ECLI:NL:HR:2003:AE6422
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt fiscale waarderingsmethode voor verzekeringsverplichtingen en beschermt vertrouwen belastingplichtige
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam verworpen. Het geschil betrof de fiscale waardering van de voorziening voor verzekeringsverplichtingen van een levensverzekeraar voor het jaar 1994. Belanghebbende had een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd gekregen die zij betwistte. Het Hof had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag verminderd.
De kern van het geschil lag in de vraag of de waarderingsmethode die belanghebbende toepaste, in overeenstemming was met het Convenant van 1969 en het daarop gebaseerde Besluit winstbepaling en reserves verzekeraars 2001. Het ging met name om de berekening van de voorziening voor garantiepolissen en koopsompolissen, waarbij rentekortingen en winstdelingen een rol speelden. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat de waarderingsmethode van belanghebbende niet corrigerend hoefde te worden aangepast en dat het vertrouwen dat belanghebbende mocht ontlenen aan het handelen van de Inspecteur terecht was.
De Hoge Raad bevestigde dat het Convenant en het Besluit geen inhoudelijke wijziging van de materie beogen en dat de waarderingsgrondslagen moeten aansluiten bij de grondslagen van het tarief waarop de verzekeringen zijn gesloten. Ook werd overwogen dat het niet onredelijk is om naast het garantiekapitaal ook de toegekende winstdeling mee te nemen in de voorziening, mits dit in overeenstemming is met goed koopmansgebruik. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd.