HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1541,
28.Zie eerder HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2455. Daarin had het hof uit de stelbrief, waarin parketnummer en zittingsdatum werden genoemd, afgeleid dat de verdachte op de hoogte was van de zittingsdatum. Dat oordeel was volgens Uw Raad niet zonder meer begrijpelijk. Uw Raad achtte het, zo begrijp ik, niet in toereikende mate uitgesloten dat de raadsman niet door de verdachte maar langs andere weg was geïnformeerd. Zo gelezen staat ook dit arrest er niet aan in de weg dat bekendheid met de zittingsdatum (in beginsel) uit informatie van de raadsman mag worden afgeleid.
29.Zie HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1172 en HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1894,
30.HR 18 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:21,
31.Wet van 10 juli 2013 houdende aanpassing van wetten aan de Wet basisregistratie personen (Aanpassingswet basisregistratie personen),
32.Wet van 22 februari 2017, houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen),
33.Zie www.internetconsultatie.nl. De voorstellen zijn voorafgegaan door een onderzoek: zie P.A.M. Mevis e.a.,
35.Ambtelijke versie juli 2020 wetsvoorstel Wetboek van Strafvordering | Publicatie | Rijksoverheid.nl.
36.Ambtelijke versie juli 2020 Memorie van Toelichting Wetboek van Strafvordering | Publicatie | Rijksoverheid.nl.
37.EHRM 1 maart 2006, Sejdovic v. Italië, appl. nr. 56581/00,
38.Wet van den 15den Januari 1921, houdende vaststelling van een Wetboek van Strafvordering,
40.Wet van 20 november 1963 tot wijziging van enige artikelen van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet op de rechterlijke organisatie en het beleid der justitie, de Wet tot invoering van het Wetboek van Strafvordering, de Beginselenwet gevangeniswezen, de Wegenverkeerswet, de Vuurwapenwet 1919, de Jachtwet, de Veewet en de Kieswet,
42.Wet van 5 juli 1984 tot wijziging van enige bepalingen van het Wetboek van Strafvordering inzake het dagvaarden en horen van getuigen en deskundigen ter terechtzitting,
43.Wet van 27 november 1991, houdende enkele wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in het bijzonder betreffende bepalingen houdende termijnen,
44.Wet van 23 december 1992 tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten,
45.Wet van 12 april 1995 tot partiële wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Wetboek van Koophandel en enkele andere wetten,
46.Wet van 15 januari 1998 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering betreffende het aanhangig maken van de zaak en de regeling van het onderzoek ter terechtzitting (Wet herziening onderzoek ter terechtzitting),
48.Pelsser wijst er terecht op dat de huidige regeling zonder opgave van redenen geen rekening houdt met de Wet van 12 april 1995,
49.Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter uitbreiding van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces,
50.HR 13 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8484,
51.Zie in verband met het verschil tussen onderbreking en schorsing ook HR 31 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2047,
52.Aanvullende conclusie voor HR 23 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:ZD2844.
53.Zie de concept-artikelen 4.2.9, 4.2.57 en 4.2.58.
54.Zie concept-artikel 1.2.7. Dat duidt erop dat de in concept-artikel 4.2.9 uit art. 277 Sv Pro overgenomen gronden voor onderbreking niet limitatief zijn (vgl. thans ook art. 282a Sv). De toelichting op concept-art. 1.2.7 stelt de onderbreking en schorsing voor bepaalde tijd tegenover de schorsing voor onbepaalde tijd, en attendeert erop dat bij onderbreking en schorsing voor bepaalde tijd het risico kan worden voorkomen ‘dat geen betekening in persoon wordt gerealiseerd’.
55.Vgl. de concept-artikelen 4.1.3 en 4.1.6.
56.Zie in dit verband het eerder besproken HR 17 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0974,
57.Net als in de situatie waarin de raadsman namens de verdachte een aanhoudingsverzoek doet, blijkt uit de mededelingen van de raadsvrouw dat zij met de verdachte heeft gesproken en dat deze in dat gesprek uitlatingen heeft gedaan waaruit bekendheid met plaats en tijd kan worden afgeleid.
58.HR 18 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:21,
59.Zie A-G Knigge, conclusie voor HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2231, randnummers 4.4 t/m 4.7.
60.HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1172. Al staat deze uitspraak niet in de sleutel van afstand van aanwezigheidsrecht.
61.Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163,
62.Vgl. Borgers en Kooijmans,