ECLI:NL:PHR:2003:AE6422
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bescherming vertrouwensbeginsel bij berekening premiereserve levensverzekeraar
In deze zaak gaat het om de fiscale behandeling van de premiereserve van een levensverzekeraar, belanghebbende, voor het jaar 1994. De Inspecteur heeft correcties aangebracht op de aangifte vennootschapsbelasting, omdat de berekening van de premiereserve voor koopsom- en garantiepolissen niet in overeenstemming zou zijn met het Convenant en goed koopmansgebruik. Belanghebbende heeft deze correcties bestreden en beroep ingesteld bij het Hof Amsterdam.
Het Hof oordeelde dat de berekeningswijze van de premiereserve voor koopsompolissen niet strookt met het Convenant, maar dat belanghebbende erop mocht vertrouwen dat deze methode werd geaccepteerd door de Belastingdienst. Voor de garantiepolissen achtte het Hof de berekening van belanghebbende wel juist. De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen deze uitspraken.
De Hoge Raad bevestigt dat de door belanghebbende gevolgde methode voor de garantiepolissen niet in strijd is met goed koopmansgebruik en dat het vertrouwensbeginsel van toepassing is. Dit houdt in dat de Inspecteur gebonden is aan een impliciete standpuntbepaling die gedurende vele jaren is gevolgd, tenzij de omstandigheden wezenlijk veranderen. De Hoge Raad wijst ook op het belang van het feit dat de Inspecteur niet tijdig bezwaar maakte tegen de methode en dat belanghebbende redelijkerwijs mocht vertrouwen op de stabiliteit van het fiscale standpunt.
De Hoge Raad verwerpt de cassatiemiddelen en verklaart het beroep ongegrond, waarmee het oordeel van het Hof wordt bekrachtigd. De zaak onderstreept het belang van het vertrouwensbeginsel in fiscale procedures en de bescherming van belastingplichtigen tegen onverwachte wijzigingen in de interpretatie van fiscale regels.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat belanghebbende mocht vertrouwen op de gehanteerde berekeningsmethode van de premiereserve.